OM niet ontvankelijk: Vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR van toepassing.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4345 Aan verdachte is valsheid in geschrifte ten laste gelegd (art. 225 lid 2 Sr). De verdediging heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard, omdat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het tweede lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat verdachte niet de normadressaat is van artikel 69 AWR zodat hem geen beroep toekomt op de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, AWR.

Beoordeling hof

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde feit ziet op het strafbare feit van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 47 Sr, te weten het medeplegen van het tegenover de Belastingdienst opzettelijk gebruik maken van een valselijk opgemaakte koopovereenkomst. Indien dat feit tevens zou opleveren handelen in strijd met artikel 68, tweede lid, AWR, zou vervolging ter zake van art. 225 Sr. uitgesloten zijn.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bedrijf 1 BV is opgericht op 8 december 1989. Bedrijf 1 had onroerend goed. Zij heeft dat op 12 maart 1997 voor 25 miljoen gulden verkocht waardoor zij een boekwinst behaalde van bijna 15 miljoen gulden. Voor deze boekwinst heeft zij een vervangingsreserve gevormd zodat belastingheffing over deze winst kon worden uitgesteld.

Bij koopakte van 29 mei 1998, heeft bedrijf 3, onderdeel van het bedrijf 4, waarvan ook bedrijf 5 BV deel uitmaakte, alle aandelen in bedrijf 1 gekocht. In de aankoopakte is de koper vertegenwoordigd door een trustkantoor, trustkantoor BV, in de persoon van getuige 1 die de koopakte namens de koper heeft ondertekend.

De aandelen zijn geleverd op 17 juni 1998. Sinds die datum is bedrijf 5 de directeur van bedrijf 1. Medeverdachte medeverdachte staat sinds 2 maart 2001 ingeschreven als bestuurder van bedrijf 5. Uit de verklaringen van de getuigen getuige 2 en getuige 1 valt echter af te leiden dat medeverdachte ook in 1998 degene was die in bedrijf 5 de beslissingen nam en zich als bestuurder manifesteerde.

Op 10 juli 2001 vond een bespreking plaats tussen de heer naam van de Belastingdienst enerzijds en getuige 1, medeverdachte en fiscaal adviseur financieel adviseur namens bedrijf 5 anderzijds in het kader van de aangifte vennootschapsbelasting van bedrijf 1.

Namens bedrijf 5 als directeur van bedrijf 1 is toen onder andere een koopakte, eveneens ondertekend op 29 mei 1998, aan de Belastingdienst overhandigd.

Volgens die laatstgenoemde koopakte, waarbij partij zouden zijn bedrijf 1 en de Zweedse vennootschap bedrijf 2, kocht bedrijf 1 op die 29ste mei 1998 van bedrijf 2 99% van de aandelen in firma. De koopprijs zou zijn geweest 25 miljoen gulden, waarvan aanstonds 3.254.064 gulden diende te worden betaald, terwijl volgens de koopakte de koper, zijnde bedrijf 1, de rest van de koopsom van de verkoper, zijnde bedrijf 2 leende tegen een rente van 6,5 % rente per jaar. Verdachte heeft die koopakte namens gemachtigde als gemachtigde van bedrijf 2 en volgens zijn eigen verklaring als vertegenwoordiger van bedrijf 2 ondertekend.

De hiervoor vermelde koopovereenkomst firma is op 10 juli 2001 aan de Belastingdienst overgelegd ten bewijze van het feit dat bedrijf 1 in Zweden door aankoop van aandelen in een Zweedse vennootschap onroerend goed had verworven dat 25 miljoen gulden waard was, zodat was voldaan aan de vervangingsverplichting en dus belastingheffing over de in 1997 behaalde boekwinst nog geruime tijd zou kunnen uitblijven.

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst in strijd met de waarheid is opgemaakt en bedrijf 1 in Zweden in het geheel geen onroerend goed heeft verworven. De koopovereenkomst is -aldus het openbaar ministerie- vals opgemaakt om vennootschapsbelasting te 'ontduiken'. Door zo te handelen is de fiscus voor een fors bedrag benadeeld. Het openbaar ministerie verdenkt verdachte ervan om samen met bedrijf 1, in de persoon van medeverdachte medeverdachte, deze constructie te hebben bedacht en uitgevoerd.

Het hof is van oordeel dat de verdenking van het aan de inspecteur overhandigen en verstrekken van een valse overeenkomst, o.a. ten doel hebbende de toepassing van de vervangingsreserve te verkrijgen, ook onder de strafbepalingen in de AWR, te weten artikel 69, eerste en tweede lid juncto artikel 68, eerste lid AWR, kan worden gebracht, weshalve vervolging op de voet van artikel 225, tweede lid Sr uitgesloten is.

Daaraan doet niet af dat verdachte niet de rechtstreekse normadressaat is van artikel 69 AWR. Verdachte is ten laste gelegd dat hij als medepleger betrokken is geweest bij het overleggen van een vals bescheid aan de inspecteur van de Belastingdienst. Als medepleger kan hij ook de fiscale misdrijven begaan (zie ook HR 6 maart 2012 LJN: BQ8596). Daaraan doet niet af dat verdachte niet zelf inlichtingen- en aangifteplichtig is, maar zijn medeverdachte(n). Evenmin staan het tijdsverloop tussen de handelingen van verdachte en het moment van overhandigen van de valse overeenkomst aan de Belastingdienst aan dat oordeel in de weg noch het andere strafmaximum verbonden aan artikel 69, eerste lid, AWR.

Het openbaar ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF