Controle o.b.v. art. 1:26 Algemene Douanewet, geen opsporing. Geen inbreuk op aan verdachte toekomende rechten. OM ontvankelijk.

Gerechtshof Leeuwarden 16 oktober 2012, LJN BY0294 Verdachte heeft samen met anderen ongeveer 10.000 kg hasjiesj per schip van Marokko naar Nederland gesmokkeld. Deze hasjiesj is op de Noordzee overgeladen op drie vaartuigen, voor verder transport vanaf het moederschip naar havenplaatsen in Nederland. Verdachte is degene geweest die iemand heeft benaderd om een moederschip te zoeken. Verdachte heeft de aankoop van dit schip ook gefinancierd.

Daarnaast heeft verdachte de bemanningsleden van het moederschip geregeld, met hen gesproken over het doel van de reis en heeft hij aan hen de coördinaten van de ontmoetingsplek voor de kust van Marokko doorgegeven. Voorts is verdachte in zijn auto met een medeverdachte naar Spanje en Portugal gereden om deze medeverdachte reparaties aan het moederschip te laten uitvoeren.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren omdat er sprake is van onrechtmatige opsporing.

De doorzoeking van vaartuig 3 heeft plaatsgevonden op grond van de controlebevoegdheid van art. 1:26 Algemene Douanewet, terwijl er in feite sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in art. 27 Sv, zodat de doorzoeking slechts had mogen plaatsvinden met de toepasselijke strafvorderlijke waarborgen. Door niet op te treden op basis van de in art. 9 Opiumwet bedoelde bevoegdheid, maar op grond van art. 1:26 Algemene Douanewet is er sprake van misbruik van een controlebevoegdheid.

Deze gang van zaken levert een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, welk verzuim niet meer kan worden hersteld, nu de onrechtmatige doorzoeking op vaartuig 3 heeft geleid tot de latere, voor het bewijs cruciale vondst van de hasjiesj in vaartuig 1. De voorkennis of wetenschap die de verbalisanten hadden over de mogelijkheid dat dergelijke schepen verdovende middelen zouden kunnen bevatten was een cruciale factor om de verdenking op vaartuig 1 te vestigen en tot nadere controle over te gaan. Ook bij de controle opvaartuig 1 zijn de strafprocessuele waarborgen niet in acht genomen.

De raadsman verzoekt subsidiair om bewijsuitsluiting.

Standpunt advocaat-generaal 

De AG heeft betoogd dat het verzoek moet worden afgewezen en de verweren moeten worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is geweest van een rechtmatige controle op grond van art. 1:26 van de Algemene douanewet.

Ondanks de aandachtsvestiging op vaartuig 3 bestond aan de kant van het KLPD opsporingstechnisch geen belangstelling voor het schip. Er was geen redelijk vermoeden van schuld. Daarnaast is er geen ernstige inbreuk geweest op de belangen van de verdachte.

Beoordeling Hof

Niet-ontvankelijkheid OM

Het hof herhaalt allereerst de jurisprudentie van de HR en het EHRM.

Om te beoordelen of de verdachte in zijn belangen is geschaad of dat er sprake is van een overtreden norm die de eerlijkheid van het proces in zijn geheel aantast, stelt het hof allereerst de gang van zaken met betrekking tot de controle van vaartuig 3 vast.

Naar het oordeel van het hof kan uit het pv van bevindingen niet worden afgeleid dat bij de betreffende opsporingsambtenaren sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv. De omstandigheid dat eerder sprake is geweest van een aandachtsvestiging op vaartuig 3, leidt er niet toe dat, toen het KLPD en de Nationale recherche opsporingstechnisch geen belangstelling meer bleken te hebben voor dit schip, geen gebruik gemaakt kon worden van de controlebevoegdheid ingevolge art. 1:26 van de Douanewet.

Uit verklaringen, gelezen in samenhang met het pv van bevindingen, begrijpt het hof dat weliswaar sprake was van bepaalde aanwijzingen die mede hebben geleid tot het uitvoeren van een controle, maar niet dat er concrete aanwijzingen waren voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof acht niet gebleken dat de betrokken opsporingsambtenaren op enigerlei wijze misbruik hebben gemaakt van hun controlebevoegdheden.

Controle

Vervolgens stelt het hof de gang van zaken met betrekking tot de controle van vaartuig 1 vast.

Hieruit volgt, aldus het hof, dat bij de douaneambtenaren op het moment dat zij vaartuig 1 zagen geen verdenking in strafvorderlijke zin bestond. Zij hebben op grond van de door hen genoemde omstandigheden een controle uitgevoerd. Pas toen tijdens de controle bleek dat er daadwerkelijk verdovende middelen aan boord van vaartuig 1 waren, is er een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet ontstaan.

Het hof oordeelt dat niet valt in te zien waarom de douaneambtenaren (zowel op vaartuig 3 als op vaartuig 1) niet mochten controleren op grond van art. 1: 26 Algemene Douanewet. Die controles hebben niet geleid tot inbreuk op aan verdachte toekomende rechten. Evenmin is sprake van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Er zijn geen fundamentele beginselen van behoorlijke procesorde geschonden waardoor het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt. Niet is gebleken dat anderszins sprake is van een situatie waarin niet langer van een eerlijk proces jegens verdachte kan worden gesproken.

Voor zover de raadsman klaagt dat bij de controle van vaartuig 3 en later de controle vanvaartuig 1 de strafvorderlijke voorschriften niet in acht zouden zijn genomen, overweegt het hof dat - zo dit het geval zou zijn - verdachte door een dergelijk verzuim niet is geschonden in de belangen welke de overtreden norm - te weten de belangen van de opvarenden van vaartuig 3 resp. vaartuig 1 - beoogt te beschermen. Er is derhalve geen sprake van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Nu het hof de stelling van de raadsman dat sprake is van een ernstige schending van een fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, die het wettelijk systeem in de kern raakt, heeft verworpen, behoeven de overige door de raadsman hieromtrent aangevoerde verweren volgens het hof geen bespreking meer.

Het hof oordeelt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en geen aanleiding bestaat om tot bewijsuitsluiting te komen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof sluit zich aan bij de door de rechtbank in haar vonnis geschetste feitelijke gang van zaken en komt tot het oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging die hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, aanwezig gehad en vervoerd.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF