Werkgever en feitelijk leidinggevende veroordeeld voor opzettelijke overtreding van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet na dodelijke val door dak, verweer over eigen initiatief slachtoffer verworpen
/Rechtbank Overijssel 31 augustus 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5266 en ECLI:NL:RBOVE:2026:5267
De rechtbank Overijssel veroordeelt een schoonmaakbedrijf en zijn indirect bestuurder voor opzettelijke overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet na een dodelijk arbeidsongeval op 13 maart 2025. Een ingeleende werknemer valt bij het schoonmaken van zonnepanelen door een lichtdoorlatende plaat in het golfplatendak van een ligboxenstal en komt 6,8 meter lager op beton terecht. Het bedrijf had geen risico-inventarisatie en -evaluatie, heeft de werknemers niet ingelicht en geen toezicht gehouden, en stelde een te korte telescoopborstel ter beschikking, terwijl vanaf een kamersteiger en het dak van een aanhanger werd gewerkt. De verdediging voert aan dat het slachtoffer op eigen initiatief en buiten zijn normale werkzaamheden het dak opging, maar de rechtbank acht zulk initiatief niet atypisch binnen een bedrijf zonder risicoanalyse, instructies en geschikte arbeidsmiddelen. Het bedrijf krijgt conform de eis een geldboete van € 40.000, waarvan € 20.000 voorwaardelijk. De bestuurder, die volgens de rechtbank het beleid bepaalde, krijgt een taakstraf van 200 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, hoger dan de geëiste 180 uur.
Inleiding en context
De rechtbank doet op dezelfde dag uitspraak in twee samenhangende zaken die op de zitting van 17 augustus 2026 zijn behandeld door de meervoudige economische kamer, zittingsplaats Zwolle. Het gaat om eerste aanleg, telkens op tegenspraak, met dezelfde raadsman.
De eerste verdachte is een rechtspersoon, hierna: de vennootschap (ECLI:NL:RBOVE:2026:5266, parketnummer 84.142911.25). Zij is opgericht op 30 maart 2021 en heeft een andere B.V. als bestuurder. De tweede verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1966, hierna: de bestuurder (ECLI:NL:RBOVE:2026:5267, parketnummer 84.229975.25). Hij is bestuurder van die bestuurs-B.V. en daarmee enig middellijk bestuurder van de vennootschap, met de dagelijkse leiding. In de zaak tegen de vennootschap is hij de medeverdachte en vertegenwoordigt hij haar ter zitting; in zijn eigen zaak is de vennootschap de medeverdachte.
Op 13 maart 2025 maken het slachtoffer en een collega op een melkveehouderij zonnepanelen schoon door middel van telescoopbewassing, in opdracht van de maatschap die de veehouderij drijft. De panelen liggen op een hellend golfplatendak van een ligboxenstal; de bovenste rij is met de telescoopborstel niet bereikbaar. Het slachtoffer klimt op het dak, valt door een lichtdoorlatende plaat en overlijdt later die dag in het ziekenhuis. De collega ziet het gebeuren. Het slachtoffer werkt op basis van een inleenovereenkomst, nog maar vier maanden, voor de vennootschap. De Nederlandse Arbeidsinspectie verricht het strafrechtelijk onderzoek. De vonnissen vermelden dat de vennootschap de panelen ruim zeven jaar eerder ook heeft schoongemaakt en dat de inleenovereenkomst dateert van 27 juli 2018; beide gegevens liggen vóór de vermelde oprichtingsdatum. De vonnissen lichten dit niet toe.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De vennootschap wordt verweten dat zij op 13 maart 2025 als werkgever, al dan niet opzettelijk, in strijd heeft gehandeld met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers ontstond of te verwachten was. Het verwijt valt uiteen in drie onderdelen: geen (aangepaste) risico-inventarisatie en -evaluatie voor deze werkzaamheden (artikel 5, eerste en vierde lid, Arbeidsomstandighedenwet), geen doeltreffende inlichting van werknemers en geen afdoende toezicht (artikel 8, eerste en vierde lid) en een ongeschikte keuze en een onjuist gebruik van arbeidsmiddelen, te weten een te korte telescoopborstel, een kamersteiger, een aanhangwagen en een ladder (artikel 16, tiende lid, Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 7.3, eerste tot en met derde lid, Arbeidsomstandighedenbesluit).
De bestuurder wordt verweten dat hij tot dezelfde gedragingen van de vennootschap opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.
Artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet is een economisch delict op grond van artikel 1, onder 1, van de Wet op de economische delicten; strafbaarstelling volgt uit de artikelen 2 en 6 WED, het daderschap van de rechtspersoon en het feitelijk leidinggeven uit artikel 51 Sr. Dood door schuld (artikel 307 Sr) is in geen van beide zaken ten laste gelegd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht in beide zaken het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Een nadere onderbouwing geven de vonnissen niet weer.
Tegen de vennootschap vordert de officier van justitie een geldboete van € 40.000, waarvan € 20.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Tegen de bestuurder vordert hij een taakstraf van 180 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit in beide zaken vrijspraak. Het slachtoffer heeft volgens de raadsman op eigen initiatief gevaarlijk gehandeld, buiten zijn normale werkzaamheden om. Die situatie was niet voorzienbaar, zodat de vennootschap niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat levensgevaar of ernstige gezondheidsschade ontstond of te verwachten was; de bestuurder is daarvoor evenmin als feitelijk leidinggevende verantwoordelijk. De raadsman verwijst naar Rechtbank Oost-Brabant 3 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4116. De werkgeversstatus, de arbeidsplaats en de overtreding van de afzonderlijke voorschriften betwist de verdediging niet.
Voor de strafmaat vraagt de verdediging rekening te houden met het feit dat de risico-inventarisatie en -evaluatie en het plan van aanpak inmiddels op orde zijn en dat via de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering een regeling met de nabestaanden is getroffen. Voor de bestuurder voert de raadsman daarnaast aan dat het zwaartepunt van de strafoplegging bij de rechtspersoon moet liggen en dat kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke, geringe taakstraf of met de bijzondere voorwaarde van storting van een geldbedrag in een fonds zoals Slachtofferhulp (artikel 14c, tweede lid, Sr).
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer op basis van een inleenovereenkomst bij de vennootschap werkzaam was, dat de vennootschap werkgever is en dat de ongevalslocatie een arbeidsplaats is in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Over de risico-inventarisatie en -evaluatie overweegt de rechtbank dat de bestuurder op vordering van de Arbeidsinspectie verklaart over zo’n document niet te beschikken. Een aangetroffen document van 24 september 2003 inventariseert risico’s van werken op hoogte, maar niet die van het schoonmaken van zonnepanelen, het werken met een telescoopsysteem of het schoonmaken vanaf een (kamer)steiger of aanhanger. Een project-RI&E ontbreekt. De bestuurder nam aan dat de situatie ter plaatse sinds de eerdere schoonmaak ongewijzigd was, zonder zich daarvan te vergewissen of na te gaan of de bovenste panelen met de huidige, kortere telescoop bereikbaar waren. De risico’s van deze klus heeft hij naar eigen zeggen alleen in gedachten geïnventariseerd. Artikel 5, eerste en vierde lid, is overtreden.
Voor artikel 8 steunt de rechtbank op de opdrachtbon, die alleen vermeldt “225 zonnepanelen schoonmaken”, en op de verklaringen van twee werknemers. Op de ochtend van het ongeval is niet over risico’s of maatregelen gesproken; volgens de collega kreeg hij te horen dat hij op de kar kon gaan staan of een steigertje kon meenemen. Werknemers worden in de praktijk ingewerkt, staan bij schoonmaakwerk in dakgoten of op daken zonder valbeveiliging, krijgen geen opleiding of toolbox en er wordt geen toezicht gehouden. De bestuurder verklaart geen formeel arbobeleid te hebben en zaken bij de ochtendkoffie te bespreken. De rechtbank wijst erop dat werken op hoogte volgens de Arbocatalogus Schoonmaak- en glazenwassersbranche tot de grootste risico’s in de sector behoort. Artikel 8, eerste en vierde lid, is overtreden.
Over de arbeidsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de gebruikte telescoopstok bij een beproeving door verbalisanten ter plaatse volledig uitgeschoven 13,06 meter meet, met moeite van de grond kan worden getild, doorbuigt, niet alle panelen bereikt en breekt. Volgens de werkwijze van de Stichting Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak en Glazenwassersbranche moet de ondergrond vlak, stabiel en vrij van obstakels zijn en is de wassteelmethode vanaf mobiele arbeidsmiddelen niet toegestaan. Rond de stal lagen obstakels en er is gewerkt vanaf een kamersteiger en het dak van een aanhanger. Artikel 7.3, eerste tot en met derde lid, Arbeidsomstandighedenbesluit is overtreden.
Het verweer over voorzienbaarheid verwerpt de rechtbank. Zij typeert artikel 32 als een algemene verbodsbepaling en hanteert drie vereisten: (i) er bestaat levensgevaar of gevaar voor ernstige gezondheidsschade, (ii) de werkgever heeft voorschriften geschonden die ertoe strekken te voorkomen dat dit gevaar zich realiseert en (iii) het is, gelet op de ernst van die schending, redelijk het gevaar aan de schending toe te rekenen. De eerste twee vereisten staan niet ter discussie. Over het derde vereiste oordeelt de rechtbank dat initiatieven als dat van het slachtoffer typisch zijn voor werksituaties waarin personeel zonder risicoanalyse, zonder concrete veiligheidsinstructies en met ontoereikende en onjuist ingezette arbeidsmiddelen de klus moet klaren. Binnen zo’n beleid is het volgens de rechtbank geenszins atypisch dat een werknemer zelf risico’s neemt om de onbereikbare bovenste rij alsnog te reinigen. Daarin verschilt de zaak van ECLI:NL:RBOBR:2022:4116, omdat het slachtoffer hier niet buiten zijn normale werkzaamheden zeer gevaarlijk heeft gehandeld. De vennootschap moest redelijkerwijs weten dat levensgevaar of ernstige gezondheidsschade te verwachten was.
Het opzet is in het economisch strafrecht kleurloos: het hoeft alleen gericht te zijn op de verweten gedraging, hier telkens een nalaten, en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. Nu de vennootschap ervoor heeft gekozen niets aan risicomanagement te doen, ligt in dat nalaten het (voorwaardelijk) opzet besloten.
De gedragingen worden aan de vennootschap toegerekend. Het schoonmaken past binnen haar normale bedrijfsvoering en is haar dienstig geweest, zij had zeggenschap over de wijze waarop en de (on)veilige omstandigheden waaronder werd gewerkt, en de aard van het levensgevaar is niet atypisch voor de werkzaamheden in relatie tot de nagelaten verplichtingen.
In de zaak tegen de bestuurder overweegt de rechtbank aanvullend dat hij enig middellijk bestuurder was, de dagelijkse leiding had en zeggenschap en invloed had op het beleid, ook waar het de naleving van de arboregelgeving en het beheersen van risico’s betrof. Omdat de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg was van het door hem als bestuurder gevoerde algemene beleid, heeft hij feitelijk leiding gegeven aan de opzettelijke niet-naleving door de vennootschap. Het vonnis spreekt op die plaats letterlijk van “het naleven daarvan”, terwijl uit de context volgt dat het niet-naleven is bedoeld.
De rechtbank kwalificeert het bewezene bij de vennootschap als overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, en bij de bestuurder als hetzelfde misdrijf, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart in beide zaken bewezen dat de vennootschap op 13 maart 2025 als werkgever bij het schoonmaken van zonnepanelen op het dak van een ligboxenstal opzettelijk heeft nagelaten:
schriftelijk in een risico-inventarisatie en -evaluatie vast te leggen welke specifieke risico’s de werkzaamheden meebrachten, en die inventarisatie aan te passen aan de gewijzigde werkmethoden en werkomstandigheden (artikel 5, eerste en vierde lid, Arbeidsomstandighedenwet);
de werknemers doeltreffend in te lichten over de werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen daartegen, en toe te zien op de naleving van instructies en voorschriften (artikel 8, eerste en vierde lid, Arbeidsomstandighedenwet);
bij de keuze van de ter beschikking gestelde arbeidsmiddelen (een te korte telescoopborstel, een kamersteiger, een aanhangwagen en een ladder) rekening te houden met de kenmerken van de arbeid en de gevaren, terwijl die middelen niet werden gebruikt voor het doel en op de wijze waarvoor zij zijn bestemd en niet geschikt waren voor het werk (artikel 16, tiende lid, Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 7.3, eerste tot en met derde lid, Arbeidsomstandighedenbesluit);
terwijl de vennootschap redelijkerwijs moest weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers, onder wie het slachtoffer, ontstond of te verwachten was;
in de zaak tegen de bestuurder: tot welk feit hij opdracht heeft gegeven of waaraan hij feitelijk leiding heeft gegeven.
In beide zaken spreekt de rechtbank vrij van wat meer of anders ten laste is gelegd. De gepubliceerde bewezenverklaringen tonen de tenlastelegging inclusief “al dan niet opzettelijk” en “en /of”, zonder zichtbare doorhalingen.
Strafoplegging en maatregelen
In beide zaken weegt de rechtbank de noodlottige afloop zwaar. De vennootschap is als werkgever eerstverantwoordelijk voor de veiligheid van haar werknemers en heeft hen op pad gestuurd met alleen de instructie 225 zonnepanelen schoon te maken, waardoor het slachtoffer zelf heeft gezocht naar een manier om aan de opdracht te voldoen. Een broer van het slachtoffer heeft ter zitting een slachtofferverklaring voorgedragen; de rechtbank onderkent het onherstelbare leed van de nabestaanden. Beide verdachten zijn volgens de justitiële documentatie van 26 januari 2026 niet eerder veroordeeld. De rechtbank slaat acht op straffen in vergelijkbare zaken en op de straf in de zaak van de medeverdachte.
Aan de vennootschap legt de rechtbank conform de eis een geldboete op van € 40.000, waarvan € 20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de algemene voorwaarde. Het voorwaardelijke deel moet de vennootschap ertoe bewegen de veiligheid van haar werknemers tot prioriteit te (blijven) verheffen. De strafmotivering in dit vonnis rekent het voorgaande “de verdachte, als de feitelijke leidinggever” toe en de beslissing spreekt “hem” vrij, terwijl de verdachte in deze zaak de rechtspersoon is. Toegepast zijn de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 51 Sr.
Aan de bestuurder legt de rechtbank een taakstraf op van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarmee gaat de rechtbank met 20 uur boven de eis. Zij weegt mee dat de risico-inventarisatie bij de herinspectie van 2 oktober 2025 nog niet op orde was: de bestuurder gaf pas eind augustus 2025 opdracht tot het opstellen ervan en een concept is op 3 oktober 2025 aan de Arbeidsinspectie gezonden. Hoewel de inventarisatie inmiddels op orde is, lijkt hij volgens de rechtbank de veiligheid van het personeel ook na het ongeval onvoldoende serieus te nemen. Anders dan de raadsman meent de rechtbank dat het zwaartepunt van de strafoplegging bij de bestuurder ligt, omdat juist hij als feitelijk leidinggever het beleid kon bepalen en heeft bepaald; de juridische schil van de onderneming acht zij niet doorslaggevend. Het verzoek om een geheel voorwaardelijke taakstraf of een storting in een fonds volgt de rechtbank niet. Toegepast zijn de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 51 Sr.
Bijkomende straffen of maatregelen worden in geen van beide zaken opgelegd. Vorderingen van benadeelde partijen zijn niet aan de orde.
Lees hier de volledige uitspraak tegen de vennootschap en hier de volledige uitspraak tegen de bestuurder.
Gerelateerde berichten
Veroordeling van rechtspersoon tot geldboete voor overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en dood door schuld na dodelijke val van een dak, 8 september 2026
Zonder valbeveiliging het dak op: werkgever veroordeeld voor dodelijk arbeidsongeval, 7 april 2025
