Opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting enkel strafbaar indien het werkelijke belastbaar bedrag hoger is

Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3432 Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch verdachte veroordeeld tot een geldboete van €540.000 wegens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (feit 1).

Het gaat in deze zaak om schijnleveringen van prepaidtelefoonkaarten door verdachte aan een in het buitenland gevestigde ondernemer met het doel het plegen van BTW-fraude. Door verdachte zijn prepaidtelefoonkaarten ingekocht en vervolgens doorverkocht. Een groot deel van deze telefoonkaarten zou aan het Belgische bedrijf A zijn doorgeleverd. Calling Card, de onderneming waar de telefoonkaarten door verdachte hoofdzakelijk werden ingekocht, heeft bij de verkoop omzetbelasting in rekening gebracht, hetgeen door verdachte als voorbelasting is afgetrokken. Door verdachte is bij het doorleveren van de telefoonkaarten aan A geen BTW in rekening gebracht en afgedragen.

In de boekhouding van verdachte zijn verkoopfacturen opgenomen gericht aan A te Antwerpen in België, waarop telefoonkaarten van Nederlandse telecomproviders in rekening worden gebracht. Voorts volgt uit de boekhouding dat de facturen allemaal contant zijn betaald en de zendingen telefoonkaarten door B uit Rotterdam naar Antwerpen zijn vervoerd en aldaar bij A zijn afgeleverd. Feitelijk zouden deze aan A gefactureerde telefoonkaarten evenwel nimmer bij A zijn afgeleverd, maar vanaf het bedrijfsadres van verdachte zijn afgeleverd bij personen op diverse locaties in Rotterdam. Voor het ondertekenen van de noodzakelijke afleveringsbescheiden door een functionaris van A te Antwerpen, zou gebruik worden gemaakt van een “stroman”, betrokkene 2, door wie de facturen en pakbonnen van verdachte voor ontvangst werden afgestempeld en ondertekend. De aan verdachte toekomende gelden zouden door diverse verdachten contant op de rekening van verdachte zijn gestort, waartoe door verdachte een bankpasje beschikbaar werd gesteld. Het gestorte geld werd door de diverse verdachten voorafgaande aan de stortingen opgehaald (op het kantooradres) bij de personen in Rotterdam alwaar de telefoonkaarten zijn afgeleverd. Deze laatste personen hebben de telefoonkaarten vervolgens op de Nederlandse markt verkocht.

Door deze handelswijze is bewerkstelligd dat door verdachte telefoonkaarten ten onrechte, nu de transacties feitelijk geen intracommunautaire leveringen betroffen, zonder omzetbelasting zijn verkocht en geleverd. Medeverdachte wordt, als directeur en leidinggevende functionaris van verdachte, verweten daaraan feitelijk leiding te hebben gegeven.

Middel

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring.

Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat “zij in de periode van 01 juli 2003 tot en met 06 mei 2004 te Breda en/of Heerlen en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de maanden juli 2003 tot en met april 2004 (op naam van verdachte) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde maanden juli 2003 tot en met april 2004 telkens een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl die feiten telkens er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven.”

Beoordeling Hoge Raad

Het middel klaagt onder meer dat uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat door de verdachte in de periode juli 2003 tot en met april 2004 telkens op de aangiftebiljetten omzetbelasting een te laag belastbaar bedrag is opgegeven.

Die klacht berust op de opvatting dat in een geval als het onderhavige waarin - ook al noopt art. 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen daartoe niet - niet alleen ten laste is gelegd dat onjuiste of onvolledige aangiften zijn gedaan, maar ook dat in die aangiften een te laag belastbaar bedrag is opgegeven, dat laatste slechts kan worden bewezen indien vaststaat dat het werkelijk in aanmerking te nemen bedrag hoger is. Deze opvatting is juist.

Het Hof heeft dat miskend. Het Hof had, in aanmerking genomen het in hoger beroep gevoerde verweer dat blijkens de uitspraak van 2 juli 2010 van de belastingkamer van het Hof de aan de verdachte in rekening gebrachte omzetbelasting in de aangiften terecht in vooraftrek is gebracht, niet in het midden mogen laten hoe die uitspraak zich verhoudt tot de vraag of het werkelijk in aanmerking te nemen belastbare bedrag hoger is dan het door de verdachte opgegeven belastbare bedrag. Daarom is de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat "zij immers telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde maanden juli 2003 tot en met april 2004 telkens een te laag belastbaar bedrag aan belasting heeft opgegeven", ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is dus in zoverre gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF