Vrijspraak van verkoop van schadelijke waren, oplichting en valsheid in geschrift bij ondermaatse FFP2-mondmaskers; minder bescherming is geen schadelijkheid in de zin van artikel 174 Sr

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 oktober 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6364

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt een verdachte vrij die in maart en april 2020, tijdens de COVID-19-pandemie, als FFP2 aangeduide mondmaskers heeft verkocht die minder bescherming boden dan die aanduiding deed verwachten. Volgens het hof ziet artikel 174 Sr, gelet op de wetsgeschiedenis, uitsluitend op waren die op zichzelf schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid. Waren die minder bescherming bieden tegen van buiten komende risico’s dan zij doen voorkomen, vallen daar niet onder; persoonlijke beschermingsmiddelen zijn geregeld in de Warenwet in verbinding met de Wet op de economische delicten. Ook van poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, oplichting en valsheid in geschrift volgt vrijspraak. Bij oplichting ontbreken aangiften of verklaringen van de afnemers, en bij valsheid in geschrift is opzet op een onware vermelding op de facturen niet bewezen. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens willekeur verwerpt het hof, en de in beslag genomen mondmaskers gaan terug naar de verdachte.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1963. In de periode van maart tot en met april 2020 verkoopt hij, samen met een bedrijf, mondmaskers die op de facturen zijn aangeduid als FFP2 conform EN149:2001+A1:2009. Een toxicoloog van het RIVM rapporteert dat de maskers ondermaats presteren op filterefficiëntie en aansluiting op het gelaat.

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, spreekt de verdachte op 20 januari 2022 vrij van de feiten 1 en 2 en veroordeelt hem voor feit 3. De officier van justitie stelt hoger beroep in tegen de vrijspraken. Het hoger beroep tegen feit 3 trekt het Openbaar Ministerie in, zodat de beslissing van de rechtbank daarover, met de opgelegde straf, in stand blijft. Waarop feit 3 betrekking had en welke straf daarvoor is opgelegd, vermeldt het arrest niet. Het arrest is gewezen op tegenspraak, na de zitting van 9 september 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Feit 1 primair verwijt de verdachte dat hij in de periode van 1 maart tot en met 24 april 2020, samen met het bedrijf, 5.000 en 10.000 FFP2-mondmaskers heeft verkocht, te koop aangeboden of afgeleverd, wetende dat zij schadelijk waren voor het leven of de gezondheid, en dat schadelijke karakter heeft verzwegen (artikel 174, eerste lid, Sr; maximaal vijftien jaren gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie). De schadelijkheid zou erin bestaan dat de maskers niet het bij FFP2 behorende beschermingsniveau boden en zorgmedewerkers en andere gebruikers de overtuiging gaven afdoende beschermd te zijn, waardoor zij een risico liepen op besmetting met COVID-19. Subsidiair is poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zorgmedewerkers ten laste gelegd, door levering van 15.500 mondmaskers aan twee afnemers.

Feit 2 primair betreft medeplegen van oplichting (artikel 326, eerste lid, Sr) van in totaal ongeveer € 33.275 door voor te wenden dat het om gecertificeerde FFP2-maskers ging. Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij vijf facturen van 26 maart tot en met 20 april 2020 valselijk heeft opgemaakt door daarop FFP2 en EN149:2001+A1:2009 te vermelden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk: de verdediging noemt geen concrete gevallen waarin vergelijkbare importeurs niet zijn vervolgd. Feit 1 primair is volgens de advocaat-generaal bewezen, omdat in de medische context, waarin strikte normen gelden, een product dat niet aan de norm voldoet schadelijk is: gebruikers lopen meer kans op gezondheidsschade dan bij gecertificeerde maskers. Feit 2 primair is bewezen omdat de verdachte ten onrechte FFP2 heeft vermeld en valse certificaten heeft verstrekt. Het arrest vermeldt geen strafeis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit niet-ontvankelijkheid wegens strijd met het verbod van willekeur. Ten tijde van de invoer gold een tijdelijke ontheffing van het CE-keurmerk, maskers werden slechts steekproefsgewijs getest, ook in ziekenhuizen circuleerden non-conforme maskers en andere importeurs zijn niet vervolgd. Een geldig CE-keurmerk biedt bovendien geen kwaliteitsgarantie.

Inhoudelijk voert de verdediging aan dat mondmaskers als product niet schadelijk zijn (feit 1 primair) en dat opzet ontbreekt (feit 1 subsidiair). Bij oplichting ontbreken het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en een oplichtingsmiddel; de facturen zijn niet valselijk opgemaakt en het oogmerk van misleiding ontbreekt. Een strafmaatverweer is niet gevoerd.

Oordeel gerecht

Het hof stelt voorop dat de vervolgingsbeslissing (artikel 167, eerste lid, Sv) slechts in zeer beperkte mate toetsbaar is en alleen tot niet-ontvankelijkheid leidt als geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie tot vervolging had kunnen komen (HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280; HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23). Concrete vergelijkbare gevallen zijn niet aangedragen. De officier van justitie heeft in eerste aanleg onweersproken gesteld dat gelijke gevallen worden vervolgd, onderzoek na een melding is niet onbegrijpelijk en de regelgeving over het CE-keurmerk maakt dat niet anders. Het verweer wordt verworpen.

Het hof vernietigt het vonnis voor zover aan zijn oordeel onderworpen om redenen van doelmatigheid. Bij feit 1 primair staat niet ter discussie dat de maskers op zichzelf niet schadelijk zijn. Het hof beantwoordt de vraag of artikel 174 Sr ook ziet op waren die minder bescherming bieden dan zij doen voorkomen ontkennend. Volgens de wetsgeschiedenis (Smidt II, p. 163-164) moeten de waren in haar wezen, bij gebruik overeenkomstig de bestemming, nadeel voor de gezondheid teweegbrengen. Latere rechtspraak heeft dat uitgangspunt niet verlaten en alleen het relevante gebruik verruimd tot elk gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden gehouden (HR 18 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0732). Voor een ruimere uitleg bieden wettekst, wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur geen houvast. Persoonlijke beschermingsmiddelen vallen onder de Warenwet en het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018, op basis van Verordening (EU) 2016/425, in verbinding met de WED; voorkoming van risico’s is het oogmerk van die regelgeving, zodat oprekking van artikel 174 Sr ook niet nodig is.

Feit 1 subsidiair acht het hof, met de verdediging, de advocaat-generaal en de rechtbank, niet bewezen. Bij oplichting is onvoldoende gebleken dat de afnemers door de mededelingen over FFP2 en certificering zijn bewogen tot afgifte van geld; het dossier bevat van hen geen aangifte of verklaring. Of de verdachte bewust een onjuiste voorstelling wilde wekken, blijft daarom onbesproken. Bij valsheid in geschrift ontbreekt bewijs van (voorwaardelijk) opzet op een onware vermelding en van het oogmerk de afnemers te misleiden.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart niets bewezen en spreekt de verdachte vrij van:

  • feit 1 primair: verkopen en afleveren van schadelijke waren onder verzwijging van het schadelijke karakter (artikel 174 Sr);

  • feit 1 subsidiair: poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel;

  • feit 2 primair: medeplegen van oplichting;

  • feit 2 subsidiair: valsheid in geschrift ten aanzien van vijf facturen.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof legt geen straf of maatregel op. Omdat de verdachte integraal wordt vrijgesproken en geen grond bestaat voor onttrekking aan het verkeer (artikel 36b Sr) of verbeurdverklaring (artikel 33 Sr), gelast het hof de teruggave van de in beslag genomen mondmaskers, de nummers 1 tot en met 10 van de beslaglijst. De administratie heeft de verdachte al teruggekregen, zodat daarover geen beslissing nodig is. De door de rechtbank voor feit 3 opgelegde straf blijft in stand.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^