Hawala-bankieren: Vrijspraak witwassen, veroordeling voor medeplegen art. 2:3a Wft.

Rechtbank Rotterdam 21 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4867 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van illegale geldtransacties. De verdachte heeft gedurende een half jaar veelvuldig grote contante geldbedragen buiten het formele geldcircuit verplaatst, uitbetaald of ontvangen. De verdachte heeft samen met anderen de voornoemde geldtransfers bedrijfsmatig als betaaldienstverlener verricht zonder te beschikken over een daartoe door de Nederlandse Bank verleende vergunning, dan wel een door die instelling geregelde vrijstelling. De verdachte heeft zich zodoende onttrokken aan de regels van het financiële toezichtrecht.

Verdachte heeft voorts ongeveer 95 gram hasjiesj voorhanden gehad. Hasjiesj is een voor de volksgezondheid schadelijke stof en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst.

Feiten 1 en 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging met anderen meerdere geldbedragen krachtens (gewoonte)witgewassen. In de voornoemde periode heeft de verdachte dertien keer geld overgedragen en een substantieel geldbedrag voorhanden gehad in zijn woning in het kader van een criminele vorm van Hawala-bankieren. De feiten en omstandigheden in deze zaak en de werkwijze met betrekking tot het bankieren zijn zodanig dat kan worden geoordeeld dat het geld van voorafgaande misdrijven afkomstig is. De verdachten maakten gebruik van versluierende taal en op de handelingen die in deze zaak zijn waargenomen, zijn verschillende FATF typologieën van toepassing. De verdachte heeft daar geen enkele, laat staan verifieerbare, verklaring omtrent de herkomst van het geld tegenovergesteld. Voorts kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bankieren zonder vergunning, strafbaar gesteld op grond van de Wet financieel toezicht. De verdachte brengt en haalt zelf geld. Bij hem thuis is een token aangetroffen van een overdracht, die binnen de onderzoeksperiode valt. Dat duidt op zelf geld transporteren. Hij bemiddelde ook bij een tweetal transacties waarbij het daadwerkelijke ophalen of brengen door een ander, in casu medeverdachte 1 werd gedaan. Dan heeft hij de rol van onderbankier.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van vermogensbestanddelen ‘afkomstig uit enig misdrijf’ voorafgaand aan het voorhanden hebben en het overdragen daarvan in de zin van artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de jurisprudentie kan niet worden volstaan met de typologieën van witwassen, indien duidelijk is dat het transacties in het kader van Hawala-bankieren betreft. Het dossier bevat geen aanwijzing die wijst op een ander gronddelict, anders dan de betrokkenheid van cliënt als koerier bij het Hawala-bankieren, waaruit de gelden zouden zijn voortgevloeid. Tevens kan niet worden bewezen dat cliënt op de hoogte zou zijn geweest van een mogelijk criminele herkomst van de verschillende geldbedragen.

Daarnaast is vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde, nu de verdachte slechts als koerier heeft gewerkt en deze feitelijke gedraging onvoldoende is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte op het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener.

Beoordeling rechtbank

‘van misdrijf afkomstig’

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier de schriftelijke weergave van afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten bevindt met telefoonnummers die aan de verdachte en respectievelijk medeverdachte 1 worden toegeschreven. De gesprekken en berichten hebben een versluierend, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. In deze gesprekken wordt (onder meer) gesproken over het geven van ‘het toevertrouwde’, er worden nummers en adressen doorgegeven en soms worden kennelijk telefoonnummers van contactpersonen doorgegeven. Ook is er sprake van zogenoemde ‘tokens’ die kennelijk fungeren als legitimatie voor de afleveraars van de geldbedragen, zoals bij Hawala-bankieren gebruikelijk is. Tevens is gebleken dat door de verdachte met diverse contacten afspraken worden gemaakt die deels zijn geobserveerd, waarbij het vermoeden is ontstaan dat hierbij geldbedragen worden ontvangen of afgeleverd. De waarnemingen bij observaties op 14 november 2012 en 21 februari 2013 sluiten aan op de informatie in tapgesprekken en berichten. Op 14 november 2012 is na een overdracht een geldbedrag van 17.400 euro aangetroffen bij een medeverdachte, waarbij betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte medeverdachte 1 aannemelijk is. Tevens is bij een doorzoeking van de woning van de verdachte een geldbedrag van 99.860 euro aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als koerier ter zake van Hawala-bankieren geld van A naar B bracht. Tevens heeft hij verklaard dat het geld, dat tijdens de doorzoeking in zijn woning in beslag genomen is, de voorraad betreft die hij als koerier van Hawala-bankieren voorhanden had en niet zijn eigen geld betreft.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig concreet misdrijf afkomstig zijn van de geldbedragen die onder de verdachte in beslag zijn genomen. De verdachte heeft ter terechtzitting een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring afgelegd.

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de verdachte betrokken was bij het zogenoemde Hawala-bankieren. Voorts is het niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk dat hij het onder hem in beslag genomen geld uit dien hoofde voorhanden had. Gelet daarop en op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren is het enkele voorkomen van omstandigheden zoals hier aan de orde - wat er ook zij van een verschijningsvorm die doet denken aan voorbeelden uit de reeks witwas-typologieën - in dit geval onvoldoende om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat de verdachte zich bezig hield met witwassen. Nu het dossier overigens geen op witwassen duidende aanwijzingen bevat die niet door verdachtes werkzaamheden binnen het Hawala-bankieren (kunnen) worden verklaard en niet is komen vast te staan dat de bij hem aangetroffen geldbedragen zien op mogelijke opbrengsten of verdiensten daaruit en evenmin is gebleken dat verdachte op de hoogte zou zijn geweest van een mogelijk criminele herkomst van de verschillende geldbedragen uit strafbare feiten door anderen gepleegd dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Beoordeling van de rechtbank ten aanzien van feit 2

‘medeplegen’

Aan de verdachte wordt onder 2 verweten dat hij - tezamen en in vereniging met anderen - zonder vergunning betaaldiensten heeft verricht door geldtransacties en/of geldtransfers uit te voeren en/of gelden heeft ontvangen en/of beschikbaar gesteld en/of gehouden, namelijk ten aanzien van de geldbedragen opgenomen in het onder 2 ten laste gelegde.

Overdracht 26 september 2012

Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten kwam naar voren dat de verdachte op 26 september 2012 een telefoonnummer ontving van zijn opdrachtgever in Marokko. De verdachte neemt contact op met dit telefoonnummer en maakt een afspraak met een NN-man. De verdachte stuurt medeverdachte 1 naar de ontmoeting met NN-man en laat de NN-man weten dat hij ‘het toevertrouwde moet geven’. NN-man heeft nummer ‘26’. Na de ontmoeting laat medeverdachte 1 aan de verdachte weten dat alles klopt, de verdachte rapporteert dit vervolgens weer terug naar zijn opdrachtgever in Marokko.

Overdacht 14 november 2012

Op 12 november 2012 werd verdachte gebeld door één van zijn Marokkaanse opdrachtgevers, genaamd opdrachtgever . opdrachtgever zei tegen verdachte dat hij woensdag gebeld zou worden door iemand aan wie hij 17.400 moet geven. Op 14 november 2012 werd verdachte gebeld door een NN-man, die later medeverdachte 2 genaamd bleek te zijn. De verdachte en medeverdachte 2 spraken af elkaar te ontmoeten in de adres . Tijdens observatie werd gezien dat verdachte in het voertuig van medeverdachte 2 plaatsnam. De verdachte belde vervolgens met opdrachtgever . Uit dat gesprek bleek dat verdachte dacht dat zijn contact "zou geven". opdrachtgever zei dat verdachte "moet geven". verdachte belde vervolgens naar medeverdachte 1 en zei dat medeverdachte 1 17.400 moet geven aan iemand die hij naar hem stuurt. Tijdens observatie werd gezien dat medeverdachte 2 een ontmoeting had met medeverdachte 1 in Nieuwegein. Beiden namen vervolgens korte tijd plaats in de auto van medeverdachte 1 , waarna beiden weer plaats namen in hun eigen auto. medeverdachte 1 belde vervolgens met verdachte en zei dat "hij hem het toevertrouwde heeft gegeven". medeverdachte 2 belde vervolgens met verdachte en zei dat het goed was; hij alleen biljetten van 20 had gekregen; hij het niet geteld had en het zo mee zou nemen. Kort hierna werd medeverdachte 2 op heterdaad aangehouden en werd in zijn auto een stoffen zak met 17.400 euro aangetroffen.

Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten is gebleken dat ook bij de andere ten laste gelegde transacties de verdachte contact had met één van zijn opdrachtgevers in Marokko, de verdachte contact opneemt met een derde, in die gesprekken veelal (huis)nummers worden genoemd en er vervolgens een ontmoeting plaatsvindt tussen de verdachte en die derde, waarna de verdachte tot slot weer contact opneemt met zijn opdrachtgever in Marokko.

Gelet op de afgeluisterde tapgesprekken tussen de verdachte en één van de opdrachtgevers in Marokko en de hoogte van de inbeslaggenomen geldbedragen stelt de rechtbank vast dat de in de gesprekken genoemde nummers, getallen betreffen die staan voor het geldbedrag dat dient te worden overgedragen. Deze ‘nummers’ dienen voor de juiste hoogte van het geldbedrag te worden vermenigvuldigd met 1000.

Artikel 2:3a, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) verbiedt het zonder vergunning van de Nederlandsche Bank uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. De Wft onderscheidt in dit verband zeven soorten betaaldiensten (welke afkomstig zijn uit de bijlage bij de Europese richtlijn voor betaaldiensten 2007/64/EG), waaronder geldtransfers, die als volgt nader worden omschreven:

Van het verlenen van de dienst ‘geldtransfer’ is sprake als, zonder dat een rekening wordt geopend, van een betaler geld wordt ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken rechtstreeks aan een begunstigde dan wel aan een andere betalingsdienstverlener die de gelden aan de uiteindelijk begunstigde uitkeert.

Geldtransfers (of moneytransfers) worden in de praktijk vooral verleend ten behoeve van het overmaken van geld naar begunstigden in het buitenland, met name naar landen met een minder ontwikkeld banksysteem en waar het gebruik van bankrekeningen minder voorkomt. Ook voor onverwachte spoedbetalingen wordt wel van geldtransfers gebruik gemaakt.

Voor medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bijdrage aan het delict dient van voldoende intellectueel of materieel gewicht te zijn.

Nu de verdachte zeer intensief contact onderhield met zijn opdrachtgevers in Marokko, er sprake was van een hoge frequentie aan transacties, de verdachte een groot geldbedrag in zijn woning voorhanden had en ten minste in twee gevallen medeverdachte 1 aanstuurde in het kader van Hawala-bankieren, behelst het feitelijk handelen van de verdachte meer dan het slechts fungeren als geldkoerier. De verdachte heeft met zijn handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan het strafbare feit. De verdachte kan derhalve worden aangemerkt als medepleger en heeft samen met anderen het bedrijf van betaaldienstverlener uitgeoefend.

Feiten 3 en 4

De officier van justitie acht het onder 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De ploertendoder is in de woning van de verdachte aangetroffen. Dat is een ploertendoder als genoemd in art 2 lid 1 onder g van de Regeling wapens en munitie, ofwel een wapen van de categorie 1 onder 3 van de WWM (als bedoeld onder artikel 2, lid 1, WWM).

De hasj is in de berging van de woning van de verdachte aangetroffen. Het plakje is positief getest op THC. Ook het NFI heeft vastgesteld dat het hasjiesj betreft.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 en 4 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat de enkele vondst van beide zaken in de berging en de woonkamer onvoldoende wettig bewijs is voor de wetenschap en dus van het voorhanden hebben van beide zaken. Er kwam veel familie bij de verdachte thuis. Bovendien heeft de schoonvader van verdachte enkele dagen in de woonkamer gelogeerd. Er bestaat een reële mogelijkheid dat een ander de voorwerpen daar heeft geplaatst.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt vast dat tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte in een lade van een kast in de woonkamer een ploertendoder is aangetroffen. Daarnaast is in de berging van voornoemde woning in een doos en daarin een plastic zak met een plakje hasj aangetroffen.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling als uitgangspunt dat de eigenaar tevens gebruiker van een pand in beginsel geacht wordt wetenschap te hebben van zich in dat pand bevindende goederen. Daarnaast constateert de rechtbank dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht en dus zelf geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de ploertendoder en de hasj in zijn woning.

Daar staat naar het oordeel van de rechtbank tegenover dat de woonkamer van de woning van verdachte een centrale plaats in de woning is, die tevens makkelijk toegankelijk is voor anderen dan de verdachte, hetgeen ook blijkt uit de verklaring van mevrouw getuige , inhoudende dat haar schoonvader een aantal nachten bij hen in de woonkamer logeerde. De rechtbank acht het onder voornoemde omstandigheden niet uitgesloten dat een ander dan verdachte de ploertendoder in de lade van de kast heeft achtergelaten, hetgeen namens verdachte, bij monde van diens advocaat naar voren is gebracht. Daar komt bij dat uit het dossier geen enkel feit of omstandigheid naar voren is gekomen waaruit het bewustzijn van de aanwezigheid van het wapen in de woning kan worden afgeleid. Niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het wapen voorhanden heeft gehad dan wel dat het wapen zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

Dit is anders voor het onder 4 tenlastegelegde feit. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hasj in de berging van zijn woning voorhanden heeft gehad. De hasj bevond zich in de berging van de woning van de verdachte, wat naar het oordeel van de rechtbank een minder toegankelijke plek in de woning is. Gesteld noch gebleken is dat ook anderen toegang hadden tot deze berging. Derhalve kan het niet anders dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de drugs. De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  • Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 175 dagen. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Toezichthouders AFM en DNB krijgen meer mogelijkheden voor waarschuwingen, vergelijkingen en weerwoord

Op 20 juni jl. is het concept wetsvoorstel transparant toezicht financiële markten ter consultatie aangeboden. Het concept wetsvoorstel beoogt een transparanter toezicht op financiële markten mogelijk te maken door een viertal wijzigingen van Afdeling 1.5.2 van de Wet op het financieel toezicht.

  1. Een uitbreiding van de mogelijkheden van de toezichthouders om een openbare waarschuwing uit te vaardigen.
  2. Een bevoegdheid voor AFM en DNB om namen van afzonderlijke instellingen te noemen wanneer zij resultaten van themaonderzoeken naar de mate van naleving en risico's voor de naleving, bekend maken.
  3. Een mogelijkheid voor de toezichthouders om te kunnen reageren op mededelingen van instellingen over het toezicht.
  4. Een grondslag voor DNB om bij amvb aan te wijzen kerncijfers van banken te publiceren.

Het voornemen bestaat om de bevoegdheden 2 en 3 ook in de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling op te nemen, voor zover deze daar nog niet in zijn opgenomen.

Het concept wetsvoorstel geeft de toezichthouders nieuwe bevoegdheden tot publicatie van informatie. Hierdoor wordt het toezicht transparanter. Deze nieuwe bevoegdheden sluiten aan bij bestaande praktijken. De bevoegdheden zullen worden toegepast op reeds bij de toezichthouder aanwezige informatie zodat het gebruik van die nieuwe bevoegdheden niet tot nieuwe kosten zal leiden.

Meer informatie: 

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe editie Tijdschrift voor Financieel Recht

In de week van 13 juni is een nieuwe editie verschenen van het Tijdschrift voor Financieel Recht, nr. 6. 

Inhoud

Artikel

Nieuws

mr. M.L.H. Lukkes, mr. M.J. van Loopik en mr. W.M. Haverkamp 

Jurisprudentie

Klik hier voor meer informatie. 
Print Friendly and PDF ^

OM niet ontvankelijk: Vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR van toepassing.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4345 Aan verdachte is valsheid in geschrifte ten laste gelegd (art. 225 lid 2 Sr). De verdediging heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard, omdat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het tweede lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat verdachte niet de normadressaat is van artikel 69 AWR zodat hem geen beroep toekomt op de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, AWR.

Beoordeling hof

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde feit ziet op het strafbare feit van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 47 Sr, te weten het medeplegen van het tegenover de Belastingdienst opzettelijk gebruik maken van een valselijk opgemaakte koopovereenkomst. Indien dat feit tevens zou opleveren handelen in strijd met artikel 68, tweede lid, AWR, zou vervolging ter zake van art. 225 Sr. uitgesloten zijn.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bedrijf 1 BV is opgericht op 8 december 1989. Bedrijf 1 had onroerend goed. Zij heeft dat op 12 maart 1997 voor 25 miljoen gulden verkocht waardoor zij een boekwinst behaalde van bijna 15 miljoen gulden. Voor deze boekwinst heeft zij een vervangingsreserve gevormd zodat belastingheffing over deze winst kon worden uitgesteld.

Bij koopakte van 29 mei 1998, heeft bedrijf 3, onderdeel van het bedrijf 4, waarvan ook bedrijf 5 BV deel uitmaakte, alle aandelen in bedrijf 1 gekocht. In de aankoopakte is de koper vertegenwoordigd door een trustkantoor, trustkantoor BV, in de persoon van getuige 1 die de koopakte namens de koper heeft ondertekend.

De aandelen zijn geleverd op 17 juni 1998. Sinds die datum is bedrijf 5 de directeur van bedrijf 1. Medeverdachte medeverdachte staat sinds 2 maart 2001 ingeschreven als bestuurder van bedrijf 5. Uit de verklaringen van de getuigen getuige 2 en getuige 1 valt echter af te leiden dat medeverdachte ook in 1998 degene was die in bedrijf 5 de beslissingen nam en zich als bestuurder manifesteerde.

Op 10 juli 2001 vond een bespreking plaats tussen de heer naam van de Belastingdienst enerzijds en getuige 1, medeverdachte en fiscaal adviseur financieel adviseur namens bedrijf 5 anderzijds in het kader van de aangifte vennootschapsbelasting van bedrijf 1.

Namens bedrijf 5 als directeur van bedrijf 1 is toen onder andere een koopakte, eveneens ondertekend op 29 mei 1998, aan de Belastingdienst overhandigd.

Volgens die laatstgenoemde koopakte, waarbij partij zouden zijn bedrijf 1 en de Zweedse vennootschap bedrijf 2, kocht bedrijf 1 op die 29ste mei 1998 van bedrijf 2 99% van de aandelen in firma. De koopprijs zou zijn geweest 25 miljoen gulden, waarvan aanstonds 3.254.064 gulden diende te worden betaald, terwijl volgens de koopakte de koper, zijnde bedrijf 1, de rest van de koopsom van de verkoper, zijnde bedrijf 2 leende tegen een rente van 6,5 % rente per jaar. Verdachte heeft die koopakte namens gemachtigde als gemachtigde van bedrijf 2 en volgens zijn eigen verklaring als vertegenwoordiger van bedrijf 2 ondertekend.

De hiervoor vermelde koopovereenkomst firma is op 10 juli 2001 aan de Belastingdienst overgelegd ten bewijze van het feit dat bedrijf 1 in Zweden door aankoop van aandelen in een Zweedse vennootschap onroerend goed had verworven dat 25 miljoen gulden waard was, zodat was voldaan aan de vervangingsverplichting en dus belastingheffing over de in 1997 behaalde boekwinst nog geruime tijd zou kunnen uitblijven.

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst in strijd met de waarheid is opgemaakt en bedrijf 1 in Zweden in het geheel geen onroerend goed heeft verworven. De koopovereenkomst is -aldus het openbaar ministerie- vals opgemaakt om vennootschapsbelasting te 'ontduiken'. Door zo te handelen is de fiscus voor een fors bedrag benadeeld. Het openbaar ministerie verdenkt verdachte ervan om samen met bedrijf 1, in de persoon van medeverdachte medeverdachte, deze constructie te hebben bedacht en uitgevoerd.

Het hof is van oordeel dat de verdenking van het aan de inspecteur overhandigen en verstrekken van een valse overeenkomst, o.a. ten doel hebbende de toepassing van de vervangingsreserve te verkrijgen, ook onder de strafbepalingen in de AWR, te weten artikel 69, eerste en tweede lid juncto artikel 68, eerste lid AWR, kan worden gebracht, weshalve vervolging op de voet van artikel 225, tweede lid Sr uitgesloten is.

Daaraan doet niet af dat verdachte niet de rechtstreekse normadressaat is van artikel 69 AWR. Verdachte is ten laste gelegd dat hij als medepleger betrokken is geweest bij het overleggen van een vals bescheid aan de inspecteur van de Belastingdienst. Als medepleger kan hij ook de fiscale misdrijven begaan (zie ook HR 6 maart 2012 LJN: BQ8596). Daaraan doet niet af dat verdachte niet zelf inlichtingen- en aangifteplichtig is, maar zijn medeverdachte(n). Evenmin staan het tijdsverloop tussen de handelingen van verdachte en het moment van overhandigen van de valse overeenkomst aan de Belastingdienst aan dat oordeel in de weg noch het andere strafmaximum verbonden aan artikel 69, eerste lid, AWR.

Het openbaar ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Rechtsbescherming tegen handelingen van DNB en de AFM'

Aan DNB en de AFM zijn in de afgelopen jaren steeds meer bevoegdheden toegekend. Deze bijdrage onderzoekt of het (feitelijke) niveau van rechtsbescherming gelijke tred heeft gehouden met de toegenomen slagkracht van DNB en de AFM. Op basis van zowel dogmatische als praktische observaties wordt gesteld dat de rechtsbescherming op onderdelen (ernstig) te wensen overlaat. Daarbij wordt onder meer toegelicht dat toezichthouders in toenemende mate gebruikmaken van informele handhavingsinstrumenten waartegen geen bezwaar of beroep open staat.

In dat verband wordt ook aandacht besteed aan de bevoegdheid van DNB en de AFM om bestuurders en commissarissen te (her)toetsen. Voorts komen de ongewenste effecten van de in artikel 1:25d Wft verankerde aansprakelijkheidsbeperking aan bod, die zich met name doen gelden waar het besluiten betreft die getoetst kunnen worden door de bestuursrechter zoals boete- en publicatiebesluiten. Separate aandacht wordt geschonken aan het beperkte nut van de bezwarenprocedure en het ontbreken van appelmogelijkheden bij bestuursrechtelijke voorlopige voorzieningenprocedures. Ten slotte worden enkele aspecten van de openbaarheid van rechtspraak belicht.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

AFM publiceert rapport n.a.v. onderzoek naar high frequency handelsstrategieën

Zoals in haar Activiteitenagenda 2015 werd aangekondigd, heeft de Autoriteit Financiële Markten vorig jaar een verdiepend onderzoek gedaan naar de handelsstrategieën van high frequency traders (HFT) en naar hun wisselwerking met de handelsinfrastructuur. De AFM heeft de kritieken op high frequency trading geïnventariseerd en onderzoek verricht naar twee bekritiseerde handelsstrategieën. De AFM heeft op 2 juni jl. de resultaten van dit onderzoek gepubliceerd in het rapport 'A case analysis of critiques on high‐frequency trading'.

De conclusie is, dat de gevonden handelsstrategieën zijn te herleiden tot traditionele verdienmodellen, zoals market making en arbitrage. De AFM ziet daarbij wel dat het huidige gefragmenteerde beurzenlandschap en de vergaande technologisering van de handel vooral voor grote beleggers een praktische uitdaging vormt om goed zicht op liquiditeit te krijgen. Dit maakt het bijvoorbeeld voor pensioen- en beleggingsfondsen lastiger om bij de uitvoering van grote orders de prijsimpact zoveel mogelijk te beperken.

Door literatuurstudies en gesprekken met stakeholders is het ‘fenomeen van schijnliquiditeit door HFT’ geanalyseerd. Verder werd mede door data analyse beoordeeld of HFT kunnen voorspellen waar liquiditeit van andere marktpartijen terecht zal gaan komen, waardoor de handelsmogelijkheden voor overige marktpartijen belemmerd zouden kunnen worden.

Onderzoek ‘schijnliquiditeit’

Door nieuwe toepassingen van technologie in de marktinfrastructuur en bij marktpartijen kunnen orderboeken tegenwoordig snel veranderen. Een belegger denkt te kunnen handelen, maar slaagt hier niet in omdat plotseling orders lijken te verdwijnen. Beleggers percipiëren dit als schijnliquiditeit en wijten dit aan het handelsgedrag van high frequency traders. Het is typerend handelsgedrag van sommige high frequency traders om veelvuldig orders aan te passen of in te trekken. Deze 'vluchtige' orders kunnen beleggers op het verkeerde been zetten. Het  snel en veelvuldig aanpassen of intrekken van orders is een essentieel onderdeel van een veel voorkomend verdienmodel, namelijk market making, zo stelt de AFM.

Onderzoek ‘opsporen van liquiditeit’

Een ander veel gehoord kritiekpunt is de handelsstrategie waarbij high frequency traders op basis van deeluitvoeringen van veelal grote beleggers zouden kunnen voorspellen waar liquiditeit terecht gaat komen. HFT kopen of verkopen dan liquiditeit op andere handelsplatformen voor de beleggers uit, zo luidt de kritiek. Vervolgens zouden HFT de ingekomen positie kunnen sluiten op een gunstiger prijs, weer met de belegger als tegenpartij. Door toedoen van HFT zouden beleggers dus meer betalen bij een aankoop of minder ontvangen bij een verkoop.

De AFM heeft het handelsgedrag van HFT geanalyseerd rondom de uitvoering van een vijftal grote orders op Nederlandse en Engelse handelsplatformen. Binnen de reikwijdte van de Nederlandse jurisdictie werd in deze cases niet aangetoond dat HFT liquiditeit konden ‘opsporen’.

Verantwoording onderzoek

Als onderdeel van het onderzoek heeft de AFM gesproken met verschillende high frequency traders en vertegenwoordigers van pensioenfondsen en handelsplatformen en is een data-analyse uitgevoerd om mogelijke gevallen van bekritiseerde handelsgedragingen in toezichtdata op te sporen. De resultaten van het onderzoek zijn met de betreffende marktpartijen gedeeld en aangescherpt als daar aanleiding toe was. De AFM hoopt met dit onderzoek een bijdrage te leveren aan de discussie over high frequency traders en de huidige marktstructuur en werkt daarbij samen met academici, andere toezichthouders, waaronder ESMA en de marktpartijen.

Documenten:

 

Meer weten? Kom dan op Dinsdag 11 oktober 2016 naar de Cursus Marktmisbruik.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

A new ‘naming and shaming’ regime for financial markets: striking a balance

‘Naming and shaming’ has a long-standing reputation as an effective enforcement tool in the supervisory toolkit of Dutch supervisory authorities. This includes the financial supervisory authorities the Netherlands Authority for the Financial Markets (AFM) and the Dutch Central Bank (DNB). Part of this toolkit is the immediate publication of an administrative fine as soon as it has been imposed, i.e. before the administrative sanction has become final. The sanction decision will be published via the supervisory authority’s website, a press release and, more recently, even through Twitter, explicitly stating the name of the alleged violator. Such a publication is felt as a severe penalty for market participants as it causes reputational damage, which is often considered more punitive than the underlying pecuniary sanction.

The publication regime has been heavily criticised, as publication was not considered a ‘criminal charge’ and (therefore) the publication decision lacked legal protection, thus conflicting with the presumption of innocence. Due to recent harmonisation, the publication regime has been subject to changes which seem to enshrine the presumption of innocence.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Boete DNB wegens het uitoefenen van het bankbedrijf zonder vergunning terecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:119

Op 10 augustus 2012 heeft De Nederlandse Bank (DNB) aan de heer J.S. Jacobs een boete opgelegd van 150.000 euro wegens het feitelijk leiding geven aanovertreding van artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht door zijn onderneming Hypothecaire Vastgoed Obligaties 2 B.V. (HVO2).

Volgens DNB oefende HVO2 het bedrijf van bank uit door het aantrekken van gelden bij particulieren en het uitzetten van die gelden zonder daarvoor over een vergunning van DNB te beschikken.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 23 januari 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:272) het beroep van de heer Jacobs tegen deze boete verworpen.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft het hoger beroep van de heer Jacobs eveneens verworpen en de boete in stand gelaten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Kansspelautoriteit tekent samenwerkingsconvenant met AFM ihkv de Wok, Wft en Wwft

De Kansspelautoriteit en AFM hebben afspraken gemaakt over hun samenwerking bij de uitvoering van de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op kansspelen (Wok). De Kansspelautoriteit en AFM werken samen om overlap van werkzaamheden te voorkomen en om de kwaliteit van beide toezichtdomeinen te bevorderen.

De afspraken over samenwerking en informatie-uitwisseling met betrekking tot Wok, Wft en Wwft zijn vastgelegd in een convenant dat op 18 mei 2016 werd ondertekend door de bestuurders van beide toezichthouders.

 

Print Friendly and PDF ^

Beroepsverbod in het financiële recht

Eén van de ontwikkelingen in het financiële recht is dat in toenemende mate in financiële regelgeving beroepsverboden worden geïntroduceerd. Uit het recent ingediende consultatievoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018 blijkt dat er ook plannen zijn om in die wet de mogelijkheid van een beroepsverbod te introduceren.

Op grond van artikel 61 van het voorstel kan een beroepsverbod zonder tussenkomst van de rechter door De Nederlandsche Bank worden opgelegd. Het gaat om het uitoefenen van functies bij ondernemingen als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), derhalve een grote groep ondernemingen, waartoe ook accountantskantoren en belastingadvieskantoren behoren. Opvallend is dat het beroepsverbod ook voor onbepaalde tijd kan worden opgelegd. Het voorgestelde artikel 61 bevat derhalve vergaande bevoegdheden. Ellen Timmer bespreekt enige eerste aantekeningen.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^