Verzoek ex art. 89 en 591a Sv, gronden van billijkheid, vrijspraak, onschuldpresumptie en art. 6 EVRM

Gerechtshof Leeuwarden 17 oktober 2012, LJN BYo441 De rechtbank heeft verzoekster een vergoeding toegekend van € 540,- voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift en het meer of anders verzochte afgewezen.

Geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank voor zover daarbij een vergoeding is toegekend op grond van art. 591a Sv voor de kosten voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift.

Verzoekster voert aan dat:

  • de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding zich opnieuw heeft uitgelaten over de eventuele schuld van verzoekster aan de haar ten laste gelegde feiten. Nu verzoekster daarvan bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 10 mei 2011 is vrijgesproken, heeft de rechtbank daarmee in strijd gehandeld met de in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde onschuldpresumptie.
  • anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, er in dit geval wel gronden van billijkheid bestaan voor het toekennen van een schadevergoeding. Verzoekster heeft vanaf 23 augustus 2008 tot en met 1 oktober 2008 in voorlopige hechtenis verbleven. Zij heeft ter zake van deze ten onrechte ondergane hechtenis schade geleden. Verzoekster heeft tijdens de kritieke situatie van haar dochter niet de mogelijkheid gehad bij haar te zijn. Zij heeft door de voorlopige hechtenis kostbare tijd verloren die zij met haar dochter had kunnen doorbrengen. Verzoekster heeft gedurende de voorlopige hechtenis ook niet vrijelijk en zonder politietoezicht voor haar dochter kunnen zorgen en met artsen kunnen spreken. Dat heeft haar als moeder psychisch erg geraakt.
  • de gevolgen van de voorlopige hechtenis verstrekkend zijn. Door de voorlopige hechtenis heeft verzoekster ook een stempel opgedrukt gekregen. Mensen denken toch 'waar rook is, is vuur'. De oudste dochter van verzoekster en haar zes maanden geleden geboren zoontje zijn beiden ook uit huis gehaald. In openbare raadkamer heeft verzoekster aangevoerd dat met name dit stempel voor haar aanleiding vormt om een hogere vergoeding te verzoeken dan de forfaitaire bedragen.

Standpunt AG

De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank in de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld dat er in dit geval geen gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de gronden die zijn aangevoerd om een hogere dan een forfaitaire vergoeding toe te kennen daartoe onvoldoende zijn.

Beoordeling Hof

De onschuldpresumptie die op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM als uitgangspunt dient te worden gehanteerd, brengt mee dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek geen oordeel mag geven over de eventuele schuld van verzoekster aan de verweten feiten.

Het hof is van oordeel dat ook in een geval - zoals het onderhavige - waarin de vrijspraak is gebaseerd op de omstandigheid dat niet is vast te stellen wie van beide verdachten het door de rechtbank vastgestelde strafbare feit heeft begaan, in beginsel een schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis op haar plaats is. Immers, uit de beslissingen van de rechtbank vloeit voort, nu kennelijk ook geen bewijs is gevonden voor medeplegen, dat in ieder geval in het geval van één van beide verzoekers zou worden gehandeld in strijd met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie, wanneer op de grond, dat niet duidelijk is geworden wie van beiden het feit heeft gepleegd, geen vergoeding zou worden toegekend.

Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook wel gronden van billijkheid aanwezig om tot toekenning van schadevergoeding over te gaan.

Verzoekster voert als belangrijkste argument voor toekenning van een hoger bedrag dan de forfaitaire bedragen voor in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen aan, dat zij door deze kwestie een stempel opgedrukt heeft gekregen dat haar blijft achtervolgen. Het hof is van oordeel dat voor zover verzoekster een stempel opgedrukt heeft gekregen, dit losstaat van de voorlopige hechtenis maar onlosmakelijk is verbonden met hetgeen de rechtbank heeft overwogen, te weten dat de rechtbank het hoogst onaannemelijk acht dat een andere persoon dan de moeder of de vader de baby met kracht heen en weer heeft geschud met uiteindelijk fataal gevolg.

De omstandigheid dat de voorlopige hechtenis verzoekster heeft belemmerd in het contact met haar ernstig zieke en stervende dochtertje is niet los te zien van het gegeven, dat het ernstige strafbare feit zich heeft afgespeeld in de beslotenheid van het gezin en dat ten aanzien van de toedracht en de schuldvraag onvoldoende is duidelijk geworden.

Het hof acht daarom geen termen aanwezig om de hoogte van de als gevolg van ondergane voorlopige hechtenis geleden immateriële schade te waarderen boven de gebruikelijk hiervoor gehanteerde tarieven.

De kosten van de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep worden vergoed overeenkomstig hetgeen ter zake gebruikelijk is, en wel tot een bedrag van € 265,-.

Het verzoek tot vergoeding van de reiskosten van verzoekster in verband met de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep wordt bij gebrek aan een wettelijke grondslag afgewezen.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF