Hof: Tegen beslissing houdende de afwijzing van het ter terechtzitting genomen verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis staat slechts eenmaal de mogelijkheid open om hoger beroep in te stellen

Gerechtshof Arnhem 10 juni 2009, LJN BY0737 (gepubliceerd op 22 oktober 2012) Op 13 mei 2009 heeft het hof beslist op een eerder door de verdachte op de voet van art. 406 Sv ingesteld hoger beroep tegen een eerdere afwijzing door de rechtbank van een ter terechtzitting gedaan verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Daarom heeft het hof in raadkamer de vraag aan de orde gesteld of het huidige (tweede) hoger beroep van verdachte tegen een vergelijkbare beslissing ontvankelijk is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit wel het geval is, nu de tekst van het tweede lid  van art. 87 Sv herhaalde toepassing niet uitsluit. De advocaat-generaal heeft echter, met een beroep op art. 87 lid 2 Sv geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.

Het hof beoordeeld de vraag naar de ontvankelijkheid van dit herhaalde beroep in het licht van het stelsel van rechtsmiddelen tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis.

Dat stelsel kenmerkt zich daardoor dat, vanwege het ingrijpende karakter van het dwangmiddel van vrijheidsontneming, voor de verdachte enerzijds de mogelijkheid van hoger beroep is geschapen, doch dat daarbij anderzijds, vanuit een oogpunt van eisen van een vlotte en doelmatige voortgang van het vooronderzoek slechts in beperkte mate de mogelijkheid van hoger beroep is geopend. Een van de beperkingen is dat tegen onderscheidene beslissingen omtrent voorlopige hechtenis in beginsel slechts eenmaal hoger beroep openstaat.

Het hof is van oordeel dat deze afwegingen mede gelden ingeval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al wel is aangevangen doch nog niet is afgesloten. In deze fase heeft de wetgever – met doorbreking van het zogenaamde concentratiebeginsel, dat inhoudt dat van tussenuitspraken geen tussentijds hoger beroep openstaat - in een wederom beperkt aantal gevallen hoger beroep op de voet van art. 406 lid 2 Sv opengesteld tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis. De belangrijkste reden daarvoor is dat de verdachte, die wellicht in het vooronderzoek nog geen mogelijkheid heeft gehad een beslissing omtrent de toepassing van de voorlopige hechtenis aan de hoger beroepsrechter voor te leggen, deze mogelijkheid alsnog behoort te hebben nadat het onderzoek ter terechtzitting reeds is aangevangen.

Uit deze ratio van de regeling van art. 406 lid 2 Sv vloeit niet voort dat de verdachte bij herhaling van tussenbeslissingen van de zittingsrechter over de voorlopige hechtenis telkens recht op hoger beroep zou dienen te hebben.

Het hof acht op dit punt een analoge toepassing van art. 87 lid 2 Sv veeleer aangewezen. Dat oordeel brengt mee dat de verdachte slechts eenmaal de mogelijkheid heeft om van een afwijzende beslissing van een verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis hoger beroep in te stellen en dat zulks zo blijft nadat de behandeling van de strafzaak ter zitting eenmaal is aangevangen.

Het hof verklaard verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF