Veroordeling belastingadviseur wegens doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting, valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:132 De verdachte heeft gedurende een periode van ruim 5 jaar meermalen onjuiste aangiften inkomstenbelasting voor zichzelf en derden bij de Belastingdienst ingediend. Het gaat concreet om het opnemen van te lage belastbare inkomens, te lage verzamelinkomens, te hoge/onjuiste aftrekposten terzake ziektekosten en/of terzake andere buitengewone uitgaven.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, onder de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Aan verdachte was het indienen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting voor een vijftal personen ten laste gelegd. In totaal noemt de tenlastelegging 16 aangiften.

Het hof bevestigd het vonnis met uitzondering van de straf en motivering daarvan en veroordeelt de verdachte wegens het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting, valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen tot:

  • een taakstraf van 240 uur
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd voor derden geen aangiften voor de inkomstenbelasting zal invullen en/of indienen.

Het hof is bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat uitgegaan van een benadelingsbedrag van om en nabij de €110.000.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij nietsvermoedende derden, nota bene vanuit zijn beroep als belastingadviseur, heeft betrokken bij het plegen van deze feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Privacy en derdenonderzoek: een gespannen verhouding'

In deze bijdrage wordt betoogd dat het EHRM een aanzienlijk groter belang toekent aan wettelijke waarborgen bij een inbreuk op privacy bij derdenonderzoek door de belastingdienst, dan de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De waarborging van privacy staat al langere tijd onder druk door terreurbestrijding, decentralisatie van publieke taken en de toenemende digitalisering. Met het derdenonderzoek van artikel 53 AWR kan de inspecteur vaak sneller en effectiever inlichtingen inwinnen. De vraag is of dit onderzoek rechtmatig is in het licht van artikel 8 EVRM. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Rechtshulp & fiscaal delict-exceptie

Hoge Raad 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3688 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte wegens “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.

Het bestreden arrest houdt in:

"Verweren bewijsuitsluiting

Standpunt raadsman

Subsidiair heeft de raadsman de hiernavolgende verweren gevoerd die tot bewijsuitsluiting moeten leiden.

o Schending specialiteitsvoorbehoud

Door de Zwitserse autoriteiten is bij beslissing van 6 maart 2008 definitief beschikt op de rechtshulpverzoeken. Ten gevolge van die beslissing (en de voorlopige beslissing van 13 oktober 2006) zijn de onderzoeksgegevens verstrekt aan de Nederlandse autoriteiten.

Daarbij is door de Zwitserse autoriteiten het specialiteitsvoorbehoud gemaakt, kort gezegd inhoudende dat de door hen verstrekte gegevens niet gebruikt mogen worden voor feiten die naar Zwitsers recht als fiscale delicten aangemerkt worden. De huidige vervolging wegens witwassen ziet, volgens de staatssecretaris van justitie, op feitelijke handelingen die erop gericht zijn (ook) de fiscale afdracht te beperken (TK 2008-2009, Aanhangsel van de Handelingen 959).

Nu het Zwitserse specialiteitsvoorbehoud niet de eis stelt dat de feiten enkel en alleen gericht moeten zijn op de beperking van de fiscale afdracht en overigens ook nog de lichtere toets hanteert waarbij de feiten gericht lijken te zijn op de beperking van de fiscale afdracht, is het gebruik van de verkregen gegevens in dit onderzoek in strijd met dit voorbehoud. Derhalve dient bewijsuitsluiting van de gegevens te volgen. Nu de Zwitserse gegevens de basis hebben gevormd voor het overige onderzoek, resteren geen wettige bewijsmiddelen meer waardoor vrijspraak dient te volgen.

(...)

Standpunt advocaat-generaal

(...)

o Schending specialiteitsvoorbehoud

Witwassen is geen fiscaal delict. Een fiscaal delict heeft direct te maken met de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Daar is hier geen sprake van. Zwitserland heeft in eerste instantie een rechtshulpverzoek aan Nederland gedaan voor een Zwitserse strafbepaling vergelijkbaar met het delict witwassen. Ook daaruit kun je opmaken dat witwassen ook in de ogen van de Zwitsers iets totaal anders is dan een fiscaal delict.

(...)

Oordeel hof

o Schending specialiteitsvoorbehoud

Het expliciete specialiteitsvoorbehoud dat Zwitserland heeft gemaakt bij het verlenen van rechtshulp houdt kort gezegd in dat het directe of indirecte gebruik van de toegezonden stukken en de zich daarin bevindende gegevens niet is toegestaan voor delicten die naar Zwitsers recht als politieke, militaire of fiscale feiten worden gekwalificeerd. De vraag is of in onderhavige zaak sprake is van een fiscaal delict, zoals door de raadsman is aangevoerd. Van belang is vast te stellen wanneer sprake is van een fiscaal delict naar Zwitsers recht. Als een fiscaal delict naar Zwitsers recht moet worden aangemerkt de strafbare handeling die is gericht op het verkleinen van bedragen die aan de belastingdienst moeten worden afgedragen (vgl. artikel 3 lid 3 van het Zwitserse Bundesgesetz über internationale Rechtshilfe in Strafsachen (IRSG): voor fiscale delicten wordt geen rechtshulp verleend). Urkundenfälschung bijvoorbeeld, strafbaar gesteld bij artikel 251 StGB, op zichzelf een commuun delict, wordt als fiscaal delict gezien indien het uitsluitend gericht is op een fiscaal doel. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak van het Zwitserse Bundesgericht (sedert 30 maart 1982, BGE 108 IV 27) de subjectieve bedoeling van de pleger als maatstaf: slechts als het diens bedoeling is het valse of vervalste stuk uitsluitend te gebruiken met een fiscaal doel moet de Urkundenfälschung worden aangemerkt als een fiscaal delict en kan de pleger niet voor het commune delict worden vervolgd. Dat betekent dat het dan evenmin mogelijk is Zwitsers bewijsmateriaal voor een in Nederland tenlastegelegd feit te gebruiken. Wanneer de pleger daarentegen met het valse of vervalste stuk naast het fiscale ook een ander gebruik voor ogen heeft, of op zijn minst met de mogelijkheid daartoe rekening houdt, is de delictsomschrijving van zowel het fiscale als van het commune delict vervuld. Vervolging voor het commune delict alsmede gebruik van Zwitsers bewijsmateriaal daarvoor is dan toegestaan.

In deze zaak gaat het om witwassen, een commuun delict, erop gericht voorwerpen of geldbedragen van criminele herkomst te verbergen of verhullen. Het hof is van oordeel dat dit ook verdachtes doel was. In ieder geval is niet gebleken dat verdachte met het witwassen uitsluitend een fiscaal doel had. Het feit dat verdachte ten aanzien van de bedragen op de Zwitserse rekening bij de Belastingdienst een beroep heeft gedaan op de inkeerregeling maakt dit niet anders maar wil alleen maar zeggen dat verdachte hiermee heeft getracht gelden afkomstig uit illegale activiteiten een legale bestemming te geven. Van belang daarbij is ook dat verdachte eerst in november 2006 een beroep heeft gedaan op de inkeerregeling terwijl er al vanaf september 2002 gelden op de Zwitserse bankrekening zijn gestort."

Vierde middel

Het vierde middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het hof dat (gewoonte)witwassen niet een fiscaal delict naar Zwitsers recht is.

Beoordeling Hoge Raad

Het specialiteitsvoorbehoud (zoals opgenomen in de Nederlandse vertaling van de beschikking van het Staatsanwaltschaft des kantons Zürich van 6 maart 2008) luidt als volgt:

"De door rechtshulp verkregen informatie en schriftelijke stukken mogen in het verzoekende land in onderzoeken op grond van feiten waarvoor rechtshulp niet toelaatbaar is noch ten behoeve van onderzoek noch als bewijsmiddel worden gebruikt. Het verbod op het gebruik geldt derhalve voor feiten die naar Zwitsers recht als politieke, militaire of fiscale delicten worden gekwalificeerd. Als fiscaal delict geldt een feit dat hetzij erop gericht lijkt te zijn de fiscale afdracht te beperken hetzij voorschriften inzake valuta-, handels- of economische maatregelen overtreedt. Toelaatbaar is echter het gebruik van de verstrekte stukken en informatie voor het vervolgen van belastingontduiking in de zin van het Zwitserse recht."

Het Hof heeft vastgesteld dat dit door Zwitserland gemaakte specialiteitsvoorbehoud inhoudt dat het directe of indirecte gebruik van de door de Zwitserse autoriteiten toegezonden stukken en de zich daarin bevindende gegevens niet is toegestaan voor onder meer delicten die naar Zwitsers recht als fiscaal delict worden gekwalificeerd.

Het Hof heeft voorts vastgesteld dat als zo een fiscaal delict moet worden aangemerkt de strafbare handeling die is gericht op het verkleinen van bedragen die aan de belastingdienst moeten worden afgedragen.

Blijkens 's Hofs overwegingen wordt (naar Zwitsers recht) een op zichzelf commuun delict als fiscaal delict gezien indien het uitsluitend gericht is op een fiscaal doel, waarbij volgens vaste rechtspraak van het Zwitserse Bundesgericht de subjectieve bedoeling van de pleger als maatstaf geldt.

Voor zover het middel klaagt dat het Hof aldus een onjuiste uitleg heeft gegeven aan Zwitsers recht, geldt dat de juistheid van dat oordeel in cassatie niet kan worden getoetst omdat de Hoge Raad ingevolge art. 79 RO niet kan treden in de uitleg van het recht van vreemde staten.

Het Hof heeft voorts overwogen dat het onderhavige delict (gewoonte)witwassen - een commuun delict - erop is gericht voorwerpen of geldbedragen van criminele herkomst te verbergen of verhullen en dat dit ook het doel van de verdachte was, althans dat in ieder geval niet is gebleken dat de verdachte met het witwassen uitsluitend een fiscaal doel had.

Het in 's Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat (gewoonte)witwassen in de omstandigheden van het onderhavige geval niet een fiscaal delict naar Zwitsers recht oplevert, is tegen de achtergrond van het toetsingskader niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Eerste t/m derde middel

Het eerste, tweede en derde middel klagen alle over de verwerping van een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM. Daaraan drie zijn uiteenlopende argumenten ten grondslag gelegd. Achtereenvolgens zijn dat (1) het onjuist voorlichten van de rechtbank door het OM in een eerdere vervolging van de verdachte (eerste middel), (2) het onjuist voorlichten door het OM van de Zwitserse autoriteiten in het aan hen gerichte rechtshulpverzoek (tweede middel), en (3) het onvoldoende professioneel dan wel ondeugdelijk verrichten van onderzoek (derde middel).

Deze middelen doet de Hoge Raad af onder verwijzing naar art. 81, eerste lid, RO.

Conclusie AG

Het eerste middel behelst de klacht dat het OM de rechter onvolledig heeft ingelicht tijdens een eerdere vervolging van de verdachte ter zake van Opiumwetdelicten. Het OM heeft de rechter toen medegedeeld dat geen ontnemingsvordering zou worden ingediend maar toen nagelaten mede te delen dat een tweede strafzaak liep ter zake van het witwassen van gelden die verkregen zouden zijn door het plegen van Opiumwetdelicten. Dat is de strafzaak die nu in cassatie aan de orde is.

6. Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:

“Uit het proces-verbaal opgemaakt op 28 februari 2008 blijkt dat het arrondissementsparket Utrecht zich bereid heeft verklaard om de strafzaak tegen verdachte wegens witwassen van Zwitserland over te nemen. Op 25 juni 2008 werden de beschikking tot overdracht van de strafzaak en de onderliggende stukken uit Zwitserland ontvangen. Op dat moment was er sprake van een Nederlandse strafzaak. Niet is gebleken dat van deze nieuwe vervolging melding is gemaakt in het Opiumwetonderzoek (zaak Troon) ter zitting van 2 september 2008. Van een wettelijke verplichting om zowel de rechtbank als de advocaat in het onderzoek naar de Opiumwetfeiten hierover te informeren was naar het oordeel van het hof geen sprake en overigens is het hof niet gebleken dat door de gewraakte handelwijze van het openbaar ministerie doelbewust aan, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan.

Op de zitting van 2 september 2008 in de Opiumwetzaak heeft de officier van justitie aangegeven af te zien van het indienen van een ontnemingsvordering. Deze toezegging vormt echter geen beletsel voor het later vervolgen van verdachte ter zake van witwassen als een vorm van begunstiging. Het gaat immers naar hun juridische aard om twee verschillende procedures die naast elkaar kunnen bestaan. Dat in dit geval de witgewassen gelden afkomstig zouden zijn van misdrijven begaan in het kader van de Opiumwet doet hieraan niet af. Bij een ontneming gaat het om een gerechtelijke procedure ten aanzien van iemand die is veroordeeld wegens een strafbaar feit teneinde vast te stellen of er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel in welk geval hemde verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Een vervolging wegens witwassen is een zelfstandige procedure waarbij in geval van veroordeling de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken van voorwerpen (of geldbedragen) die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het witwassen zijn verkregen of die met betrekking tot welke het witwassen is begaan. De rechter kan bij een eventuele samenloop van voordeelsontneming en verbeurdverklaring rekening houden met reeds ontnomen dan wel verbeurdverklaarde bedragen teneinde een dubbeling te voorkomen.”

7. Als ik de toelichting op het middel goed begrijp (en dat vergt enige inspanning), dan zou het oordeel van het hof om een aantal redenen onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Ik geef die bezwaren hier kort weer om die vervolgens (kort) te beoordelen.

8. Het hof heeft volgens de steller van het middel ten onrechte als maatstaf aangelegd “dat sprake moest zijn van een wettelijke verplichting tot informeren” terwijl het hof volgens hem “had dienen te onderzoeken of (de vervolgingsbeslissing) van het openbaar ministerie overeenkomstig de beginselen van een goede procesorde is geweest”. Aldus is het verweer in feitelijke aanleg echter niet gevoerd. Het hof hoefde dit verweer dan ook niet zo te onderzoeken en te beoordelen.

9. Als tweede bezwaar wordt thans betoogd dat de officier van justitie de rechter “gevraagd en ongevraagd” dient te voorzien van informatie “die redelijkerwijs van belang is bij een te nemen beslissing”, zodat het OM door zulks na te laten heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, aldus de steller van het middel. Hij verzuimt echter aan te geven op welke gronden deze verplichting berust en op welke gronden deze (veronderstelde) verplichting zou moeten worden gerekend tot de beginselen van een goede procesorde.

10. Als derde bezwaar wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof, dat de procedures inzake ontneming en witwassen “naast elkaar kunnen bestaan” op zich juist is “maar niet volledig, nu zij derhalve ook van invloed op elkaar kunnen zijn.” Dat laatste wil ik de steller van het middel toegeven, maar daaruit volgt nog niet dat het afzien van de ene procedure (in casu: de ontnemingsprocedure) betekent dat tevens van de andere procedure (in casu: strafvervolging wegens witwassen) zou moeten worden afgezien.

11. Alleen al om deze redenen faalt het middel.

12. Dan de klacht in hettweede middel,te weten dat het OM niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat hij de Zwitserse autoriteiten in het kader van het rechtshulpverzoek van 23 mei 2006 onjuist heeft voorgelicht door daarin te stellen dat de R-C een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag heeft afgegeven terwijl die machtiging in werkelijkheid eerst op 22 juni 2006 was afgegeven.

13. Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Het hof stelt vast dat er op het moment van ondertekenen van het rechtshulpverzoek op 23 mei 2006 geen sprake was van toestemming door de rechter-commissaris voor het leggen van conservatoir beslag, terwijl dit wel is vermeld in het rechtshulpverzoek. Het hof stelt voorts vast dat op 22 juni 2006 de rechter-commissaris met het verzoek tot een machtiging conservatoir beslag heeft ingestemd Het hof acht zonder nadere onderbouwing van het tegendeel uitsluitend op grond van het voorgaande niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van het doelbewust misleiden van de Zwitserse autoriteiten. Bovendien is verdachte niet in zijn belangen geschaad nu het rechtshulpverzoek pas op 11 augustus 2006 is ontvangen door Zwitserland op welke datum de rechter-commissaris in ieder geval de machtiging conservatoir beslag had verleend.”

14. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld “dat de enkele mogelijkheid dat de Zwitserse autoriteiten zijn misleid niet kan leiden tot de slotsom dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging”. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de onjuiste vermelding van de datum niet tot gevolg heeft gehad dat de Zwitserse autoriteiten zijn misleid. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is alleszins begrijpelijk, gelet op de overweging van het hof dat ten tijde van de ontvangst door Zwitserland van het rechtshulpverzoek de machtiging was verleend.

15. Het middel faalt.

16. Het derde middelbehelst de klacht dat “het verrichte onderzoek onvoldoende professioneel c.q. ondeugdelijk is”.

17. Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:

“Zoals hierboven vermeld volgt uit het strafdossier dat in februari 2008 door het openbaar ministerie is besloten tot overname van het Zwitserse witwasonderzoek en zijn de onderliggende stukken in juni 2008 ontvangen. Hoewel verdachte in de periode tot aan de zitting van de rechtbank op 25 augustus 2011 nimmer door de politie is gehoord op de verdenkingen in de witwaszaak, is verdachte eerder wel verschillende malen gehoord in de Opiumwetzaak. Hoewel het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om verdachte ook in de witwaszaak door de politie te laten horen op de verdenking van witwassen, is naar het oordeel van het hof door het enkele niet horen niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekortgedaan. Overigens is het hof wel van oordeel dat door het tijdsverloop zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de redelijke termijn is overschreden. Hiermee zal bij het bepalen van de strafmaat rekening worden houden.”

18. Het hof heeft het verweer volgens de steller van het middel te beperkt opgevat. Ook ondubbelzinnig naar voren is gebracht “dat eveneens geen (ontlastende) getuigen gehoord zijn” en “het (stam)proces-verbaal van verbalisant [verbalisant], waarnaar het Hof overigens ook in haar bewijsmiddelenoverzicht naar verwijst, enkel (ruimschoots) verouderde en in zelfs onjuiste informatie bevat”, aldus luidt de klacht.

19. Klaarblijkelijk heeft het hof al hetgeen de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd in het kader van (zie het kopje in de pleitnotities) “ondeugdelijk/onprofessioneel onderzoek” overwegend bezien vanuit het perspectief van het “talmen met de feitelijke vervolging”, zoals dat in de pleitnotitie is gekwalificeerd.

20. Een dergelijke uitleg van het verweer is voorbehouden aan het hof. Dit oordeel kan in cassatie uitsluitend op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Ik acht ‘s hofs uitleg niet onbegrijpelijk, met name niet vanwege de context waarin de argumenten naar voren zijn gebracht waarop nu in cassatie een beroep wordt gedaan. Het hof was bovendien niet gehouden om te responderen op ieder argument dat van de zijde van de verdediging is aangevoerd. Of een argument een responsieplicht in het leven roept hangt mede af van de inzichtelijkheid waarmee het aan het hof is voorgelegd.

21. Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Belastingdienst mag identiteit tipgever geheim houden

De Hoge Raad heeft op 18 december geoordeeld dat het niet bekend maken van de naam van de tipgever op zichzelf onvoldoende aanleiding is om belastingaanslagen in deze zaak te vernietigen. In deze zaak heeft een tipgever tegen beloning informatie aan de FIOD gegeven over bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij drie in Luxemburg gevestigde banken. Op basis van deze informatie zijn aanslagen opgelegd aan vermeende zwartspaarders. Belanghebbenden wilden de naam van de tipgever weten.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep zijn twee door de inspecteur meegebrachte belastingambtenaren op de zitting als getuigen gehoord. Zowel de getuigen als de inspecteur hebben geweigerd de naam van de tipgever bekend te maken. Het hof acht deze weigering onrechtmatig, omdat de inspecteur zich ter zitting van het hof zonder voorbehoud heeft neergelegd bij een eerdere beslissing van de rechtbank dat de naam van de tipgever bekend moet worden gemaakt. Het hof vindt dat vernietiging van de belastingaanslagen een passende gevolgtrekking is, "omdat de rechtsorde ernstig is geschokt". Daarnaast moet de inspecteur de proceskosten van de belanghebbenden vergoeden tot een bedrag van € 75.000 (ECLI:NL:GHARL:2015:645).

Tegen deze beslissingen van het hof hebben de getuigen en de staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat het beroep in cassatie van de getuigen niet-ontvankelijk is. Getuigen worden in belastingzaken niet in de wet genoemd als bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie.

De inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat van de 76 personen over wie de tipgever informatie had gegeven, er inmiddels 71 hebben erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden. Ook is in geen enkel geval gebleken dat de door de tipgever verstrekte informatie onjuist is. De belanghebbenden zelf (de beide kinderen van de erflater) behoren tot degenen die hebben erkend dat de informatie van de tipgever juist is. In de bestreden uitspraak is verder melding gemaakt van de toezegging van de inspecteur mee te werken aan een verhoor van de tipgever op zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld. In het licht van deze feiten en de door de inspecteur gedane toezegging, hoeft de onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de tipgever niet zonder meer tot vernietiging van de bestreden belastingaanslagen te leiden. De Hoge Raad merkt daarbij op dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als een inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, niet kunnen worden gedwongen om informatie prijs te geven die een inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. De getuigen waren dus niet verplicht om de naam van de tipgever bekend te maken.

Ook de proceskostenvergoeding van € 75.000 kan niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof.

Uitspraken:

 

Print Friendly and PDF ^

Minimega-zaak: Veroordeling eigenaar administratiekantoor wegens opzettelijk onjuist doen van aangifte van omzetbelasting en witwassen

Een 50-jarige eigenaar van een administratiekantoor is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden en een geldboete van 16.500 euro voor het opzettelijk onjuist doen van aangifte van omzetbelasting en voor witwassen. Het kantoor heeft gedurende enige jaren in totaal 84 onjuiste aangiften gedaan waarbij telkens een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven. In totaal heeft de belastingdienst daardoor aan diverse bedrijven bijna één miljoen euro betaald. In werkelijkheid hadden de betrokken bedrijven nauwelijks of geen bedrijfsactiviteiten en waren de facturen waarop de betaalde BTW stond vermeld vervalst of was er in het geheel geen administratie.

De belastingdienst heeft geconstateerd dat de verdachte aangiften weliswaar waren ingediend met gebruikmaking van naam en wachtwoord van de bedrijven zelf, maar dat deze steeds afkomstig waren van het IP-adres van het administratiekantoor van verdachte. Vervolgens heeft nader onderzoek door de FIOD plaatsgevonden.

Vijf medeverdachten waren bestuurders van de (fake)-bedrijven die de belasting terugvroegen. Een van hen is met regelmaat alleen of met de hoofdverdachte in het casino geweest en dan werd daar ook steeds geld van de rekening van een van de fake-bedrijven opgenomen. Hij is veroordeeld voor zowel de belastingfraude als witwassen.

Drie medeverdachten waren katvanger; zij zijn vrijgesproken van het medeplegen van de belastingfraude maar wel veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke vrijheidsstraffen voor witwassen. Een vijfde bestuurder is geheel vrijgesproken.

Rechtbank Amsterdam 16 november 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:8792

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk bij de Belastingdienst voorziene aangiften onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven (feit 1) en medeplegen van witwassen van een geldbedrag afkomstig uit het doen van deze onjuiste belastingaangiften (feit 2).

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de startinformatie uit het aanvangsproces-verbaal onvoldoende betrouwbaar is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat in het aanvangsproces-verbaal ten onrechte is geverbaliseerd dat de ingediende onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn gedaan vanuit het IP-adres van administratiekantoor 1A B.V. nu deze informatie pas bekend is geworden naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek. De verdenking van verdachte was gebaseerd op informatie van de Belastingdienst Rotterdam, te weten dat verdachte in verband werd gebracht met pinopnames in het casino. Daarbij zijn opsporingshandelingen verricht, maar een daartoe strekkende vordering ontbrak op dat moment. Dit is later hersteld door de gegevens betreffende verdachte opnieuw bij het casino op te vragen. De mogelijkheid tot toetsing van de rechtmatigheid van de start van het onderzoek is ondermijnd door de wijze waarop door opsporingsambtenaren in het aanvangsproces-verbaal is geverbaliseerd.

Door deze onrechtmatigheden en schendingen is een ernstige inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Als gevolg hiervan moet overeenkomstig het bepaalde in artikel 359a Sv de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte, dan wel moeten de resultaten van het onderzoek dat is gebaseerd op het aanvangsproces-verbaal van het bewijs worden uitgesloten, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft betoogd dat het proces verbaal een correcte weergave bevat van de informatie die tot de verdenking heeft geleid, zodat er geen grond is de officier van justitie niet ontvankelijk te achten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in geval vormverzuimen daarin bestaan dat met de opsporing of vervolging ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De vraag die in de onderhavige zaak thans voorligt, is of de door de raadsman genoemde onrechtmatigheden en schendingen van beginselen van een behoorlijke procesorde zich hebben voorgedaan en zo ja, of deze onrechtmatigheden en schendingen moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie of bewijsuitsluiting. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit het aanvangsproces-verbaal blijkt dat de Belastingdienst, met behulp van de aan die dienst toekomende controlebevoegdheden, een onderzoek is gestart naar het advieskantoor administratiekantoor 1A B.V. Aanleiding daartoe waren controles bij verschillende bedrijven als gevolg van de door hen ingediende negatieve aangiften voor de omzetbelasting. Belastinginspecteur Van Dooren heeft over het onderzoek naar administratiekantoor 1A B.V. verklaard dat de bij de Belastingdienst beschikbare bestanden van voornoemde bedrijven zijn geraadpleegd en dat toen is opgevallen dat de negatieve aangiften omzetbelasting via het IP-adres van administratiekantoor 1A B.V. waren verzonden. Ook uit de verklaring van belastinginspecteur, inhoudende dat de bestanden betreffende het IP-adres met nummer IP-adres beschikbaar zijn gesteld aan de FIOD, concludeert de rechtbank dat de Belastingdienst kennelijk via haar eigen computersystemen het IP-adres van de ingediende aangiften heeft kunnen koppelen aan (het IP-adres van) administratiekantoor 1A B.V.

De Belastingdienst heeft naar aanleiding van de negatieve belastingaangiften van het bedrijf 1 B.V. onderzoek verricht naar de bankrekening van voornoemd bedrijf, waarbij was opgevallen dat meerdere pinopnames bij casino’s hadden plaatsgevonden, aldus belastinginspecteur. Nader onderzoek heeft toen uitgewezen dat verdachte een bezoek heeft gebracht aan de desbetreffende casino’s op de data van de pinopnames.

Al het voorgaande is door de Belastingdienst aangemeld voor beoordeling in het selectie-overleg, waarna het onderzoek is overgedragen aan de FIOD.

Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek van de Belastingdienst was er sprake van een redelijk vermoeden dat administratiekantoor 1A B.V. zich schuldig zou maken aan een strafbaar feit en is door de FIOD een aanvang gemaakt met het strafrechtelijk onderzoek. Dat het openbaar ministerie met toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid naderhand nogmaals heeft vastgesteld dat het onderwerpelijke IP-adres toebehoort aan het bedrijfspand van administratiekantoor 1A B.V., doet niet af aan voornoemde bevindingen van de Belastingdienst. Voorts is gebleken dat de pinopnames in de casino’s niet de aanleiding zijn geweest voor de start van het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stelling van de raadsman dat het aanvangsproces-verbaal een onjuiste voorstelling van zaken bevat dient te worden verworpen.

Gelet op al het vorenstaande constateert de rechtbank dat er in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van onrechtmatigheden of schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit leidt ertoe dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Ook kunnen de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek meewerken tot het bewijs.

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De Belastingdienst heeft tussen 2009 en 2011 controles uitgevoerd bij de bedrijven bedrijf 2 B.V., bedrijf 1 B.V., Uitzendbureau 1 B.V., bedrijf 3 B.V. en de eenmanszaak medeverdachte 1. Aanleiding hiervoor waren de door voornoemde bedrijven ingediende negatieve aangiften voor de omzetbelasting. Uit de controles kwam naar voren dat door deze ondernemingen geen of te weinig omzetbelasting werd aangegeven. Bovendien werd bij geen enkele onderneming een sluitende administratie aangetroffen op grond waarvan de omzet deugdelijk kon worden aangetoond. In de ingediende aangiften voor de omzetbelasting is dan ook telkens een te hoog en fictief bedrag aan voorbelasting vermeld. Omdat op de ingediende aangiften voor de omzetbelasting de voorbelasting per saldo hoger was dan de verschuldigde omzetbelasting, heeft de desbetreffende onderneming hierdoor het verschil van de Belastingdienst terug ontvangen. De Belastingdienst heeft vastgesteld dat de aangiften voor de omzetbelastingen ten name van voornoemde ondernemingen onjuist zijn ingediend.

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging opgenomen aangiften voor de omzetbelasting onjuist zijn en dat de eventueel facturen die ten grondslag liggen aan deze aangiften, zijn vervalst en/of valselijk zijn opgemaakt.

Mede naar aanleiding van de door de officier van justitie ter terechtzitting ingenomen standpunten, ziet de rechtbank zich voor de volgende vragen gesteld:

  • Had verdachte een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting en zo ja, welke?
  • Heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan (schuld)witwassen?

Feit 1

Uit onderzoek van de FIOD is gebleken dat de 84 ingediende aangiften voor de omzetbelasting zijn verstuurd vanaf het IP-adres. Dit IP-adres behoort bij het adres 2 te Amsterdam, alwaar het bedrijf administratiekantoor 1A B.V. is gevestigd. Administratiekantoor 1A B.V. heeft per 12 maart 2008 de bedrijfsactiviteiten van de moedermaatschappij administratiekantoor 1B B.V. overgenomen. Vanaf 30 december 2011 staat administratiekantoor 1A B.V. onder de handelsnaam administratiekantoor 1A B.V. bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand zijn op de server contactgegevens van personen aangetroffen die ten tijde van het tenlastegelegde bestuurder of enig aandeelhouder waren van de in de tenlastelegging genoemde bedrijven. Deze contactgegevens bevatten onder meer gebruikersnamen en wachtwoorden waarmee vermoedelijk kon worden ingelogd op de site van de Belastingdienst. Ook is op de computer van verdachte een e-mailbericht aangetroffen, dat verdachte op 30 mei 2008 heeft verstuurd naar zijn collega medeverdachte 2. Hij schrijft haar: “is geregeld” in antwoord op een e-mailbericht van medeverdachte 2 waarin zij schrijft: “ bedrijf 2 B.V., bedrijf 1 B.V. & bedrijf 4 B.V. geen OB ingediend”. Nu verdachte desgevraagd ter terechtzitting hierover geen verklaring heeft willen afleggen waaruit iets anders kan worden afgeleid, leidt de rechtbank uit dit bericht af dat verdachte hetzij die aangiften zelf heeft gedaan, hetzij daartoe instructies heeft gegeven en ervoor heeft zorggedragen dat die aangiften werden ingediend, waarbij hem in beide gevallen de onjuistheid van die aangiften duidelijk moest zijn. In het bedrijfspand zijn meer aanwijzingen gevonden van betrokkenheid bij de onderhavige feiten. Zo is blanco briefpapier aangetroffen van de bedrijven Uitzendbureau 1 B.V., bedrijf 2 B.V., bedrijf 1 B.V. en bedrijf 3 B.V. (een eenmanszaak van medeverdachte 1. Een aantal van de in de administratie van bedrijf 4 B.V. aangetroffen valse facturen is gemaakt op hetzelfde briefpapier als het blanco briefpapier dat bij administratiekantoor 1A B.V. is aangetroffen. Het was de Belastingdienst bovendien opgevallen dat de boekhouding van de genoemde bedrijven niet of slechts ten dele voor controle beschikbaar was, dat de activiteiten van de bedrijven voor zover die activiteiten al bestonden, na aankondiging van een boekenonderzoek, werden stilgelegd en er vervolgens geen aangiften, of alleen nog maar nihilaangiften werden gedaan. Betrokkenen namen ook geen contact op met de Belastingdienst om navraag te doen naar het uitblijven van de gevraagde teruggaven omzetbelasting.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring van feit 1 uit van de in de tenlastelegging genoemde aangiften voor de omzetbelasting. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de eerste ingediende onjuiste aangifte dateert van 26 februari 2007. Op 24 juli 2009 is de laatste onjuiste aangifte omzetbelasting ingediend. De aangiften zijn ingediend ten name van verschillende bedrijven.

De rol van verdachte binnen administratiekantoor 1A B.V.

Verdachte geeft sinds 2004 leiding aan administratiekantoor 1A B.V. en heeft de verantwoordelijkheid voor het bedrijf. Door voormalige werknemers van administratiekantoor 1A B.V. wordt de rol van verdachte omschreven als “de baas”, “de oprichter” of “de directeur” van administratiekantoor 1A B.V.

Medeplegen

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de rechtspersoon administratiekantoor 1A B.V. de onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst. Hoewel niet kan worden vastgesteld wie de onjuiste aangiften feitelijk heeft ingediend, is aannemelijk dat dit door verdachte, al dan niet in samenwerking met andere personen die werkzaam waren bij administratiekantoor 1A B.V., is gedaan. Verdachte heeft ter terechtzitting ook geen verklaring willen geven over de gang van zaken binnen administratiekantoor 1A B.V. met betrekking tot het indienen van aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte hebben geweten van de strafbare gedragingen, de dagelijkse leiding over administratiekantoor 1A B.V. was immers alleen in handen van verdachte.

De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiftes te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte heeft daarbij in het samenwerkingsverband als leidinggevende van het accountantskantoor een essentiële rol gespeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is voorafgaand, tijdens en na afloop van de in de tenlastelegging ingediende aangiften sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, zijn mededader(s) en de rechtspersonen, gericht op de planning en uitvoering van het feit, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

Conclusie

De rechtbank komt op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen onjuiste aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst heeft ingediend. Het resultaat hiervan is dat de aangiften sloten op te hoge terug te vragen bedragen, met het doel om de Belastingdienst te bewegen tot het ten onrechte uitkeren van belastinggeld. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat deze onjuiste belastingaangiften ertoe hebben gestrekt dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door de Belastingdienst is berekend dat zij door de aangiften een fiscaal nadeel heeft geleden van € 999.951.

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen, dan wel schuldwitwassen, van geldbedragen van in totaal € 93.350,- die contant zijn opgenomen van de bankrekening van bedrijf 1 B.V. .

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden (inclusief de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 met betrekking tot de criminele herkomst van de gelden).

Naar aanleiding van de ingediende onjuiste aangiften omzetbelasting heeft de Belastingdienst in de periode van 4 januari 2008 tot en met 3 november 2009 een totaalbedrag van €444.132,- op de bankrekening van bedrijf 1 B.V. gestort.

Op verschillende tijdstippen in de periode van 15 januari 2009 tot en met 24 november 2009 is met de pinpas van bedrijf 1 B.V. voor een totaalbedrag van € 116.052,- aan contant geld opgenomen bij diverse vestigingen van het Holland Casino. Uit registratiegegevens van het Holland Casino blijkt dat de dagen dat met de pinpas van bedrijf 1 B.V. geld is opgenomen, overeenkomen met de dagen waarop medeverdachte 3 en verdachte, beiden tezamen, althans gelijktijdig, dan wel afzonderlijk van elkaar, een bezoek hebben gebracht aan het casino. Verdachte heeft in voornoemde periode zesentwintig bezoeken gebracht aan diverse vestigingen van het Holland Casino, waarbij is vastgesteld dat op diezelfde dagen voor een totaalbedrag van € 93.350,- aan contant geld is opgenomen van de bankrekening van bedrijf 1 B.V. Bij elf van deze bezoeken heeft medeverdachte 3 gelijktijdig hetzelfde casino bezocht. Wat daar ook van zij, vast staat dat voor een groot totaalbedrag geld is opgenomen van de bankrekening van bedrijf 1 B.V. op dagen dat verdachte, soms gelijktijdig met medeverdachte 3, in een vestiging van Holland casino aanwezig was.

Nadere overwegingen

De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 overwogen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Dit strafbare feit heeft ertoe geleid dat de Belastingdienst ten onrechte geldbedragen heeft gestort op de bankrekeningen van de in de tenlastelegging genoemde bedrijven, waaronder op de bankrekening van het bedrijf 1 B.V. Het ten onrechte uitgekeerde geldbedrag op de bankrekening van bedrijf 1 B.V. is daarom van eigen misdrijf afkomstig.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat er geldbedragen, variërend van € 1.000,- tot € 2.500,-, van de bankrekening van bedrijf 1 B.V. zijn opgenomen in diverse vestigingen van het Holland Casino. Uit de registratiegegevens van het Holland Casino volgt dat medeverdachte 3 en verdachte beiden tezamen, althans gelijktijdig, dan wel apart, een bezoek hebben gebracht aan de casino’s op de dagen dat de pinopnames hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder deze omstandigheden niet anders dan dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte 3 de geldbedragen heeft opgenomen. Aldus heeft verdachte samen met medeverdachte 3 aanzienlijke geldbedragen contant opgenomen in casino’s van een bankrekening waarop geld, dat afkomstig is uit misdrijf, is gestort.

In de kern betreft dit naar het oordeel van de rechtbank gelden die door verdachte op middellijke wijze uit eigen misdrijf zijn verkregen. Het betreft hier immers gelden die ten gevolge van de strafbare gedraging van verdachte op de bankrekening van bedrijf 1 B.V. zijn binnengekomen. Verdachte heeft deze gelden aldus tezamen en in vereniging met medeverdachte 3 voorhanden gehad, nu blijkt dat zij beiden de beschikking hadden over deze rekening. Vervolgens is een deel van de geldbedragen contant opgenomen door de beide verdachten, waarna het geld uit het zicht verdwenen is. Deze omzetting van giraal naar chartaal geld moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een handeling die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Immers, door de omzetting is er sprake van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Inherent aan deze specifieke situatie is dat de kwalificatieuitsluitingsgrond niet van toepassing is (vgl. HR 25-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:702, r.o. 3.8.). Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan tezamen en in vereniging omzetten en gebruik maken van gelden die afkomstig zijn uit eigen misdrijf.

Conclusie

De rechtbank komt op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte medepleger is geweest van het witwassen van een geldbedrag. Het totaal door verdachte witgewassen geld bedraagt aldus € 93.350,-.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Feit 2: medeplegen van witwassen

Strafoplegging

Gevangenisstraf  van 24 maanden en een geldboete van € 16.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Belastingfraudeur aangehouden in nieuw onderzoek naar belastingfraude

De politie heeft afgelopen woensdagavond bij een verkeerscontrole in Roosendaal een 57-jarige man uit Turkije aangehouden in een onderzoek van de FIOD naar fraude met belastingaangiften. De man wordt verdacht van valsheid in geschrift en belastingfraude. Hij is vandaag voorgeleid aan de rechter-commissaris en in bewaring gesteld voor 14 dagen. De 57-jarige man stond gesignaleerd. Hij woont in Turkije en heeft geen vaste woon- en verblijfplaats in Nederland. Het vermoeden is dat hij tussen maart 2015 en juni 2015 voor tientallen derden in de omgeving van Deventer, Roosendaal en Bergen op Zoom onjuiste aangiften inkomstenheffing heeft gedaan.

De man is eerder veroordeeld voor het opvoeren van fictieve bedragen voor persoonsgebonden aftrek in belastingaangifte van derden. In november 2014 is hij door de rechtbank in Almelo veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en een ontneming van € 11.000,-. Vermoed wordt dat hij, nadat hij zijn straf had uitgezeten, zich opnieuw is gaan bezighouden met het doen van onjuiste belastingaangiften.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens niet verstrekken stukken aan Belastingdienst

Rechtbank Midden-Nederland 8 april 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:2410 De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • Feit 1: opzettelijk bepaalde stukken niet aan de Belastingdienst heeft verstrekt in de periode van 1 december 2010 tot en met 2 oktober 2013;
  • Feit 2: aangiften omzetbelasting onjuist heeft gedaan in de periode van 1 april 2009 tot en met 1 mei 2011.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 2 voor zover dit feit ziet op het onjuist toepassen van de margeregeling om andere redenen dan dat er sprake is van leveringen afkomstig van buiten de Europese Unie. De raadsman heeft dit verweer onderbouwd door te verwijzen naar de beslissing die is genomen in het tripartite overleg.

De rechtbank stelt vast dat hier sprake is van een onjuiste lezing van de beslissing die in het tripartite overleg is genomen, namelijk dat het strafrechtelijk onderzoek voor de toepassing van de margeregeling wordt beperkt tot de inkopen van goederen van leveranciers afkomstig van buiten de Europese Unie. Hieronder kunnen dus ook aankopen binnen de Europese Unie vallen van niet Europese leveranciers, zijnde aankopen als waarop de tenlastelegging doelt. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van een schending van het nemo tenetur-beginsel, omdat verdachte fiscaalrechtelijk gezien verplicht was de informatie te verstrekken, maar strafrechtelijk gezien niet hoefde mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Daarnaast is de gegeven informatiebeschikking vernietigd, en heeft er dus volgens de raadsman nooit een plicht voor verdachte bestaan om de informatie als bedoeld in feit 1 te verstrekken. Dit maakt dat er sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijk proces. In samenhang bezien dient dit volgens de raadsman te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dat het nemo tenetur-beginsel samenhangt met het zwijgrecht. Dit brengt met zich dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van materiaal dat bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. In dit geval is daarvan sprake nu de Belastingdienst heeft verzocht om het verstrekken van de administratie van het bedrijf en bankafschriften van verdachte. Indien verdachte de stukken aan de Belastingdienst had verstrekt, hadden deze stukken dus gebruikt mogen worden voor een eventuele strafzaak.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de stukken helemaal niet had hoeven verstrekken, omdat hij zich had mogen beroepen op het nemo tenetur-beginsel. De rechtbank overweegt daarover dat er geen rechtsregel bestaat die een verdachte in een strafzaak van zijn informatieplicht op grond van artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen ontslaat. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er voor verdachte wel een informatieplicht bestond en dat hij zich tegenover de Belastingdienst niet met succes kon beroepen op het nemo tenetur beginsel. Het verkregen materiaal kan dan ook in deze strafzaak bijdragen tot het bewijs.

Ten aanzien van de vernietigde informatiebeschikking overweegt de rechtbank dat verdachte door de Belastingdienst ook bij brieven van 13 december 2010, 17 januari 2011 en 10 augustus 2011 is verzocht om stukken te verstrekken, zodat op grond daarvan al een informatieplicht bestond. Dat de informatiebeschikking is vernietigd maakt dit oordeel niet anders.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd beide feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat de FIOD haar bewezenverklaring stoelt op beweringen die door een medewerker van de Belastingdienst, mevrouw A, zijn gedaan in een door haar afgelegde getuigenverklaring. De verdediging heeft betoogd dat de FIOD hiermee naar zichzelf wijst ter bevestiging van haar standpunt en dat deze verklaring niet mee mag wegen voor het bewijs. Ook betwist de verdediging de door mevrouw A ingenomen standpunten. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet kon beschikken over de informatie die gevraagd werd, omdat daar beslag op was gelegd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging betoogd dat bewijs waaruit volgt dat de horloges buiten de Europese Unie zijn ingekocht ontbreekt en dat ook op andere wijze niet blijkt dat verdachte onterecht gebruik heeft gemaakt van de margeregeling. Ook voor dit feit is de verdediging van mening dat de verklaring van mevrouw A niet voor het bewijs gebruikt kan worden, omdat haar beweringen onjuist zijn.

De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht, indien de rechtbank voor één van beide feiten de verklaring van mevrouw A, voor zover zij daarin het handelen van verdachte kwalificeert, voor het bewijs gebruikt, mevrouw A te horen als getuige.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Hiermee is bedoeld, zo is door de officier van justitie ter terechtzitting toegelicht en zo is ook door de verdediging begrepen, dat verdachte onterecht gebruik heeft gemaakt van de margeregeling en daarom te weinig belasting heeft betaald.

De margeregeling mag - voor zover in deze zaak van belang - worden toegepast wanneer het gaat om aankopen binnen de Europese Unie van gebruikte goederen van particulieren.

Om dit feit strafrechtelijk te bewijzen dient niet verdachte aan te tonen dat hij terecht gebruik heeft gemaakt van de margeregeling, maar dient het Openbaar Ministerie aan te tonen dat verdachte dit onterecht heeft gedaan. Anders dan de officier van justitie betoogt is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor de stelling dat de in paragraaf 2.2.1 van het aanvangsproces-verbaal genoemde aankopen buiten de Europese Unie hebben plaatsgevonden. Het enkele feit dat deze aankopen zouden zijn gedaan van niet-ingezetenen van de Europese Unie maakt nog niet dat de margeregeling niet had mogen worden toegepast. Ook is niet komen vast te staan dat de verkopers geen particulieren waren. Het feit dat deze personen meerdere horloges per keer verkochten wekt weliswaar een vermoeden van professionele handel, maar bewijs daarvoor ontbreekt. Evenmin kan worden bewezen dat de desbetreffende horloges nieuw waren in plaats van gebruikt.

De rechtbank concludeert dan ook dat er zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 1

De rechtbank acht het onder feit 1 ten laste gelegde deels wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij handelt onder de naam, gevestigd te vestigingsplaats.

Op 1 december 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen verdachte en de Belastingdienst, waarin een boekenonderzoek is aangekondigd. In dit gesprek heeft verdachte aangegeven geen kopieën te bewaren van echtheidscertificaten en heeft hij toegezegd de Excel sheets met betrekking tot de in- en verkopen van 2008 tot en met 2010 toe te zenden.

Bij brief van 13 december 2010 heeft de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verdachte verzocht om de digitale Excel sheets met betrekking tot de in- en verkopen over de periode 2008 tot en met 2010 en de bankafschriften van de privé bankrekening van verdachte, rekeningnummer 31.65.67.191, over de periode 2008 tot en met 2010 te verstrekken.4

Dit laatste verzoek is herhaald door de Belastingdienst bij brief van 17 januari 2011.

Door verdachte zijn voorraadlijsten verstrekt met betrekking tot 2009 en het eerste, tweede en derde kwartaal van 2010. Ook zijn door verdachte privé bankafschriften verstrekt uit 2009 en 2010. De bankafschriften over 2008 zijn niet verstrekt. De voorraadlijsten over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 zijn ook niet verstrekt. De echtheidscertificaten van de horloges over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2011 en de originele in- en verkoopfacturen over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2011 zijn niet verstrekt. Deze originelen zijn bij de doorzoeking op 15 november 2011 wel aangetroffen. Ook zijn daarbij aangetroffen de Excel sheets met de in- en verkopen over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011.

Partiële vrijspraak feit 1

Ten aanzien van de echtheidscertificaten overweegt de rechtbank dat dergelijke certificaten naar hun aard behoren bij de horloges in kwestie en in de regel worden meegeleverd aan de kopers, zodat verdachte er niet op bedacht hoefde te zijn dat hij deze certificaten aan de Belastingdienst moest verstrekken. Hem kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij daartoe niet meer in staat was.

Ten aanzien van de Excel sheets met de in- en verkopen overweegt de rechtbank dat deze slechts zijn opgevraagd tot en met het vierde kwartaal van 2010 en niet voor het eerste kwartaal van 2011. Verdachte zal dan ook van dat onderdeel worden vrijgesproken. De raadsman moet worden toegegeven dat de sheets over o.a. het laatste kwartaal van 2010 al op 13 december 2010 zijn opgevraagd, dus nog voordat dat kwartaal ten einde was, maar deze omstandigheid ontsloeg verdachte niet van de verplichting om deze sheets dan na het einde van het kwartaal aan te leveren.

De rechtbank constateert dat alleen in de brief van de Belastingdienst van 10 augustus 2011 gevraagd wordt naar originele in- en verkoopfacturen, maar dat daarbij geen periode wordt genoemd. Deze brief kan dan ook niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte desgevraagd heeft nagelaten deze originele facturen over de periode januari 2008 tot en met 31 maart 2011 te verstrekken. De informatiebeschikking van 6 maart 2012, waarin wel is gevraagd om het verstrekken van de originele administratie, dateert van na de doorzoeking in de woning van verdachte, waarbij die administratie is aangetroffen. Hem kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij daartoe niet meer in staat was.

Bewijsoverweging feit 1

Het verweer dat verdachte de gevraagde stukken niet kon aanleveren omdat deze bij de doorzoeking inbeslaggenomen waren faalt, nu verdachte op 1 december 2010, 13 december 2010 en op 17 januari 2011 om die stukken is gevraagd, terwijl de huiszoeking pas op 15 november 2011 plaatsvond.

Verdachte heeft bovengenoemde gegevens niet verstrekt, terwijl de Belastingdienst hem daar bij herhaling om heeft gevraagd. Doordat verdachte de Belastingdienst niet zijn Excel sheets met aan- en verkopen, zijn bankafschriften en zijn originele in- en verkoopfacturen heeft verstrekt, heeft de Belastingdienst daarop vermelde transacties niet opgemerkt en over deze transacties ook geen omzetbelasting kunnen berekenen. Het achterhouden van deze informatie kon dan ook meebrengen dat te weinig belasting werd geheven.

Bewezenverklaring

Feit 1: het niet verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen en het niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, terwijl hij daartoe ingevolge de belastingwet verplicht is, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

De verdachte heeft zich berust in deze uitspraak, als gevolg waarvan deze inmiddels onherroepelijk is.

 

Print Friendly and PDF ^

Opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting enkel strafbaar indien het werkelijke belastbaar bedrag hoger is

Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3432 Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch verdachte veroordeeld tot een geldboete van €540.000 wegens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (feit 1).

Het gaat in deze zaak om schijnleveringen van prepaidtelefoonkaarten door verdachte aan een in het buitenland gevestigde ondernemer met het doel het plegen van BTW-fraude. Door verdachte zijn prepaidtelefoonkaarten ingekocht en vervolgens doorverkocht. Een groot deel van deze telefoonkaarten zou aan het Belgische bedrijf A zijn doorgeleverd. Calling Card, de onderneming waar de telefoonkaarten door verdachte hoofdzakelijk werden ingekocht, heeft bij de verkoop omzetbelasting in rekening gebracht, hetgeen door verdachte als voorbelasting is afgetrokken. Door verdachte is bij het doorleveren van de telefoonkaarten aan A geen BTW in rekening gebracht en afgedragen.

In de boekhouding van verdachte zijn verkoopfacturen opgenomen gericht aan A te Antwerpen in België, waarop telefoonkaarten van Nederlandse telecomproviders in rekening worden gebracht. Voorts volgt uit de boekhouding dat de facturen allemaal contant zijn betaald en de zendingen telefoonkaarten door B uit Rotterdam naar Antwerpen zijn vervoerd en aldaar bij A zijn afgeleverd. Feitelijk zouden deze aan A gefactureerde telefoonkaarten evenwel nimmer bij A zijn afgeleverd, maar vanaf het bedrijfsadres van verdachte zijn afgeleverd bij personen op diverse locaties in Rotterdam. Voor het ondertekenen van de noodzakelijke afleveringsbescheiden door een functionaris van A te Antwerpen, zou gebruik worden gemaakt van een “stroman”, betrokkene 2, door wie de facturen en pakbonnen van verdachte voor ontvangst werden afgestempeld en ondertekend. De aan verdachte toekomende gelden zouden door diverse verdachten contant op de rekening van verdachte zijn gestort, waartoe door verdachte een bankpasje beschikbaar werd gesteld. Het gestorte geld werd door de diverse verdachten voorafgaande aan de stortingen opgehaald (op het kantooradres) bij de personen in Rotterdam alwaar de telefoonkaarten zijn afgeleverd. Deze laatste personen hebben de telefoonkaarten vervolgens op de Nederlandse markt verkocht.

Door deze handelswijze is bewerkstelligd dat door verdachte telefoonkaarten ten onrechte, nu de transacties feitelijk geen intracommunautaire leveringen betroffen, zonder omzetbelasting zijn verkocht en geleverd. Medeverdachte wordt, als directeur en leidinggevende functionaris van verdachte, verweten daaraan feitelijk leiding te hebben gegeven.

Middel

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring.

Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat “zij in de periode van 01 juli 2003 tot en met 06 mei 2004 te Breda en/of Heerlen en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de maanden juli 2003 tot en met april 2004 (op naam van verdachte) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde maanden juli 2003 tot en met april 2004 telkens een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl die feiten telkens er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven.”

Beoordeling Hoge Raad

Het middel klaagt onder meer dat uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat door de verdachte in de periode juli 2003 tot en met april 2004 telkens op de aangiftebiljetten omzetbelasting een te laag belastbaar bedrag is opgegeven.

Die klacht berust op de opvatting dat in een geval als het onderhavige waarin - ook al noopt art. 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen daartoe niet - niet alleen ten laste is gelegd dat onjuiste of onvolledige aangiften zijn gedaan, maar ook dat in die aangiften een te laag belastbaar bedrag is opgegeven, dat laatste slechts kan worden bewezen indien vaststaat dat het werkelijk in aanmerking te nemen bedrag hoger is. Deze opvatting is juist.

Het Hof heeft dat miskend. Het Hof had, in aanmerking genomen het in hoger beroep gevoerde verweer dat blijkens de uitspraak van 2 juli 2010 van de belastingkamer van het Hof de aan de verdachte in rekening gebrachte omzetbelasting in de aangiften terecht in vooraftrek is gebracht, niet in het midden mogen laten hoe die uitspraak zich verhoudt tot de vraag of het werkelijk in aanmerking te nemen belastbare bedrag hoger is dan het door de verdachte opgegeven belastbare bedrag. Daarom is de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat "zij immers telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde maanden juli 2003 tot en met april 2004 telkens een te laag belastbaar bedrag aan belasting heeft opgegeven", ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is dus in zoverre gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Delikt en Delinkwent Fiscaal strafrecht

In deze rubriek is een overzicht opgenomen van de recente jurisprudentie op het gebied van het fiscale strafrecht. Het betreft de EHRM-uitspraak over het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013 over de mogelijke schending van het nemo tenetur-beginsel van de belastingplichtige in relatie tot de inlichtingenverplichtingen jegens de fiscus. Daarna worden het recente arrest van de Hoge Raad over de administratieplicht in relatie tot artikel 69 AWR en ten slotte de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch over de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR besproken. Als laatste is opgenomen het protocol AAFD dat op 1 juli 2015 in werking is getreden en de Richtlijnen AAFD vervangt. Lees verder:

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op Delikt en Delinkwent.

 

Print Friendly and PDF ^

HR oordeelt over strekkingsvereiste art. 69 Awr. Gedraging moet "naar haar aard in het algemeen geschikt zijn om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven".

Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3431 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren wegens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de wijze van aangifte niet de strekking had dat minder belasting werd geheven. Er is dus geen overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De raadsman voegt hier nog aan toe dat het feit een zuiver voorbeeld betreft van oplichting (artikel 326 Sr), nu er immers geld is gevraagd en verkregen wat niet aan de verdachte toekwam. Dit feit is echter niet ten laste gelegd, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 23) is voor de vaststelling of een gedraging voornoemde strekking heeft, bepalend of de gedraging gezien de effecten die dergelijke gedragingen in het algemeen plegen te hebben, als gevolg heeft dat te weinig belasting wordt geheven. De in dit feit omschreven gedragingen zijn, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Aan het strekkingsvereiste is derhalve ten aanzien van dit feit voldaan. Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat verdachte voor oplichting vervolgd had kunnen worden, overweegt het hof dat het de bevoegdheid is van het openbaar ministerie om te beslissen op welke wijze en in welke vorm dit een gedraging als de onderhavige te laste legt.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte onder dreiging van strafvervolging en een gevangenisstraf stukken ter onderbouwing van zijn aangifte aan de Belastingdienst heeft verstrekt. Nu het hier om wilsafhankelijk materiaal gaat, is deze gang van zaken in strijd met artikel 6 van het EVRM. De verdediging verbindt hieraan de conclusie dat alle door verdachte na de door de ambtenaren uitgeoefende druk overgelegde stukken niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat het gebruik van deze stukken in strijd is met het beginsel dat een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken (nemo tenetur). Nu aan de hand van de overgelegde stukken nader onderzoek is gedaan, dienen vervolgens ook de getuigenverklaringen en overige stukken te worden uitgesloten van het bewijs. Deze bewijsuitsluiting dient tot vrijspraak te leiden van het tenlastegelegde feit, aldus de raadsman.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof is van oordeel dat de door verdachte aan de Belastingdienst overgelegde stukken materiaal betreft dat onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat. Het gebruik daarvan als bewijsmiddel is om die reden niet in strijd met het nemo tenetur-beginsel en kan dan ook als bewijs in de strafprocedure worden betrokken. Naar het oordeel van het hof is bovendien op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat door de controle-ambtenaren handelingen zijn verricht die in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM. De enkele omstandigheid dat verdachte is gewezen op mogelijke strafrechtelijke consequenties van het niet voldoen aan een wettelijke verplichting, doet daar niet aan af en levert geen zodanige ontoelaatbare druk op dat sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM."

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde handelingen ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel berust op de opvatting dat een aangifte die is gedaan naar aanleiding van 'fictieve' handel teneinde ten onrechte teruggaven van omzetbelasting te bewerkstelligen, niet heeft te gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR omdat zo een aangifte niet ertoe kan strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Die opvatting is onjuist, omdat - blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 weergegeven wetsgeschiedenis - de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of die gedraging - in dit geval het ten onrechte claimen van belastingteruggaven - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven (vgl. HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2493).

Het middel faalt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^