Ontbonden rechtspersoon, OM niet-ontvankelijk in de vervolging (ondanks dat vervolging is ingesteld voordat jegens derden kenbaar was dat de rechtspersoon is ontbonden)

Gerechtshof Amsterdam 17 oktober 2012, LJN BY2557 (gepubliceerd op 7 november 2012) Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep 

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Daartoe heeft de AG aangevoerd dat niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette (inhoudelijke) behandeling van de zaak nu de verdachte is ontbonden op 6 juli 2004 en de verdachte niet wordt vertegenwoordigd, noch wordt bijgestaan door een raadsman.

Anders dan de AG is het hof van oordeel dat gebleken is van enig rechtens te beschermen belang van de verdachte bij de voortgezette behandeling van de zaak en dat dientengevolge de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep. Het hof overweegt dat dit belang onder meer daarin is gelegen dat een veroordeling van de verdachte, ondanks het feit dat deze is ontbonden, (negatieve) gevolgen kan hebben voor zijn oud-bestuurders, bijvoorbeeld bij het aanvragen van een Verklaring Omtrent het Gedrag ten behoeve van het oprichten van een (nieuwe) vennootschap.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging 

Anders dan de AG is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt vooraleerst het navolgende vast:

  • de vervolging van de verdachte is aangevangen op 14 december 1998 met het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek;
  • blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamers van Koophandel van 30 augustus 2010 is de verdachte ontbonden op 6 juli 2004, omdat 'er geen bekende baten meer aanwezig zijn';
  • bij verstekvonnis van 25 april 2007 van de rechtbank Amsterdam is de verdachte ten aanzien van de onder 1 primair, 2 primair, 3 tweede alternatief primair en 4 primair ten laste gelegde feiten schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel;
  • namens de verdachte is op 3 mei 2007 tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld door mr. E.J.M. Rosier, advocaat te Breda, en op 16 mei 2007 heeft mr. P.J. van Hagen, eveneens advocaat te Breda, een appelschriftuur ingediend;
  • bij brief van 10 augustus 2010 deelt mr. P.J. van Hagen aan het hof mede dat hij niet (meer) optreedt als raadsman van de verdachte;
  • de advocaat-generaal heeft op 8 mei 2007 hoger beroep ingesteld; en
  • op de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2012 is namens de verdachte niemand verschenen.

Het hof overweegt dat volgens vaste jurisprudentie het recht tot strafvordering door de ontbinding van de rechtspersoon of de voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit niet aan het openbaar ministerie komt te ontvallen, indien de vervolging is ingesteld voordat jegens derden kenbaar is dat de rechtspersoon of de entiteit ontbonden is (onder meer: HR 8 maart 1994, LJN ZC9660; HR 2 oktober 2007, LJN BA5825; HR 16 november 2010, LJN BM3630).

Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat de vervolging is aangevangen op 14 december 1998 en dat de verdachte is ontbonden op 6 juli 2004. Door publicatie in het Handelsregister is de ontbinding voor derden kenbaar geworden. Hieruit volgt dat de vervolging is ingesteld voordat voor derden kenbaar was dat de verdachte is ontbonden en dat, ingevolge de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Het hof is evenwel van oordeel dat de onderhavige zaak aanleiding geeft af te wijken van hetgeen hiervoor is overwogen. De volgende omstandigheden acht het hof daartoe redengevend.

De verdachte is ruim acht jaar geleden ontbonden. Niet is gebleken dat de verdachte thans nog liquide middelen bevat. Integendeel, de reden van ontbinding van de verdachte was dat 'er geen bekende baten meer aanwezig zijn'. Voorts is niet gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze is voortgezet waardoor feitelijk van één en dezelfde vennootschap gesproken zou moeten worden.

Tevens acht het hof redengevend dat zowel op de terechtzittingen in eerste aanleg als in hoger beroep de verdachte niet is vertegenwoordigd, noch is bijgestaan door een (gemachtigd) raadsman.

Als laatste wijst het hof er op dat bij vonnis van de rechtbank Amsterdam de verdachte schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Gelet op de omstandigheden voornoemd en in onderlinge samenhang bezien, zal de (verdere) vervolging van de verdachte louter een formeel karakter dragen en niet aansluiten bij de maatschappelijke realiteit. Het hof zal het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de verdere vervolging van de verdachte.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF