Foutief gebruik door penitentiaire medewerkers van afstandsformulier voor een gedetineerde die weigert mee te werken aan het vervoer naar de rb, levert niet zonder meer valsheid in geschrift op

Gerechtshof Amsterdam 23 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2754 Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde 1 en beklaagde 2, beiden werkzaam bij Penitentiaire Inrichting, ter zake van valsheid in geschrifte.

Achtergrond

Op 6 februari 2014 behandelde de rechtbank Amsterdam de strafzaak waarin klager verdachte was. Klager, die in voorlopige hechtenis was gesteld en zich in de Penitentiaire Inrichting bevond, wenste gebruik te maken van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling. In afwachting van de parketmedewerkers die hem naar de rechtbank zouden overbrengen, werd hij overeenkomstig de geldende procedure overgebracht naar de wachtcel. Klager wilde niet meewerken aan insluiting in de wachtcel. Beklaagde 1, die toen functioneerde als teamleider beveiliging, en betrokkene 1, een penitentiaire inrichtingswerker, hebben klager de procedure uitgelegd. Zij hebben klager gewezen op de mogelijkheid om een verklaring te ondertekenen, inhoudende dat hij afstand deed van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Klager zei dat hij niet in de wachtcel wilde plaatsnemen, maar wel naar de rechtbank wilde gaan en geen afstand deed. Klager was aan het schelden, riep doodsbedreigingen en werd fysiek agressief. Inmiddels was beklaagde 2 ook gearriveerd. Omdat klager zo agressief was, was er de noodzaak tot ingrijpen en is klager uiteindelijk naar de isoleercel gebracht.

De inmiddels gearriveerde parketmedewerkers waren getuige van het gedrag van klager en besloten uit veiligheidsoverwegingen af te zien van transport van klager. Beklaagde 1 besloot in eerste instantie dat klager terug zou worden gebracht naar zijn cel. De parketmedewerkers verzochten de medewerkers van de penitentiaire inrichting om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat klager niet naar de rechtbank kon worden overgebracht. Beklaagde 1 heeft een formulier “afstandsverklaring” dusdanig ingevuld, dat het inhield dat klager afstand deed van zijn recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak en dat klager weigerde deze verklaring te ondertekenen. De twee penitentiaire inrichtingswerkers hebben, overeenkomstig de procedure in het geval een gedetineerde weigert de afstandsverklaring te ondertekenen, deze verklaring ondertekend. Beklaagde 2 deed dit op verzoek van beklaagde 1. Beklaagde 2 had van betrokkene 1 vernomen dat klager wel naar de zitting wilde gaan.

De gemachtigde van klager heeft in zijn hoedanigheid van raadsman telefonisch contact opgenomen met de penitentiaire inrichting, toen klager niet op de terechtzitting van de rechtbank verscheen, omdat hij ervan uitging dat klager zou komen. Hij vernam toen dat klager geen afstand had gedaan van zijn verschijningsrecht en heeft dit aan de rechtbank gemeld.

Beklaagden hebben verklaard dat zij niet het opzet hadden weer te geven dat klager afstand deed van diens recht op aanwezigheid ter terechtzitting en om klager te benadelen. Het was hun intentie de parketmedewerkers ter wille te zijn, die gelet op het oponthoud snel wilden vertrekken en vroegen om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat klager niet naar de rechtbank kon worden overgebracht. Beklaagden hebben verklaard dat zij niet eerder hadden meegemaakt dat een gedetineerde wel naar zitting wilde gaan, maar niettemin geen medewerking verleende. In de hectiek van het moment hebben zij het enige formulier waarover zij beschikten gebruikt, zonder na te denken over de portee van hun handelwijze. Uit de verklaringen van beklaagden blijkt dat zij er niet aan hebben gedacht een rapport of proces-verbaal op te maken, inhoudende de reden dat klager geen gebruik kon maken van de geboden transportmogelijkheid.

Naar aanleiding van de melding van het incident door de gemachtigde aan de officier van justitie heeft het Openbaar Ministerie de beklaagden erop gewezen dat zij verkeerd hebben gehandeld en dat zij verslag hadden moeten doen van de feitelijke gang van zaken.

Beoordeling van het beklag

Vooropgesteld moet worden dat het het hof heeft geschokt en verbaasd, dat slechts door het alerte handelen van klagers gemachtigde ternauwernood is voorkomen dat aan klager het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak - een fundamenteel rechtsbeginsel – werd onthouden. Het staat buiten kijf dat voor een adequate rechtsbescherming vereist is dat rechters kunnen vertrouwen op de juistheid van afstandsverklaringen. Het is dan ook verontrustend dat er aanwijzingen zijn dat de onderhavige zaak niet op zichzelf staat, maar dat soortgelijke feiten zich vaker hebben kunnen voordoen in penitentiaire inrichtingen.

Hoe ernstig de gevolgen van het handelen van beklaagden ook hadden kunnen zijn, dit leidt niet zonder meer tot toewijzing van het beklag. Daartoe heeft het hof immers te beoordelen of deze zaak met een gerede kans op een veroordeling aan de strafrechter kan worden voorgelegd; indien het antwoord op die vraag bevestigend is, heeft het hof te beoordelen of er voldoende maatschappelijk belang is om het Openbaar Ministerie daartoe bevel te geven.

Voor een veroordeling wegens valsheid in geschrift is onder meer vereist dat beklaagden zich ervan bewust waren dat zij de afstandsverklaring valselijk opmaakten en dat zij het oogmerk hadden om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. Hoewel bij eerste lezing van de afstandsverklaring moeilijk voorstelbaar is dat aan deze vereisten niet is voldaan, acht het hof de voor hun handelen gegeven verklaringen van de beklaagden plausibel. Beklaagden hebben onder hectische omstandigheden moeten improviseren en hebben daarbij niet onderkend dat het gebruik het enige hun ter beschikking staande formulier een verkeerde indruk zou wekken. Dit leidt tot de conclusie dat de kans op een succesvolle vervolging klein te achten is.

Ondanks de ernst van de kwestie ziet het hof onvoldoende aanleiding om een bevel tot vervolging te geven om die kleine kans op bewezenverklaring te beproeven. Inmiddels hebben leidinggevenden en de officier van justitie beklaagden gewezen op het onwenselijke van hun gedrag, zijn zij door de politie gehoord en is in raadkamer door het hof voorgehouden hoe ernstig de consequenties van hun handelen hadden kunnen zijn. Voorts is klager, door adequaat optreden van zijn raadsman, niet in zijn belangen geschaad.

Alles overwegende, is het hof van oordeel dat een strafrechtelijke vervolging te weinig toegevoegde waarde heeft.

Het hof wijst het beklag af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF