Vrijspraak van rechtspersoon voor handel in schadelijk vlees; vervolging voor Warenwetovertredingen verjaard

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18 september 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2533

SEO-samenvatting

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch spreekt een stichting vrij van het verhandelen van vlees dat schadelijk is voor het leven of de gezondheid (artikel 174 Sr). Van de in beslag genomen 597 kilogram vlees zijn slechts vier monsters onderzocht. In twee monsters overschrijden de aangetroffen micro-organismen de norm uit de Hygiënecode voor het slagersbedrijf, maar ziekteverwekkende bacteriën ontbreken. Het hof oordeelt dat normoverschrijding en bederf niet zonder meer schadelijkheid opleveren. Voor twee tenlastegelegde Warenwetovertredingen verklaart het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens verjaring. Het beroep van de verdediging op schending van beginselen van een goede procesorde wordt verworpen.

Inleiding en context

De verdachte is een rechtspersoon, een stichting die via een besloten Facebookpagina vleesbereidingen en vleesproducten verkocht en via afhaalpunten in het land afleverde. Het vlees werd betrokken van een slager, eigenaar van een eenmanszaak, die als medeverdachte is vervolgd, evenals de voorzitter en de penningmeester van de stichting. Vanaf juli 2016 komen bij de politie en het landelijk klantcontactcentrum van de NVWA meldingen binnen dat de kwaliteit van het vlees slecht is: het stinkt, is zuur en verkleurd, verpakkingen zijn niet geëtiketteerd en houdbaarheidsaanduidingen ontbreken. Ook zouden mensen na het eten ziek zijn geworden. Op 27 augustus 2016 worden drie personenauto's met vlees stilgehouden. De kofferbakken liggen vol koeltassen met onverpakt geëtiketteerd vlees zonder actieve koeling; gemeten kerntemperaturen liggen tussen de 11,1 en 16,7 graden Celsius, terwijl artikel 15 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen een maximum van 7 graden Celsius voorschrijft. In totaal worden 142 koeltassen met 597 kilogram vlees in beslag genomen. Bij controles op 2 en 3 september 2016 worden geen onregelmatigheden meer geconstateerd. De zaak dient in hoger beroep, ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant van 23 november 2020, waarin de rechtbank alle drie de feiten bewezen verklaarde en geldboetes oplegde van € 5.000 waarvan € 3.000 voorwaardelijk (feit 1) en telkens € 750 waarvan € 375 voorwaardelijk (feiten 2 en 3).

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 1 maart 2016 tot en met 27 augustus 2016, al dan niet met anderen, vlees heeft verkocht, te koop aangeboden, afgeleverd of uitgedeeld terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het schadelijk was voor het leven of de gezondheid, en dat schadelijke karakter heeft verzwegen (feit 1, artikel 174 Sr). Feit 2 betreft het als exploitant van een levensmiddelenbedrijf handelen in strijd met de etiketteringsverplichtingen van Verordening (EG) nr. 1169/2011, een voorschrift gesteld krachtens artikel 8 (in de kwalificatie: artikel 8c) van de Warenwet. Feit 3 betreft het in de handel brengen van onveilige levensmiddelen en het niet waarborgen van de traceerbaarheid, in strijd met de artikelen 14 en 18 van Verordening (EG) nr. 178/2002, voorschriften gesteld krachtens artikel 4 van de Warenwet.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de feiten 2 en 3 wegens verjaring, bewezenverklaring van feit 1 en veroordeling tot een voorwaardelijke geldboete van € 3.000 met een proeftijd van 1 jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit primair niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten 2 en 3 wegens verjaring. Voor alle feiten voert zij aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van beginselen van een goede procesorde. De vervolgingsbeslissing zou niet alleen zijn ingegeven door voedselveiligheid, maar ook door het genereren van media-aandacht en de wens wederrechtelijk verkregen vermogen af te pakken, terwijl geen financieel gewin was vastgesteld, geen sprake was van recidive en bestuursrechtelijk optreden mogelijk was. Toen uiterlijk op 11 oktober 2016 bij de NVWA bekend was dat in het onderzochte vlees geen ziekteverwekkende bacteriën waren aangetroffen, had de berichtgeving genuanceerd moeten worden en de proportionaliteit van verdere strafrechtelijke escalatie kritisch beoordeeld. De geconstateerde tekortkomingen zijn na 27 augustus 2016 vrijwel onmiddellijk hersteld, waarmee het corrigerende doel van handhaving feitelijk was bereikt. Ook het tijdsverloop moet bij de ontvankelijkheidsvraag worden betrokken. Subsidiair bepleit de verdediging vrijspraak, meer subsidiair toepassing van artikel 9a Sr.

Oordeel gerecht

Het hof stelt vast dat de feiten 2 en 3 op grond van artikel 1 onder 4 en artikel 2, vierde lid, WED overtredingen zijn. Ingevolge artikel 72, tweede lid, Sr vervalt het recht tot strafvordering ten aanzien van overtredingen na tien jaren. Nu het hof op 18 september 2026 arrest wijst, meer dan tien jaren na de tenlastegelegde periode, is het recht tot strafvordering vervallen en verklaart het hof het Openbaar Ministerie ten aanzien van deze feiten niet-ontvankelijk, conform de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 stelt het hof voorop dat artikel 167, eerste lid, Sv het Openbaar Ministerie de bevoegdheid geeft zelfstandig over vervolging te beslissen en dat die beslissing zich slechts in zeer beperkte mate leent voor rechterlijke toetsing. Alleen in uitzonderlijke gevallen is plaats voor niet-ontvankelijkverklaring, namelijk wanneer geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, waarbij zware motiveringseisen gelden. Het hof verwijst daarbij onder meer naar HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2795. In de aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen grond voor niet-ontvankelijkheid. Het acht voorstelbaar dat in de media ruchtbaarheid is gegeven aan de onderzoeksbevindingen, omdat afnemers zo konden worden geattendeerd op de verkoop van mogelijk inferieur vlees; om de voedselveiligheid te waarborgen was snel ingrijpen vereist. Het instellen van een strafvervolging om mogelijk wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen vaststellen en ontnemen beschouwt het hof als een gerechtvaardigd strafvorderlijk belang. Dat geen ziekteverwekkers zijn aangetroffen en bij latere controles geen onregelmatigheden meer zijn geconstateerd, maakt dit niet anders. Het beroep op het tijdsverloop verwerpt het hof onder verwijzing naar HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059: de regels over de redelijke termijn gelden niet voor de beoordeling van inbreuken op verdedigingsrechten, en van een inbreuk die een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM onmogelijk maakt, is niet gebleken. Het Openbaar Ministerie is voor feit 1 ontvankelijk.

Inhoudelijk overweegt het hof dat voor een bewezenverklaring van schadelijkheid in de zin van artikel 174 Sr uit de bewijsmiddelen moet volgen dat de waren een objectief voor het leven of de gezondheid schadelijk karakter hebben in het licht van het redelijkerwijs te verwachten gebruik, onder verwijzing naar onder meer HR 19 oktober 1965, NJ 1966, 270, HR 27 april 1982, NJ 1982, 638 en HR 18 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0732. Het hof stelt vast dat alleen het op 27 augustus 2016 vervoerde vlees is onderzocht. Het vlees waarover de meldingen gingen en het op 20 augustus 2016 opgehaalde vlees zijn niet onderzocht, en niet is komen vast te staan dat mensen daadwerkelijk ten gevolge van consumptie ziek zijn geworden. Van de 597 kilogram in beslag genomen vlees zijn slechts vier monsters genomen, waarvan in twee (voorgegaarde hamburgers en gegaarde barbecueworstjes) meer kweekbare micro-organismen en Enterobacteriaceae zijn aangetoond dan de Hygiënecode voor het slagersbedrijf toestaat. De enkele overschrijding van die norm en van de maximumtemperatuur van 7 graden Celsius impliceert volgens het hof niet dat het vlees objectief schadelijk is voor het leven of de gezondheid. Dat geldt ook voor de kwalificatie van een NVWA-inspecteur dat het vlees als bedorven kan worden aangemerkt. Het hof betrekt daarbij het RIVM-rapport Ons eten gemeten, waaruit volgt dat bederfflora in het algemeen geen risico vormt voor de gezondheid van de consument en dat geur, smaak en uiterlijk van bedorven producten de consument juist waarschuwen. Nu bovendien geen ziekteverwekkers in de monsters zijn aangetroffen, is niet komen vast te staan dat de verdachte vlees heeft verhandeld dat schadelijk was voor het leven of de gezondheid.

Bewezenverklaring

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank. Er volgt geen bewezenverklaring: het Openbaar Ministerie wordt ten aanzien van de feiten 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verjaring, en van feit 1 wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof legt geen straf of maatregel op. Daarmee wijkt het hof af van de vordering van de advocaat-generaal, die voor feit 1 een voorwaardelijke geldboete van € 3.000 met een proeftijd van 1 jaar had gevorderd, en van het vonnis van de rechtbank, dat geldboetes voor alle drie de feiten inhield.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^