Afwijzing ontnemingsvordering door incompleet dossier. Ondanks constatering ter zitting door verdediging en rechter laat OM na ontnemingsdossier te completeren.

Gerechtshof Amsterdam 9 november 2012, LJN BY3571 (gepubliceerd op 20 november 2012) Procesgang 

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 39.797,16.

De veroordeelde is bij strafvonnis van de rechtbank Haarlem van 9 mei 2007 veroordeeld ter zake van:

  1. het medeplegen van de in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd;
  2. het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C gegeven verbod;
  3. het deelnemen van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  4. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

De verdachte en het OM hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 mei 2010 veroordeeld ter zake van:

  1. het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
  2. het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
  3. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  4. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

De rechtbank Haarlem heeft bij beslissing van 31 december 2010 de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Beoordeling Gerechtshof

Het hof stelt vast dat de stukken, waaruit aannemelijk moet worden dat de veroordeelde feitelijk heeft gedeeld in de opbrengst van al dan niet door hemzelf (mede)gepleegde feiten, anders dan in samengevatte vorm, zich niet in het voorliggende ontnemingsdossier bevinden. De advocaat-generaal is ter terechtzitting op het ontbreken van die stukken geattendeerd, maar heeft hierin geen aanleiding gevonden het dossier in die zin te completeren.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen andere mogelijkheid de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel reeds hierom af te wijzen.

Aan een inhoudelijk oordeel over de ontnemingsvordering en de overwegingen van de rechtbank hierover komt het hof derhalve om bovenvermelde reden niet toe.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook de uitspraak in de zaak van de medeverdachte:

Print Friendly and PDF ^

Directeur meubelketen veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf wegens het zich meermalen, gedurende lange periodes, schuldig maken aan belastingfraude en valsheid in geschrift

Gerechtshof Arnhem 9 november 2012, LJN BY3187 (gepubliceerd op 14 november 2012) Verdachte heeft zich meermalen, gedurende lange periodes, schuldig gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift. Het hof rekent de verdachte aan dat hij geen enkele intentie heeft gehad om ofwel belastingaangifte te doen ofwel om op een juiste wijze aangifte te doen. Verdachte heeft zijn eigen financiële gewin laten prevaleren en daardoor de fiscus fors (voor meer dan een miljoen euro) benadeeld. Daarnaast werkt het niet afdragen van omzetbelasting concurrentievervalsend naar bedrijven die zich wel aan hun fiscale verplichtingen houden.

Het door verdachte veroorzaakte nadeel voor de omzetbelasting in de periode januari 2007 tot en met juni 2010 wordt door de Belastingdienst berekend op € 2.256.376. Door niet afgedragen bedragen voor de loonheffing is een nadeel berekend van € 2.611.500.

Daarnaast is vastgesteld dat verdachte en zijn partner (en medeverdachte), buiten de aan hen betaalde salarisbetalingen, vanaf het persoonlijke faillissement van verdachte op 15 juni 2006 tot en met juli 2010 ten minste € 1.421.676,30 hebben onttrokken aan de diverse BV’s binnen de meubelketen.

Verdachte heeft verschillende BV’s met veel schulden overdragen aan personeelsleden of aan bekenden van hem die hij liet optreden als bestuurder van die vennootschap. Een aantal van deze betrokkenen wordt thans geconfronteerd met financiële problemen vanwege omvangrijke vorderingen die de fiscus tegen hen instelde. Verdachte zelf heeft met zijn handelwijze nadrukkelijk geprobeerd uit het zicht van de fiscus te blijven.

Verdachte heeft zich tevens meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming.

Bij de straftoemeting zoekt het hof aansluiting bij de oriëntatiepunten in fraudezaken van het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken waarbij het benadelingsbedrag als uitgangspunt wordt genomen. Voor een benadeling van meer dan een miljoen euro geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden als oriëntatiepunt. De omstandigheden dat verdachte ook meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd en dat hij er niet voor is teruggedeinsd om door zijn handelen ook veel anderen in financiële en andere problemen te brengen werkt strafverzwarend.

In strafmatigende zin weegt mee dat blijkens het uittreksel justitiële documentatie niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten

Alles afwegende, waarbij het hof mede in aanmerking neemt de aan de medeverdachten in deze zaak opgelegde straffen, komt het hof tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden is. Het hof realiseert zich dat deze straf inhoudt dat, in tegenstelling tot wat door de verdediging is bepleit, verdachte na de schorsing uit de voorlopige hechtenis wederom detentie zal moeten ondergaan en dat dit zijn toekomstplannen zal doorkruisen. Om verdachte de tijd te geven om zich voor te bereiden op zijn detentie zal het hof niet, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen, maar de geschorste voorlopige hechtenis opheffen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontnemingsdossier niet compleet: het hof wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel reeds hierom af

Gerechtshof Amsterdam 9 november 2012, LJN BY2919 (gepubliceerd op 13 november 2012) Procesgang

Het OM heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 39.797,16.

De veroordeelde is bij strafvonnis van de rechtbank Haarlem van 9 mei 2007 veroordeeld ter zake van:

  1. het medeplegen van de in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd;
  2. het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C gegeven verbod;
  3. het deelnemen van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  4. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zoals strafbaar gesteld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 mei 2010 veroordeeld ter zake van:

  1. het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
  2. het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
  3. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  4. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

De rechtbank Haarlem heeft bij beslissing van 31 december 2010 de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Oordeel Gerechtshof

Uitgangspunt bij het toepassen van de ontnemingsmaatregel is, dat het te ontnemen voordeel daadwerkelijk en individueel moet zijn verkregen. Aannemelijk moet worden dat de veroordeelde feitelijk heeft gedeeld in de opbrengst van al dan niet door hemzelf (mede)gepleegde feiten. Of daarvan in het onderhavige geval sprake was, dient te blijken uit de stukken in het dossier. In het bijzonder zijn dan van belang de relevante verklaringen (van (mede)veroordeelde(n) en getuigen) en andere redengevende bewijsmiddelen (tapgegevens) die zijn gebezigd ter onderbouwing van het te ontnemen bedrag. Deze stukken dienen zich in het ontnemingsdossier te bevinden teneinde de rechter tot controle en toetsing in staat te stellen.

Het hof stelt vast dat bedoelde stukken, anders dan in samengevatte vorm, zich niet in het voorliggende ontnemingsdossier bevinden. De advocaat-generaal is ter terechtzitting op het ontbreken van die stukken geattendeerd, maar heeft hierin geen aanleiding gevonden het dossier in die zin te completeren.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen andere mogelijkheid de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel reeds hierom af te wijzen.

Aan een inhoudelijk oordeel over de ontnemingsvordering en de overwegingen van de rechtbank hierover komt het hof derhalve om bovenvermelde reden niet toe.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook de zaak van medeverdachten waarin gelijkelijk is beslist:

Print Friendly and PDF ^

Ontbonden rechtspersoon, OM niet-ontvankelijk in de vervolging (ondanks dat vervolging is ingesteld voordat jegens derden kenbaar was dat de rechtspersoon is ontbonden)

Gerechtshof Amsterdam 17 oktober 2012, LJN BY2557 (gepubliceerd op 7 november 2012) Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep 

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Daartoe heeft de AG aangevoerd dat niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette (inhoudelijke) behandeling van de zaak nu de verdachte is ontbonden op 6 juli 2004 en de verdachte niet wordt vertegenwoordigd, noch wordt bijgestaan door een raadsman.

Anders dan de AG is het hof van oordeel dat gebleken is van enig rechtens te beschermen belang van de verdachte bij de voortgezette behandeling van de zaak en dat dientengevolge de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep. Het hof overweegt dat dit belang onder meer daarin is gelegen dat een veroordeling van de verdachte, ondanks het feit dat deze is ontbonden, (negatieve) gevolgen kan hebben voor zijn oud-bestuurders, bijvoorbeeld bij het aanvragen van een Verklaring Omtrent het Gedrag ten behoeve van het oprichten van een (nieuwe) vennootschap.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging 

Anders dan de AG is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt vooraleerst het navolgende vast:

  • de vervolging van de verdachte is aangevangen op 14 december 1998 met het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek;
  • blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamers van Koophandel van 30 augustus 2010 is de verdachte ontbonden op 6 juli 2004, omdat 'er geen bekende baten meer aanwezig zijn';
  • bij verstekvonnis van 25 april 2007 van de rechtbank Amsterdam is de verdachte ten aanzien van de onder 1 primair, 2 primair, 3 tweede alternatief primair en 4 primair ten laste gelegde feiten schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel;
  • namens de verdachte is op 3 mei 2007 tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld door mr. E.J.M. Rosier, advocaat te Breda, en op 16 mei 2007 heeft mr. P.J. van Hagen, eveneens advocaat te Breda, een appelschriftuur ingediend;
  • bij brief van 10 augustus 2010 deelt mr. P.J. van Hagen aan het hof mede dat hij niet (meer) optreedt als raadsman van de verdachte;
  • de advocaat-generaal heeft op 8 mei 2007 hoger beroep ingesteld; en
  • op de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2012 is namens de verdachte niemand verschenen.

Het hof overweegt dat volgens vaste jurisprudentie het recht tot strafvordering door de ontbinding van de rechtspersoon of de voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit niet aan het openbaar ministerie komt te ontvallen, indien de vervolging is ingesteld voordat jegens derden kenbaar is dat de rechtspersoon of de entiteit ontbonden is (onder meer: HR 8 maart 1994, LJN ZC9660; HR 2 oktober 2007, LJN BA5825; HR 16 november 2010, LJN BM3630).

Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat de vervolging is aangevangen op 14 december 1998 en dat de verdachte is ontbonden op 6 juli 2004. Door publicatie in het Handelsregister is de ontbinding voor derden kenbaar geworden. Hieruit volgt dat de vervolging is ingesteld voordat voor derden kenbaar was dat de verdachte is ontbonden en dat, ingevolge de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Het hof is evenwel van oordeel dat de onderhavige zaak aanleiding geeft af te wijken van hetgeen hiervoor is overwogen. De volgende omstandigheden acht het hof daartoe redengevend.

De verdachte is ruim acht jaar geleden ontbonden. Niet is gebleken dat de verdachte thans nog liquide middelen bevat. Integendeel, de reden van ontbinding van de verdachte was dat 'er geen bekende baten meer aanwezig zijn'. Voorts is niet gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze is voortgezet waardoor feitelijk van één en dezelfde vennootschap gesproken zou moeten worden.

Tevens acht het hof redengevend dat zowel op de terechtzittingen in eerste aanleg als in hoger beroep de verdachte niet is vertegenwoordigd, noch is bijgestaan door een (gemachtigd) raadsman.

Als laatste wijst het hof er op dat bij vonnis van de rechtbank Amsterdam de verdachte schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Gelet op de omstandigheden voornoemd en in onderlinge samenhang bezien, zal de (verdere) vervolging van de verdachte louter een formeel karakter dragen en niet aansluiten bij de maatschappelijke realiteit. Het hof zal het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de verdere vervolging van de verdachte.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Het Hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Gerechtshof 's-Gravenhage 26 september 2012, LJN BY2019 (gepubliceerd op 1 november 2012) Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof van 2 februari 2005 is de veroordeelde, onder meer, ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als: het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straf.

De in eerste aanleg ingediende en nadien gewijzigde vordering van het openbaar ministerie houdt blijkens het vonnis van 22 november 2010 in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 412.499,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak bewezen verklaarde feit.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 22 november 2010 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie niet tijdig, te weten niet binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep, een appelschriftuur houdende grieven heeft ingediend. Het hoger beroep is immers ingesteld op 1 december 2010, terwijl de appelmemorie blijkens de daarop gestelde inkomststempel is ingediend op 11 januari 2011.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat, hoewel de officier van justitie de appelschriftuur niet met inachtneming van de daarvoor geldende termijn heeft ingediend, het hof aan dit verzuim geen gevolg dient te verbinden nu de verdediging door dat verzuim niet in haar belangen is geschaad. In de appelschriftuur van 11 januari 2011 staat vermeld dat het B.O.O.M. het schriftelijk vonnis eerst op 11 januari 2011 heeft ontvangen, waardoor pas vanaf dat moment de motivering van de rechtbank bekend was en het dus niet eerder mogelijk was om een inhoudelijk adequate reactie te geven op het vonnis, ten gevolge waarvan de appelschriftuur niet binnen de termijn van artikel 410 Wetboek van Strafvordering is ingediend.

De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat hij niet betrokken is geweest bij het instellen van het appel, maar dat er sprake kan zijn geweest van een 'interne vertraging in de bezorging' van het vonnis, en dat het hem niet bekend is wanneer het vonnis aan het openbaar ministerie ter beschikking is gesteld.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie niet in het hoger beroep dient te worden ontvangen.

Blijkens de appelschriftuur heeft het openbaar ministerie welbewust de termijn voor indiening naast zich neergelegd met als overweging dat de in de appelschriftuur op te nemen grieven nog niet konden worden gebaseerd op kennisname van de inhoud van het schriftelijk vonnis, nu het B.O.O.M. daarover nog niet beschikte. In het onderhavige geval leidt het procesverloop in eerste aanleg, waarin partijen inhoudelijk hebben gedebatteerd met het oog op de beslissing in het mondeling uitgesproken vonnis waartegen het appel is gericht, naar het oordeel van het hof echter tot de conclusie dat aan de officier van justitie allerminst onduidelijk is geweest waarop de grieven tegen het bestreden vonnis zich zouden dienen te richten. Dat het B.O.O.M zich niet op de inhoud van het schriftelijk vonnis zou hebben kunnen baseren brengt dus niet mee dat het openbaar ministerie niet tijdig een schriftuur heeft kunnen indienen. Daarbij komt dat de veroordeelde door niet-ontvankelijkverklaring niet zonder meer een ongerechtvaardigd voordeel ten deel valt, nu immers handhaving langs fiscale weg kan worden overwogen.

Op grond van het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat het belang van het ingestelde beroep niet zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met niet-ontvankelijkverklaring wegens het verzuim.

Het hof zal het openbaar ministerie derhalve op grond van de artikelen 410 jo. 416, derde lid, Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk verklaren in het appel.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor het opzettelijk transporteren van dierlijke bijproducten (nerstenmest) naar Duitsland zonder geldige gezondheidscertificaten

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 oktober 2012, LJN BY1443 (gepubliceerd op 29 oktober 2012) Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 9 september 2010 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, al dan niet opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten (nertsen)mest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht, immers gingen twee transporten (nertsen)mest niet vergezeld van een (geldig) gezondheidscertificaat.

Uitleg tenlastelegging 'brengen naar'

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde ‘heeft gebracht’ bepleit. Daartoe is aangevoerd dat, wanneer het hof van oordeel is dat de Nederlandse verbalisanten bevoegd waren om op te treden omdat de transporten Nederland nog niet hadden verlaten, niet kan worden bewezen dat verdachte de nertsenmest naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht.

Het hof houdt het er voor dat geen sprake is geweest van stilhouden van vrachtwagens in Duitsland en dat de Nederlandse verbalisanten de vrachtauto’s op Nederlands grondgebied hebben gecontroleerd, zodat van enig onbevoegd optreden van de opsporingsambtenaren geen sprake is.

Ten aanzien van de uitleg van de term 'brengen naar' overweegt het hof dat deze term wordt gebruikt in artikel 2.8, eerste lid aanhef en onder a, van de Regeling dierlijke bijproducten 2008. In de verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn de termen ‘verzending naar’ en ‘worden verzonden’ opgenomen. Hieruit begrijpt het hof dat zowel de Europese als de nationale wetgever heeft bedoeld strafbaar te stellen het bezig zijn met het vervoeren van dierlijke bijproducten naar een andere lidstaat in strijd met de geldende voorschriften en dat niet bedoeld is dat dergelijk vervoer pas strafbaar is indien het vervoerde daadwerkelijk het grondgebied van de ontvangende lidstaat heeft bereikt.

Nu verdachte doende was met het vervoeren van de dierlijke bijproducten naar een andere lidstaat (Duitsland) is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat het tenlastegelegde ‘naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht’ wettig en overtuigend is bewezen.

Toelichting bij het gezondheidscertificaat integraal onderdeel van de (bijlage bij de) verordening

De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde ‘niet vergezeld zijn van een geldig gezondheidscertificaat’. Hiertoe is aangevoerd dat weliswaar in de toelichting bij het modelgezondheidscertificaat voor de intracommunautaire handel, dat als bijlage bij verordening (EG) 599/2004 is opgenomen, is vermeld dat het gezondheidscertificaat slechts geldig is gedurende tien dagen vanaf de controle of inspectie in de lidstaat van oorsprong, doch dat deze toelichting geen regelgeving is op basis waarvan deze eis mag worden gesteld en dat een gezondheidscertificaat derhalve niet in geldigheidsduur is beperkt. Nu de verdachte in het bezit was van de benodigde, niet in geldigheidsduur beperkte, gezondheidscertificaten, is niet bewezen dat de transporten niet vergezeld gingen van geldige gezondheidscertificaten, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dat verordening (EG) 599/2004 verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. Het modelgezondheidscertificaat, dat wordt gevolgd door de toelichting bij dit certificaat, is in de bijlage van deze verordening opgenomen. De verordening en de bijbehorende bijlage – bestaande uit het modelcertificaat en de toelichting bij dit certificaat – zijn als één geheel gepubliceerd.

Het hof is gelet daarop van oordeel dat de toelichting bij het certificaat integraal onderdeel uitmaakt van de (bijlage bij de) verordening en dat dientengevolge ook die toelichting verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. In de toelichting is opgenomen dat gezondheidscertificaten slechts 10 dagen geldig zijn vanaf de controle of inspectie in de lidstaat van oorsprong. Nu die termijn op 9 september 2010 reeds ruimschoots was verstreken, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de transporten niet vergezeld gingen van een geldig gezondheidscertificaat, zoals in de bewezenverklaring is opgenomen.

Kleurloos opzet

Ook met het verweer dat geen sprake is van opzettelijk handelen maakt het hof korte metten. In het economisch strafrecht dient de term ‘opzet’ te worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat verdachtes opzet slechts gericht behoeft te zijn op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte willens en wetens twee transporten met nertsenmest naar Duitsland heeft gebracht. Hiermee is het (kleurloos) opzet gegeven. Hieraan doet niet af dat verdachte niet zou hebben geweten dat de hiervoor benodigde gezondheidscertificaten slechts 10 dagen geldig zijn vanaf de controle of inspectie in de lidstaat van oorsprong. Van verdachte, een professionele deelnemer in het economische verkeer, en met name in het intracommunautair vervoeren van partijen mest, had ten minste mogen worden verwacht dat hij de van toepassing zijnde regelgeving kende.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 81b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Het hof veroordeelt  verdachte tot een geldboete van € 2.500,- waarvan € 1.250,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof: Tegen beslissing houdende de afwijzing van het ter terechtzitting genomen verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis staat slechts eenmaal de mogelijkheid open om hoger beroep in te stellen

Gerechtshof Arnhem 10 juni 2009, LJN BY0737 (gepubliceerd op 22 oktober 2012) Op 13 mei 2009 heeft het hof beslist op een eerder door de verdachte op de voet van art. 406 Sv ingesteld hoger beroep tegen een eerdere afwijzing door de rechtbank van een ter terechtzitting gedaan verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Daarom heeft het hof in raadkamer de vraag aan de orde gesteld of het huidige (tweede) hoger beroep van verdachte tegen een vergelijkbare beslissing ontvankelijk is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit wel het geval is, nu de tekst van het tweede lid  van art. 87 Sv herhaalde toepassing niet uitsluit. De advocaat-generaal heeft echter, met een beroep op art. 87 lid 2 Sv geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.

Het hof beoordeeld de vraag naar de ontvankelijkheid van dit herhaalde beroep in het licht van het stelsel van rechtsmiddelen tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis.

Dat stelsel kenmerkt zich daardoor dat, vanwege het ingrijpende karakter van het dwangmiddel van vrijheidsontneming, voor de verdachte enerzijds de mogelijkheid van hoger beroep is geschapen, doch dat daarbij anderzijds, vanuit een oogpunt van eisen van een vlotte en doelmatige voortgang van het vooronderzoek slechts in beperkte mate de mogelijkheid van hoger beroep is geopend. Een van de beperkingen is dat tegen onderscheidene beslissingen omtrent voorlopige hechtenis in beginsel slechts eenmaal hoger beroep openstaat.

Het hof is van oordeel dat deze afwegingen mede gelden ingeval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al wel is aangevangen doch nog niet is afgesloten. In deze fase heeft de wetgever – met doorbreking van het zogenaamde concentratiebeginsel, dat inhoudt dat van tussenuitspraken geen tussentijds hoger beroep openstaat - in een wederom beperkt aantal gevallen hoger beroep op de voet van art. 406 lid 2 Sv opengesteld tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis. De belangrijkste reden daarvoor is dat de verdachte, die wellicht in het vooronderzoek nog geen mogelijkheid heeft gehad een beslissing omtrent de toepassing van de voorlopige hechtenis aan de hoger beroepsrechter voor te leggen, deze mogelijkheid alsnog behoort te hebben nadat het onderzoek ter terechtzitting reeds is aangevangen.

Uit deze ratio van de regeling van art. 406 lid 2 Sv vloeit niet voort dat de verdachte bij herhaling van tussenbeslissingen van de zittingsrechter over de voorlopige hechtenis telkens recht op hoger beroep zou dienen te hebben.

Het hof acht op dit punt een analoge toepassing van art. 87 lid 2 Sv veeleer aangewezen. Dat oordeel brengt mee dat de verdachte slechts eenmaal de mogelijkheid heeft om van een afwijzende beslissing van een verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis hoger beroep in te stellen en dat zulks zo blijft nadat de behandeling van de strafzaak ter zitting eenmaal is aangevangen.

Het hof verklaard verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verzoek ex art. 89 en 591a Sv, gronden van billijkheid, vrijspraak, onschuldpresumptie en art. 6 EVRM

Gerechtshof Leeuwarden 17 oktober 2012, LJN BYo441 De rechtbank heeft verzoekster een vergoeding toegekend van € 540,- voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift en het meer of anders verzochte afgewezen.

Geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank voor zover daarbij een vergoeding is toegekend op grond van art. 591a Sv voor de kosten voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift.

Verzoekster voert aan dat:

  • de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding zich opnieuw heeft uitgelaten over de eventuele schuld van verzoekster aan de haar ten laste gelegde feiten. Nu verzoekster daarvan bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 10 mei 2011 is vrijgesproken, heeft de rechtbank daarmee in strijd gehandeld met de in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde onschuldpresumptie.
  • anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, er in dit geval wel gronden van billijkheid bestaan voor het toekennen van een schadevergoeding. Verzoekster heeft vanaf 23 augustus 2008 tot en met 1 oktober 2008 in voorlopige hechtenis verbleven. Zij heeft ter zake van deze ten onrechte ondergane hechtenis schade geleden. Verzoekster heeft tijdens de kritieke situatie van haar dochter niet de mogelijkheid gehad bij haar te zijn. Zij heeft door de voorlopige hechtenis kostbare tijd verloren die zij met haar dochter had kunnen doorbrengen. Verzoekster heeft gedurende de voorlopige hechtenis ook niet vrijelijk en zonder politietoezicht voor haar dochter kunnen zorgen en met artsen kunnen spreken. Dat heeft haar als moeder psychisch erg geraakt.
  • de gevolgen van de voorlopige hechtenis verstrekkend zijn. Door de voorlopige hechtenis heeft verzoekster ook een stempel opgedrukt gekregen. Mensen denken toch 'waar rook is, is vuur'. De oudste dochter van verzoekster en haar zes maanden geleden geboren zoontje zijn beiden ook uit huis gehaald. In openbare raadkamer heeft verzoekster aangevoerd dat met name dit stempel voor haar aanleiding vormt om een hogere vergoeding te verzoeken dan de forfaitaire bedragen.

Standpunt AG

De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank in de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld dat er in dit geval geen gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de gronden die zijn aangevoerd om een hogere dan een forfaitaire vergoeding toe te kennen daartoe onvoldoende zijn.

Beoordeling Hof

De onschuldpresumptie die op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM als uitgangspunt dient te worden gehanteerd, brengt mee dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek geen oordeel mag geven over de eventuele schuld van verzoekster aan de verweten feiten.

Het hof is van oordeel dat ook in een geval - zoals het onderhavige - waarin de vrijspraak is gebaseerd op de omstandigheid dat niet is vast te stellen wie van beide verdachten het door de rechtbank vastgestelde strafbare feit heeft begaan, in beginsel een schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis op haar plaats is. Immers, uit de beslissingen van de rechtbank vloeit voort, nu kennelijk ook geen bewijs is gevonden voor medeplegen, dat in ieder geval in het geval van één van beide verzoekers zou worden gehandeld in strijd met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie, wanneer op de grond, dat niet duidelijk is geworden wie van beiden het feit heeft gepleegd, geen vergoeding zou worden toegekend.

Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook wel gronden van billijkheid aanwezig om tot toekenning van schadevergoeding over te gaan.

Verzoekster voert als belangrijkste argument voor toekenning van een hoger bedrag dan de forfaitaire bedragen voor in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen aan, dat zij door deze kwestie een stempel opgedrukt heeft gekregen dat haar blijft achtervolgen. Het hof is van oordeel dat voor zover verzoekster een stempel opgedrukt heeft gekregen, dit losstaat van de voorlopige hechtenis maar onlosmakelijk is verbonden met hetgeen de rechtbank heeft overwogen, te weten dat de rechtbank het hoogst onaannemelijk acht dat een andere persoon dan de moeder of de vader de baby met kracht heen en weer heeft geschud met uiteindelijk fataal gevolg.

De omstandigheid dat de voorlopige hechtenis verzoekster heeft belemmerd in het contact met haar ernstig zieke en stervende dochtertje is niet los te zien van het gegeven, dat het ernstige strafbare feit zich heeft afgespeeld in de beslotenheid van het gezin en dat ten aanzien van de toedracht en de schuldvraag onvoldoende is duidelijk geworden.

Het hof acht daarom geen termen aanwezig om de hoogte van de als gevolg van ondergane voorlopige hechtenis geleden immateriële schade te waarderen boven de gebruikelijk hiervoor gehanteerde tarieven.

De kosten van de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep worden vergoed overeenkomstig hetgeen ter zake gebruikelijk is, en wel tot een bedrag van € 265,-.

Het verzoek tot vergoeding van de reiskosten van verzoekster in verband met de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep wordt bij gebrek aan een wettelijke grondslag afgewezen.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof spreekt verdachte gemotiveerd vrij van 19 gevallen van oplichting en valsheid in geschrifte, kritische overweging ten overvloede met betrekking tot een opgemaakt aanvullend proces-verbaal

Gerechtshof Leeuwarden 16 oktober 2012, LJN BY0298 Feiten

Aan verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij zich in een periode van 3 jaren schuldig heeft gemaakt aan 19 gevallen van oplichting, onder 2 is subsidiar verduistering  ten laste gelegd.

De vermeende oplichting bestond eruit dat er geldbedragen van een consignatierekening van de Gemeenschappelijke Kredietbank Friesland (GKB) naar een tussenrekening en vervolgens naar een interne bankrekening van een voormalige (overleden) of 'slapende' klant van de GKB werden geboekt. De geldbedragen werden vervolgens per kas contant uitbetaald. Verdachte wordt ervan verdacht voornoemde (over)boekingen te hebben verricht en de kassier van de GKB vervolgens tot uitbetaling te hebben bewogen. Hierbij zou verdachte een door hem zelf uitgedraaide kwitantie op naam van de betreffende klant hebben vervalst en aan de kassier hebben overhandigd, waarmee hij veinsde dat de klant het geld zou ontvangen. Verdachte zou het geld vervolgens in eigen zak hebben gestoken. Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten telkens stellig ontkend.

Standpunt verdediging

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte overeenkomstig de overwegingen van de rechtbank van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte bij de (over)boekingen en kasopnames betrokken is geweest.

Standpunt OM 

De AG heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde, voor zover die feiten zien op de zaken 1 t/m 18, dient te worden vrijgesproken. Wat betreft zaak 19 is er volgens de AG wel voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Oordeel Hof

Zaken 1, 5, 6, 7, 8, 11 en 12

Het hof constateert dat van de zaken 1, 5, 6, 7, 8, 11 en 12 weliswaar gebleken is dat er geldbedragen op voornoemde wijze zijn overgeboekt en contant zijn uitbetaald, maar dat niet kan worden vastgesteld dat deze bedragen niet aan de op de kwitantie staande klant zijn uitbetaald. Een daartoe strekkende verklaring of bewijs dat de betreffende klant ten tijde van de uitbetaling was overleden - zoals in andere zaken het geval was - ontbreekt. Gelet hierop kan van deze zaken niet worden bewezen dat iemand anders dan de rechthebbende zich het geld heeft toegeëigend, zodat verdachte van deze zaken van het ten laste gelegde onder 1 primair en subsidiair en 2 dient te worden vrijgesproken.

Zaken 2, 3, 4, 9, 10, 13, 14, 15, 16, 17, 18 en 19

Ten aanzien van de overige zaken, 2, 3, 4, 9, 10, 13, 14, 15, 16, 17, 18 en 19, kan wel worden vastgesteld dat iemand anders dan de rechthebbende zich de betreffende geldbedragen heeft toegeëigend, nu het dossier ofwel een daartoe strekkende verklaring van de klant van de GKB bevat, ofwel een stuk waaruit blijkt dat de op de kwitantie genoemde klant ten tijde van de uitbetaling was overleden. Van de zaken 4, 14, 15 en 17 was dit in eerste aanleg nog niet bekend. De verklaringen van die klanten zijn pas na het vonnis van de rechtbank bij aanvullend proces-verbaal aan het dossier toegevoegd.

Van voornoemde zaken is gebleken dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen op voornoemde wijze naar de persoonlijke rekening van de klant zijn geboekt en vervolgens per kas contant zijn uitbetaald. De vraag die in deze zaken vervolgens beantwoord moet worden is of vastgesteld kan worden dat verdachte deze handelingen heeft verricht en zich het geld (wederrechtelijk) heeft toegeëigend.

Evenals de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag ontkennend.

  • Gesteld is dat verdachte de enige werknemer was die ten tijde van alle transacties waar de tenlastelegging op ziet, aanwezig was op de afdeling van het kantoor van de GKB waar de (over)boekingen werden verricht. In samenhang met het feit dat verdachte het wachtwoord kende behorend bij de naam/code 'admini', waaronder veel van de ten laste gelegde (over)boekingen zijn verricht, zou dit betekenen dat verdachte de enige was die de (over)boekingen kon hebben verricht. Om deze stelling te ondersteunen bevat het dossier een overzicht en uitdraai van het pasaanwezigheidssysteem van het kantoor van de GKB, waar de aanwezigheid van verdachte op verschillende data en tijdstippen in dat kantoor uit zou blijken.
  • Het hof is met de rechtbank en de raadsman van oordeel dat het passysteem onvoldoende sluitend is om de aanwezigheid van verdachte op een bepaalde datum, tijdstip en plek te kunnen vaststellen. Uit het dossier blijkt dat het mogelijk was om een afdeling te betreden door met iemand mee te lopen, zonder de eigen pas aan te bieden. Ook bleven tussendeuren soms openstaan. Daarnaast is gebleken dat verdachte over meerdere passen beschikte, die hij naar eigen zeggen soms uitleende. Het uitlenen van de pas is in het onderzoek niet betrokken. Ten slotte heeft de raadsman er terecht op gewezen dat uit de uitdraai van het passysteem blijkt dat er ook reservepassen in omloop waren, waarbij niet duidelijk is aan welke personen deze passen waren uitgeleend en of die onduidelijkheid is meegenomen in het onderzoek naar de aanwezigheid van medewerkers ten tijde van de (over)boekingen en kasopnames.
  • Voorts kan niet worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van het bij de naam/code 'admini' behorende wachtwoord, dat kennelijk nodig was om de betreffende (over)boekingen te kunnen doen. Aangever heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd. Verdachte heeft steeds ontkend dat hij het wachtwoord kende. Hij had het wachtwoord niet nodig voor zijn werkzaamheden en bovendien veranderde het wachtwoord volgens verdachte regelmatig. Daarnaast wijst het hof erop dat er in de ten laste gelegde zaken (over)boekingen zijn verricht onder andere namen/codes dan 'admini'. Het dossier houdt niets in waaruit blijkt dat verdachte (ook) de bij die namen/codes behorende wachtwoorden zou (kunnen) kennen. De door getuigen geopperde mogelijkheid dat verdachte deze boekingen van achter de (personal) computer en (dus) op naam van de betreffende medewerker heeft verricht, is voorts ook niet gebleken.
  • Ten aanzien van de valselijk opgemaakte kwitanties zij opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt wie en waar (op welke computer) deze kwitanties heeft/zijn uitgeprint. Dat verdachte hierbij betrokken is geweest, is (derhalve) in het geheel niet gebleken.

Behalve met betrekking tot de hierna te bespreken zaak 19, is er geen bewijs dat het geld in de verschillende gevallen door de kassier aan verdachte werd uitbetaald. Getuigen 1 en 3 hebben weliswaar verklaard dat verdachte hen meermalen heeft gevraagd hem contant geld te geven, maar zij hebben dat niet nader gespecificeerd naar datum, begunstigde of bedrag. Hierbij bevreemdt het het hof dat ten aanzien van zaak 19 door getuigen is verklaard dat dit geval opviel vanwege het hoge bedrag (€ 750,-) dat werd uitbetaald, terwijl er kort vóór die datum ook dergelijke of zelfs hogere bedragen zijn uitgekeerd.

Het hof aldus van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de ten laste gelegde (over)boekingen en kasopnames.

Zaak 19

Ten aanzien van zaak 19, die betrekking heeft op de kasopname van 8 juli 2008, heeft de AG aangevoerd dat er voor die zaak (wel) voldoende wettig bewijs is dat verdachte de ten laste gelegde oplichting en valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Dit bewijs wordt met name gevormd door de belastende verklaringen van getuige 1 en 2. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank en de raadsman hieromtrent hebben overwogen, acht de AG deze getuigenverklaringen betrouwbaar.

Het hof volgt de AG hierin niet:

Kort na het constateren van de fraude heeft de GKB een intern onderzoek gestart. Op grond van de bevindingen uit dit onderzoek werd verdachte al snel als dader aangewezen. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat, nadat er een aantal aanwijzingen aan het licht gekomen was dat verdachte verantwoordelijk zou kunnen zijn voor de fraude, dit onderzoek en het daarop volgende onderzoek door een extern bureau slechts hebben bestaan uit het zoeken naar bevestiging van dat vermoeden. Van het (onder)zoeken van andere mogelijke verdachten en scenario's is geen sprake geweest. De belastende verklaringen van getuige 1 en 2 zijn na het interne onderzoek door henzelf op schrift gesteld. Overeenkomstig deze verklaringen, hebben de getuigen in een later stadium een verklaring tegenover verbalisant afgelegd. De schriftelijke verklaringen zijn bij de betreffende processen-verbaal van verhoor gevoegd. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank gezien het voorgaande terecht haar twijfels geuit over de onbevangenheid waar het de verklaringen van deze getuigen betreft. Het hof zal deze verklaringen daarom niet voor het bewijs gebruiken.

Ook het onderzoek dat naderhand door de politie is uitgevoerd, lijkt zich slechts op verdachte te hebben gericht.

Verdachte zal dan ook van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Overweging ten overvloede met betrekking tot een opgemaakt aanvullend proces-verbaal

Ten overvloede overweegt het hof dat behalve de verhoren van verdachte en het opnemen van de aangifte, het politieonderzoek uitsluitend door verbalisant is verricht. Verbalisant is ook de verbalisant die na het vonnis van de rechtbank een aanvullend proces-verbaal (gedateerd 10 maart 2011) heeft opgemaakt.

Hetgeen verbalisant in dit aanvullende proces-verbaal heeft gerelateerd, heeft het hof ten minste verrast. Het hof kan dan ook begrip opbrengen voor de opmerking van de raadsman dat dit proces-verbaal getuigt van stemmingmakerij als ook voor de kwalificatie 'onprofessioneel' die de AG ter terechtzitting van het hof van 11 mei 2012 aan het proces-verbaal heeft gegeven.

Het hof stelt in dit kader voorop dat in het Nederlandse strafproces een belangrijk accent ligt op het voorbereidend onderzoek en de schriftelijke verslaglegging gedurende dit onderzoek. Deelnemers aan een strafproces, alsook de rest van de samenleving, moeten er op kunnen vertrouwen dat processen-verbaal nauwgezet en naar waarheid zijn opgemaakt. Aan ambtsedige processen-verbaal kent de wet bovendien bijzondere bewijskracht toe, waarvan de invloed op de afdoening van strafzaken beslissend kan zijn. De inhoud van een proces-verbaal dient daarom steeds zo zakelijk en neutraal mogelijk te zijn en vrij van persoonlijke opvattingen van de verbalisant die het proces-verbaal opmaakt, zoals bijvoorbeeld in casu over de inhoud van het door de rechtbank gewezen vonnis.

In de onderhavige zaak kan het hof niet uitgaan van de bijzondere betekenis die een proces-verbaal normaliter heeft, nu het aanvullende proces-verbaal van verbalisant doorspekt is van persoonlijke conclusies en dubbelzinnige verwijzingen naar het privéleven van de verdachte.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Controle o.b.v. art. 1:26 Algemene Douanewet, geen opsporing. Geen inbreuk op aan verdachte toekomende rechten. OM ontvankelijk.

Gerechtshof Leeuwarden 16 oktober 2012, LJN BY0294 Verdachte heeft samen met anderen ongeveer 10.000 kg hasjiesj per schip van Marokko naar Nederland gesmokkeld. Deze hasjiesj is op de Noordzee overgeladen op drie vaartuigen, voor verder transport vanaf het moederschip naar havenplaatsen in Nederland. Verdachte is degene geweest die iemand heeft benaderd om een moederschip te zoeken. Verdachte heeft de aankoop van dit schip ook gefinancierd.

Daarnaast heeft verdachte de bemanningsleden van het moederschip geregeld, met hen gesproken over het doel van de reis en heeft hij aan hen de coördinaten van de ontmoetingsplek voor de kust van Marokko doorgegeven. Voorts is verdachte in zijn auto met een medeverdachte naar Spanje en Portugal gereden om deze medeverdachte reparaties aan het moederschip te laten uitvoeren.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren omdat er sprake is van onrechtmatige opsporing.

De doorzoeking van vaartuig 3 heeft plaatsgevonden op grond van de controlebevoegdheid van art. 1:26 Algemene Douanewet, terwijl er in feite sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in art. 27 Sv, zodat de doorzoeking slechts had mogen plaatsvinden met de toepasselijke strafvorderlijke waarborgen. Door niet op te treden op basis van de in art. 9 Opiumwet bedoelde bevoegdheid, maar op grond van art. 1:26 Algemene Douanewet is er sprake van misbruik van een controlebevoegdheid.

Deze gang van zaken levert een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, welk verzuim niet meer kan worden hersteld, nu de onrechtmatige doorzoeking op vaartuig 3 heeft geleid tot de latere, voor het bewijs cruciale vondst van de hasjiesj in vaartuig 1. De voorkennis of wetenschap die de verbalisanten hadden over de mogelijkheid dat dergelijke schepen verdovende middelen zouden kunnen bevatten was een cruciale factor om de verdenking op vaartuig 1 te vestigen en tot nadere controle over te gaan. Ook bij de controle opvaartuig 1 zijn de strafprocessuele waarborgen niet in acht genomen.

De raadsman verzoekt subsidiair om bewijsuitsluiting.

Standpunt advocaat-generaal 

De AG heeft betoogd dat het verzoek moet worden afgewezen en de verweren moeten worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is geweest van een rechtmatige controle op grond van art. 1:26 van de Algemene douanewet.

Ondanks de aandachtsvestiging op vaartuig 3 bestond aan de kant van het KLPD opsporingstechnisch geen belangstelling voor het schip. Er was geen redelijk vermoeden van schuld. Daarnaast is er geen ernstige inbreuk geweest op de belangen van de verdachte.

Beoordeling Hof

Niet-ontvankelijkheid OM

Het hof herhaalt allereerst de jurisprudentie van de HR en het EHRM.

Om te beoordelen of de verdachte in zijn belangen is geschaad of dat er sprake is van een overtreden norm die de eerlijkheid van het proces in zijn geheel aantast, stelt het hof allereerst de gang van zaken met betrekking tot de controle van vaartuig 3 vast.

Naar het oordeel van het hof kan uit het pv van bevindingen niet worden afgeleid dat bij de betreffende opsporingsambtenaren sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv. De omstandigheid dat eerder sprake is geweest van een aandachtsvestiging op vaartuig 3, leidt er niet toe dat, toen het KLPD en de Nationale recherche opsporingstechnisch geen belangstelling meer bleken te hebben voor dit schip, geen gebruik gemaakt kon worden van de controlebevoegdheid ingevolge art. 1:26 van de Douanewet.

Uit verklaringen, gelezen in samenhang met het pv van bevindingen, begrijpt het hof dat weliswaar sprake was van bepaalde aanwijzingen die mede hebben geleid tot het uitvoeren van een controle, maar niet dat er concrete aanwijzingen waren voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof acht niet gebleken dat de betrokken opsporingsambtenaren op enigerlei wijze misbruik hebben gemaakt van hun controlebevoegdheden.

Controle

Vervolgens stelt het hof de gang van zaken met betrekking tot de controle van vaartuig 1 vast.

Hieruit volgt, aldus het hof, dat bij de douaneambtenaren op het moment dat zij vaartuig 1 zagen geen verdenking in strafvorderlijke zin bestond. Zij hebben op grond van de door hen genoemde omstandigheden een controle uitgevoerd. Pas toen tijdens de controle bleek dat er daadwerkelijk verdovende middelen aan boord van vaartuig 1 waren, is er een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet ontstaan.

Het hof oordeelt dat niet valt in te zien waarom de douaneambtenaren (zowel op vaartuig 3 als op vaartuig 1) niet mochten controleren op grond van art. 1: 26 Algemene Douanewet. Die controles hebben niet geleid tot inbreuk op aan verdachte toekomende rechten. Evenmin is sprake van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Er zijn geen fundamentele beginselen van behoorlijke procesorde geschonden waardoor het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt. Niet is gebleken dat anderszins sprake is van een situatie waarin niet langer van een eerlijk proces jegens verdachte kan worden gesproken.

Voor zover de raadsman klaagt dat bij de controle van vaartuig 3 en later de controle vanvaartuig 1 de strafvorderlijke voorschriften niet in acht zouden zijn genomen, overweegt het hof dat - zo dit het geval zou zijn - verdachte door een dergelijk verzuim niet is geschonden in de belangen welke de overtreden norm - te weten de belangen van de opvarenden van vaartuig 3 resp. vaartuig 1 - beoogt te beschermen. Er is derhalve geen sprake van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Nu het hof de stelling van de raadsman dat sprake is van een ernstige schending van een fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, die het wettelijk systeem in de kern raakt, heeft verworpen, behoeven de overige door de raadsman hieromtrent aangevoerde verweren volgens het hof geen bespreking meer.

Het hof oordeelt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en geen aanleiding bestaat om tot bewijsuitsluiting te komen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof sluit zich aan bij de door de rechtbank in haar vonnis geschetste feitelijke gang van zaken en komt tot het oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging die hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, aanwezig gehad en vervoerd.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^