Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Het Hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Gerechtshof 's-Gravenhage 26 september 2012, LJN BY2019 (gepubliceerd op 1 november 2012) Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof van 2 februari 2005 is de veroordeelde, onder meer, ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als: het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straf.

De in eerste aanleg ingediende en nadien gewijzigde vordering van het openbaar ministerie houdt blijkens het vonnis van 22 november 2010 in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 412.499,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak bewezen verklaarde feit.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 22 november 2010 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie niet tijdig, te weten niet binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep, een appelschriftuur houdende grieven heeft ingediend. Het hoger beroep is immers ingesteld op 1 december 2010, terwijl de appelmemorie blijkens de daarop gestelde inkomststempel is ingediend op 11 januari 2011.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat, hoewel de officier van justitie de appelschriftuur niet met inachtneming van de daarvoor geldende termijn heeft ingediend, het hof aan dit verzuim geen gevolg dient te verbinden nu de verdediging door dat verzuim niet in haar belangen is geschaad. In de appelschriftuur van 11 januari 2011 staat vermeld dat het B.O.O.M. het schriftelijk vonnis eerst op 11 januari 2011 heeft ontvangen, waardoor pas vanaf dat moment de motivering van de rechtbank bekend was en het dus niet eerder mogelijk was om een inhoudelijk adequate reactie te geven op het vonnis, ten gevolge waarvan de appelschriftuur niet binnen de termijn van artikel 410 Wetboek van Strafvordering is ingediend.

De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat hij niet betrokken is geweest bij het instellen van het appel, maar dat er sprake kan zijn geweest van een 'interne vertraging in de bezorging' van het vonnis, en dat het hem niet bekend is wanneer het vonnis aan het openbaar ministerie ter beschikking is gesteld.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie niet in het hoger beroep dient te worden ontvangen.

Blijkens de appelschriftuur heeft het openbaar ministerie welbewust de termijn voor indiening naast zich neergelegd met als overweging dat de in de appelschriftuur op te nemen grieven nog niet konden worden gebaseerd op kennisname van de inhoud van het schriftelijk vonnis, nu het B.O.O.M. daarover nog niet beschikte. In het onderhavige geval leidt het procesverloop in eerste aanleg, waarin partijen inhoudelijk hebben gedebatteerd met het oog op de beslissing in het mondeling uitgesproken vonnis waartegen het appel is gericht, naar het oordeel van het hof echter tot de conclusie dat aan de officier van justitie allerminst onduidelijk is geweest waarop de grieven tegen het bestreden vonnis zich zouden dienen te richten. Dat het B.O.O.M zich niet op de inhoud van het schriftelijk vonnis zou hebben kunnen baseren brengt dus niet mee dat het openbaar ministerie niet tijdig een schriftuur heeft kunnen indienen. Daarbij komt dat de veroordeelde door niet-ontvankelijkverklaring niet zonder meer een ongerechtvaardigd voordeel ten deel valt, nu immers handhaving langs fiscale weg kan worden overwogen.

Op grond van het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat het belang van het ingestelde beroep niet zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met niet-ontvankelijkverklaring wegens het verzuim.

Het hof zal het openbaar ministerie derhalve op grond van de artikelen 410 jo. 416, derde lid, Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk verklaren in het appel.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF