Beklag art. 12 Sv tegen (bestuurders van) De Nederlandsche Bank afgewezen

Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2884 Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen De Nederlandsche Bank N.V. en haar toenmalige directieleden (beklaagde 1, beklaagde 2, beklaagde 3 en beklaagde 4) ter zake van opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht in de periode 11-12 oktober 2009.

Beoordeling van het beklag

De aangifte

Door klager is in zijn hoedanigheid van indirect aandeelhouder en voormalig voorzitter van de Raad van Bestuur van DSB Bank N.V. op 19 oktober 2010 aangifte gedaan tegen beklaagden, DNB en haar toenmalige directieleden, wegens opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht in de periode 11-12 oktober 2009 (artikel 272 Sr).

Volgens klager hebben beklaagden in strijd met een op hen rustende wettelijke geheimhoudingsverplichting, vastgelegd in artikel 1:89 van de Wet op het financieel toezicht, derden onverplicht geïnformeerd over een op handen zijnde aanvraag tot toepassing van de noodregeling ten aanzien van de DSB Bank.

De rechtbank Amsterdam heeft, na een besloten zitting, op 12 oktober 2009 rond 1.00 uur een eerste aanvraag van DNB tot het toepassen van de noodregeling ten aanzien van de DSB Bank afgewezen. De uitspraak is op dat moment niet gepubliceerd. Vanwege de schending van de geheimhoudingsplicht door beklaagden en de daaruit voortvloeiende in de media verschenen berichten is kort hierna een bankrun op DSB Bank ontstaan. Die maakte een toewijzing van een tweede aanvraag tot toepassing van de noodregeling onvermijdelijk. De noodregeling is op 12 oktober 2009 rond 11.15 uur van toepassing verklaard. Het voorgaande heeft volgens klager geleid tot het faillissement van de DSB Bank.

De aangifte van klager is door de officier van justitie geseponeerd op de grond dat geen sprake is van opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht. Voor zover door beklaagden informatie is verstrekt over de aanvraag van de noodregeling aan derden kunnen zij zich beroepen op een strafuitsluitingsgrond (noodtoestand en uitvoering van een wettelijk voorschrift).

Klager heeft onderhavig klaagschrift ingediend omdat hij zich niet met dit standpunt kan verenigen.

Standpunten in raadkamer

Zijdens klager is in raadkamer aangevoerd dat uit het tot op heden in deze zaak verrichte onderzoek is gebleken dat door beklaagden opzettelijk en actief derden zijn geïnformeerd over de aanvraag van de noodregeling, terwijl uit de wet niet voortvloeit dat beklaagden daartoe gerechtigd waren.

Subsidiair is sprake van het aanvaarden van een aanmerkelijke kans door beklaagden dat de aanvraag van de noodregeling vroegtijdig in de openbaarheid zou komen en daarmee van voorwaardelijk opzet. Hiervoor wordt een drietal argumenten genoemd, kort weergegeven: het feit dat DNB geen protocol kent voor situaties als deze en ook niet anderszins intern voorzorgsmaatregelen had genomen, waardoor het risico werd geschapen dat er chaos zou ontstaan bij de informatieverstrekking en bij de handhaving van de geheimhouding; het feit dat er meer personen door DNB zijn geïnformeerd dan noodzakelijk was, onder wie bestuursvoorzitter van rechtspersoon, zoals uit het tot op heden verrichte onderzoek naar voren is gekomen; alsmede het feit dat aan de partijen, die geïnformeerd werden over de aanvraag van de noodregeling, niet gevraagd is geheimhouding te betrachten.

Klager stelt dat beklaagden alles op alles hebben gezet om hem uit de financiële wereld te verdrijven.

Volgens klager is verder strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk en dienen beklaagden zich voor de strafrechter te verantwoorden.

Beklaagden hebben zich op het standpunt gesteld – kort weergegeven - dat geen sprake is van schending van de geheimhoudingsplicht. Het doen van vertrouwelijke mededelingen over de aanvraag tot toepassing van de noodregeling, zoals die zijn gedaan aan derden, past binnen de taak van DNB zoals haar toegekend in de Wft en was voor de uitvoering van haar taak vereist; de afweging of daarvan sprake is, is in beginsel aan beklaagden zelf voorbehouden. Het doel van het informeren van derden is steeds geweest om de aan beklaagden toebedeelde toezichthoudende taak op een goede wijze uit te oefenen. Daarvan maakte deel uit dat marktpartijen op de hoogte werden gesteld en dat maatregelen werden getroffen om consumenten op te kunnen vangen op het moment dat de noodregeling, zodra deze door de rechtbank was toegewezen, van kracht werd. De informatie die de betrokkenen ontvingen was bovendien beperkt tot het hoogst nodige voor de taak waarvoor zij ingeschakeld waren, zoals bijvoorbeeld bij de werving van callcenter medewerkers.

De advocaat-generaal is gebleven bij zijn advies dat het beklag moet worden afgewezen omdat aanwijzingen ontbreken dat sprake is van opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht.

Overwegingen van het hof

In het kader van de onderhavige procedure heeft het hof te beoordelen of te verwachten valt dat de strafrechter bij voorlegging van de zaak zal kunnen komen tot een veroordeling van beklaagden of één van hen ter zake van het door klager genoemde strafbare feit. Als dat niet het geval is, heeft het hof te beoordelen of aanvullend onderzoek tot een andere opvatting zou kunnen leiden. Bij deze beoordeling is het volgende wettelijk kader van belang.

Aan DNB is in de Wft een toezichthoudende taak toegekend, gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële stelsel (artikel 1:24 Wft).

Het hof gaat ervan uit dat de aanvraag tot toepassing van de noodregeling bij de rechtbank Amsterdam door DNB ten aanzien van de DSB Bank is gebaseerd op en tevens valt onder ‘vertrouwelijke gegevens of inlichtingen’, zoals bedoeld in artikel 1:89 Wft, lid 1. Door geen der partijen is overigens ter zake een andersluidend standpunt ingenomen. Uit genoemd artikel volgt niet een absolute geheimhoudingsplicht voor beklaagden ten aanzien van die gegevens of inlichtingen: het was hen slechts verboden om daarvan verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van hun taak of door de Wft werd geëist.

Op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer is het hof van oordeel dat beklaagden redelijkerwijs hebben kunnen oordelen dat het informeren van de desbetreffende derden, zoals uit het dossier gebleken, viel onder de uitvoering van hun wettelijke toezichthoudende taak. Dat in dat kader ook bestuursvoorzitter, in de hoedanigheid van bestuursvoorzitter van rechtspersoon, naar het oordeel van beklaagden geïnformeerd diende te worden, komt het hof niet onredelijk voor.

Van opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht door beklaagden - dus van het opzettelijk bekendheid geven aan vertrouwelijke informatie anders dan voortvloeiend uit de uitvoering van hun taak - is uit het dossier niet gebleken, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Er zijn geen aanwijzingen dat beklaagden buiten het kader van hun toezichthoudende taak derden hebben geïnformeerd over de aanvraag tot toepassing van de noodregeling of bijvoorbeeld voortijdig de pers over die aanvraag hebben ingelicht dan wel anderszins lichtvaardig met vertrouwelijke gegevens zijn omgesprongen.

In het midden kan blijven of het beter zou zijn geweest indien DNB had beschikt over een protocol voor situaties als de onderhavige, of als beklaagden in elk contact met partijen die werden geïnformeerd over de aanvraag van de noodregeling, uitdrukkelijk om geheimhouding zouden hebben gevraagd. Immers is ondenkbaar dat overwegingen dienaangaande zouden kunnen leiden tot het oordeel dat beklaagden bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de vereiste vertrouwelijkheid zou worden geschonden – met alle mogelijke gevolgen van dien voor de stabiliteit van het financiële stelsel, en voor medewerkers en klanten van DSB. Klagers overtuiging dat beklaagden er veel voor over hadden om hem uit de financiële wereld te verdrijven, maakt dit niet anders.

Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat op grond van de aangifte en de overige stukken een bewezenverklaring van het door klager gestelde strafbare feit zal volgen, wanneer de zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd. Ook is niet aannemelijk dat nader onderzoek in deze zaak zal leiden tot de uitkomst dat wel bewezen kan worden dat door beklaagden of één van hen het door klager bedoelde delict is begaan.

Het hof zal de klacht dan ook afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF