HR oordeelt over strekkingsvereiste art. 69 Awr. Gedraging moet "naar haar aard in het algemeen geschikt zijn om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven".

Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3431 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren wegens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de wijze van aangifte niet de strekking had dat minder belasting werd geheven. Er is dus geen overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De raadsman voegt hier nog aan toe dat het feit een zuiver voorbeeld betreft van oplichting (artikel 326 Sr), nu er immers geld is gevraagd en verkregen wat niet aan de verdachte toekwam. Dit feit is echter niet ten laste gelegd, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 23) is voor de vaststelling of een gedraging voornoemde strekking heeft, bepalend of de gedraging gezien de effecten die dergelijke gedragingen in het algemeen plegen te hebben, als gevolg heeft dat te weinig belasting wordt geheven. De in dit feit omschreven gedragingen zijn, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Aan het strekkingsvereiste is derhalve ten aanzien van dit feit voldaan. Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat verdachte voor oplichting vervolgd had kunnen worden, overweegt het hof dat het de bevoegdheid is van het openbaar ministerie om te beslissen op welke wijze en in welke vorm dit een gedraging als de onderhavige te laste legt.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte onder dreiging van strafvervolging en een gevangenisstraf stukken ter onderbouwing van zijn aangifte aan de Belastingdienst heeft verstrekt. Nu het hier om wilsafhankelijk materiaal gaat, is deze gang van zaken in strijd met artikel 6 van het EVRM. De verdediging verbindt hieraan de conclusie dat alle door verdachte na de door de ambtenaren uitgeoefende druk overgelegde stukken niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat het gebruik van deze stukken in strijd is met het beginsel dat een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken (nemo tenetur). Nu aan de hand van de overgelegde stukken nader onderzoek is gedaan, dienen vervolgens ook de getuigenverklaringen en overige stukken te worden uitgesloten van het bewijs. Deze bewijsuitsluiting dient tot vrijspraak te leiden van het tenlastegelegde feit, aldus de raadsman.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof is van oordeel dat de door verdachte aan de Belastingdienst overgelegde stukken materiaal betreft dat onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat. Het gebruik daarvan als bewijsmiddel is om die reden niet in strijd met het nemo tenetur-beginsel en kan dan ook als bewijs in de strafprocedure worden betrokken. Naar het oordeel van het hof is bovendien op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat door de controle-ambtenaren handelingen zijn verricht die in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM. De enkele omstandigheid dat verdachte is gewezen op mogelijke strafrechtelijke consequenties van het niet voldoen aan een wettelijke verplichting, doet daar niet aan af en levert geen zodanige ontoelaatbare druk op dat sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM."

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde handelingen ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel berust op de opvatting dat een aangifte die is gedaan naar aanleiding van 'fictieve' handel teneinde ten onrechte teruggaven van omzetbelasting te bewerkstelligen, niet heeft te gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR omdat zo een aangifte niet ertoe kan strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Die opvatting is onjuist, omdat - blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 weergegeven wetsgeschiedenis - de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of die gedraging - in dit geval het ten onrechte claimen van belastingteruggaven - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven (vgl. HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2493).

Het middel faalt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF