Vijf veroordelingen in onderzoek 03Kaan voor handel in professioneel vuurwerk vanuit Duitse opslaglocaties, waaronder een afdoening van 40 maanden gevangenisstraf via procesafspraken
/Rechtbank Amsterdam 14 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9178, ECLI:NL:RBAMS:2026:9180, ECLI:NL:RBAMS:2026:9182, ECLI:NL:RBAMS:2026:9187 en ECLI:NL:RBAMS:2026:9189
De rechtbank Amsterdam veroordeelt in het onderzoek 03Kaan vijf verdachten voor deelname aan een criminele organisatie die van 2020 tot medio 2022 grootschalig professioneel vuurwerk inkocht, opsloeg in Duitse bunkers en loodsen en aan Nederlandse particulieren leverde. Drie verdachten worden als leider aangemerkt, twee als deelnemer. Daarnaast bewijst de rechtbank per verdachte het medeplegen van het voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk op opslaglocaties in Wietmarschen, Dülmen, Hamminkeln en Kevelaer. Eén verdachte wordt ook veroordeeld voor het verkopen van zelf vervaardigde cobras 6 waarvan het schadelijke karakter is verzwegen. In één zaak volgt de rechtbank het afdoeningsvoorstel uit procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. De gevangenisstraffen lopen uiteen van twaalf tot 42 maanden, telkens met aftrek van voorarrest en met verdiscontering van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twee jaar.
Inleiding en context
De vijf vonnissen zijn gelijktijdig gewezen door de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg. Alle verdachten zijn natuurlijke personen. Voor de leesbaarheid worden zij hierna aangeduid als verdachte A (geboren 1991, ECLI:NL:RBAMS:2026:9180), verdachte B (geboren 1988, ECLI:NL:RBAMS:2026:9178), verdachte C (geboren 1995, ECLI:NL:RBAMS:2026:9182), verdachte D (geboren 1996, ECLI:NL:RBAMS:2026:9187) en verdachte E (geboren 1997, ECLI:NL:RBAMS:2026:9189). Vier verdachten zijn eerder veroordeeld voor vuurwerkfeiten; bij verdachte E liep ten tijde van de feiten nog een proeftijd, bij verdachte C ging de proeftijd in de laatste twee maanden van de bewezenverklaarde periode in.
Het onderzoek 03Kaan start op 5 oktober 2020, onder meer naar aanleiding van processen-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen van juli 2020 en van stukken die zijn overgedragen uit de onderzoeken 26Lemont en Tsunami. Daaruit ontstaat het beeld dat Nederlandse verdachten vanuit Duitsland in vuurwerk handelen dat in oude munitiebunkers wordt opgeslagen. In het onderzoek worden telefoons met EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal aangetroffen, worden opslagplaatsen in Wietmarschen, Dülmen, Hamminkeln en Kevelaer doorzocht en worden observaties, afluisterapparatuur in voertuigen (OVC) en camerabeelden ingezet. De inhoudelijke behandeling vindt plaats op 9, 10, 11 en 16 of 17 juni 2026 en, voor verdachte B, op 18 juni 2026. Het onderzoek ter zitting wordt op 14 september 2026 gesloten.
De zaak van verdachte B is bijzonder omdat het Openbaar Ministerie en de verdediging op 5 juni 2026 een overeenkomst met procesafspraken hebben getekend. Bij verdachte A zijn twee dagvaardingen (zaak A en zaak B) op 12 december 2025 gevoegd.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Alle verdachten wordt verweten dat zij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 in Nederland en Duitsland hebben deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr, met als oogmerk het opzettelijk binnen Nederland brengen, opslaan, voorhanden hebben en aan anderen ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik. Bij de verdachten A, B en C is dat ten laste gelegd als oprichter, leider of bestuurder.
Daarnaast wordt ieder van hen verweten dat zij samen met anderen professioneel vuurwerk voorhanden hebben gehad en hebben opgeslagen: verdachte A in Wietmarschen (1 maart tot en met 24 september 2020) en Dülmen (1 september tot en met 28 december 2021); verdachte B in Wietmarschen, Dülmen, Hamminkeln (1 september 2021 tot en met 14 juli 2022) en Kevelaer (1 december 2021 tot en met 17 juni 2022); verdachte C in Dülmen en Kevelaer; verdachte D in Dülmen en Hamminkeln; verdachte E in Dülmen. Dit betreft overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit, strafbaar gesteld in de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Wat als professioneel vuurwerk geldt, volgt uit artikel 1.1.1 Vuurwerkbesluit (oud) en de Tijdelijke regeling ex artikel 1.1.1, derde lid: vuurwerk van categorie F4, vuurwerk van categorie F2 en F3 dat niet in de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk als consumentenvuurwerk is aangewezen, en vuurwerk waarvan de bestemming niet is vast te stellen.
Verdachte A wordt in zaak B bovendien verweten dat hij in de periode van 1 april 2020 tot en met 1 juli 2022 samen met anderen cobras 6 en cobras 8 heeft verkocht, te koop aangeboden, afgeleverd of uitgedeeld, wetende dat deze schadelijk waren voor het leven of de gezondheid, terwijl dat schadelijke karakter werd verzwegen (artikel 174 Sr).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht in alle zaken de ten laste gelegde feiten bewezen, met dien verstande dat het bij verdachte B, overeenkomstig de procesafspraken, vrijspraak vordert voor het feit met betrekking tot Kevelaer. Het Openbaar Ministerie vordert gevangenisstraffen van 72 maanden voor verdachte A, 40 maanden voor verdachte B (het in de procesafspraken vastgelegde voorstel; zonder afspraken acht de officier van justitie vijf à zes jaar passend), 38 maanden voor verdachte C, 24 maanden voor verdachte D en 15 maanden voor verdachte E. In de zaken van de verdachten C en E vordert het Openbaar Ministerie ook tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen. In de zaak van verdachte D vordert het onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen munitie.
Standpunt van de verdediging
Verdachte A voert een ontvankelijkheidsverweer: het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat alleen hij voor het feit in zaak B wordt vervolgd, terwijl een medeverdachte een vergelijkbare rol heeft. Inhoudelijk bepleit hij vrijspraak van deelname vóór 1 april 2020 en na de hack van EncroChat op 12 juni 2020, en betwist hij samenwerking met twee van de medeverdachten. Voor Wietmarschen rechtvaardigen berichten over het opstarten van de locatie volgens hem geen medeplegen; voor Dülmen ontbreekt na de EncroChat-hack ieder bewijs. Voor zaak B stelt hij dat hij heeft gecommuniceerd dat het om dummies ging en hoeveel flitspoeder erin moest, zodat van verzwijging geen sprake is, dat niet vaststaat dat de door het Nederlands Forensisch Instituut onderzochte cobras 6 dezelfde zijn als waarover hij chatte, en dat hij nooit over cobras 8 heeft gechat. Bij de straf vraagt hij rekening te houden met de redelijke termijn en met het feit dat hij zich al meer dan zes jaar niet met strafbare feiten bezighoudt.
Verdachte B voert overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren en geen strafmaatverweer.
Verdachte C bepleit integrale vrijspraak. Niet is bewezen dat hij de gebruiker is van twee Wickr-accounts. De OVC-gesprekken zeggen primair niets over zijn rol; subsidiair volgt daaruit slechts betrokkenheid gedurende een kortere periode en geen samenwerking met alle in de tenlastelegging genoemde personen, en er zijn contra-indicaties voor deelname. Voor Dülmen en Kevelaer ontbreekt primair bewijs; subsidiair is niet meer bewezen dan betrokkenheid in december 2021. Bij de straf vraagt hij verdiscontering van de redelijke termijn en van de procesafspraken met een medeverdachte, een taakstraf als uitgangspunt en anders een gevangenisstraf niet langer dan het voorarrest.
Verdachte D stelt dat hij een uitvoerende en ondergeschikte rol had en bepleit vrijspraak voor Dülmen en Hamminkeln, omdat bewustheid van de aanwezigheid van het vuurwerk en beschikkingsmacht niet zijn bewezen. Bij de straf wijst hij op zijn ondergeschikte rol, op de redelijke termijn die volgens hem is gaan lopen bij zijn aanhouding in Wietmarschen op 24 september 2020, en op artikel 63 Sr in verband met zijn veroordeling van 30 oktober 2025 voor het vuurwerk uit Wietmarschen (achttien maanden gevangenisstraf en 240 uur taakstraf, niet onherroepelijk, beide partijen in hoger beroep). Hij verzoekt geen langere gevangenisstraf dan het voorarrest.
Verdachte E bepleit primair vrijspraak omdat niet is bewezen dat hij de gebruiker is van het betreffende Wickr-account; subsidiair staat onvoldoende vast wie wanneer achter dat account zat; meer subsidiair moet de periode worden beperkt tot 28 september tot en met 30 november 2021. Bij de straf vraagt hij niet meer dan het voorarrest, wijst hij op het tijdsverloop en op zijn eigen bedrijf als beschermende factor.
Oordeel gerecht
Ontvankelijkheid. De rechtbank verwerpt het beroep van verdachte A op het gelijkheidsbeginsel: er is geen sprake van gelijke gevallen, omdat de bewijspositie van de medeverdachte op basis van het dossier anders is.
Procesafspraken. In de zaak van verdachte B toetst de rechtbank onder verwijzing naar HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252 of aan de eisen van artikel 6 EVRM is voldaan. De afspraken zijn op de zitting van 18 juni 2026 met de verdachte besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Hij verklaart de afspraken te begrijpen, ermee in te stemmen om de zaak achter zich te kunnen laten en zich vrij te hebben gevoeld. De rechtbank oordeelt dat hij vrijwillig, goed geïnformeerd en bewust van de rechtsgevolgen afstand heeft gedaan van verdedigingsrechten en dat zij op de afspraken acht kan slaan. Zij benadrukt dat zij een eigen verantwoordelijkheid houdt voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.
Identificatie van accounts. Voor zover het bewijs berust op berichten via EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal, stelt de rechtbank per account vast wie de gebruiker was. Verdachte A heeft op de zitting van 8 juni 2026 verklaard gebruiker van het EncroChat-account te zijn, maar niet de exclusieve gebruiker; omdat hij zich vervolgens op zijn zwijgrecht beroept en het dossier geen aanknopingspunt biedt voor een andere gebruiker, gaat de rechtbank uit van hem als enige gebruiker. Bij verdachte C koppelt de rechtbank een Wickr-account aan hem via een afspraak op 1 december 2021 aan de Kobaltweg in Den Bosch, die overeenkomt met OVC-gesprekken waaruit blijkt dat hij op dat moment naar een zijstraat daarvan rijdt, en via chats van een derde die de gebruiker beschrijft als iemand die zes maanden in voorarrest zat en tegen wie twintig maanden was geëist, hetgeen overeenkomt met de zaak Tsunami en met zijn leeftijd. Een tweede account koppelt zij aan hem via een telefoon die op 27 juni 2022 is aangetroffen op het adres waar hij en een medeverdachte stonden ingeschreven, met de aanduiding owner en in gebruik vanaf mei 2022, terwijl de medeverdachte toen gedetineerd was. Bij verdachte E gaat het om een werkaccount van de organisatie dat door meerdere personen werd gebruikt; de rechtbank stelt aan de hand van een OVC-gesprek in de bus van een medeverdachte op 30 november 2021 om 19.05 uur en een negen minuten later verzonden Wickr-bericht met dezelfde instructie over lossen en klanten vast dat verdachte E op dat moment de berichten verstuurde.
Professioneel vuurwerk. Een deel van het aangetroffen vuurwerk valt in categorie F4 of in categorie F2 en F3 zonder aanwijzing als consumentenvuurwerk. Tien in Dülmen aangetroffen batterij enkelschotsbuizen waarbij geen categorie is aangevinkt, merkt de rechtbank met de officier van justitie aan als F4, omdat de overige enkelschotsbuizen zo zijn ingedeeld en kennelijk per abuis geen vink is gezet. Vuurwerk zonder vastgestelde categorie of met categorie P1 of P2 geldt eveneens als professioneel, omdat al het vuurwerk bestemd was voor levering aan particulieren.
Criminele organisatie. Onder verwijzing naar HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399 stelt de rechtbank vast dat van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestond van in ieder geval de vijf verdachten, al dan niet gedurende de gehele periode. De organisatie kocht vuurwerk in het buitenland in, sloeg het op in gehuurde loodsen en bunkers in Duitsland en vervoerde het in delen naar Nederland. Leden hielden zich bezig met het huren van opslagruimte, het opzetten van een afzetmarkt, inkoop en financiering, transport, laden en lossen, bestellijsten en levering. Zij kwamen samen bij het garagebedrijf van de vader van een medeverdachte, gebruikten versleutelde telefoons, wisselende gebruikersnamen en jammers, lieten ruimten en voertuigen sweepen en gebruikten afhaalplekken buiten de opslaglocaties, waarbij het voertuig van de klant aan laders werd afgegeven. De handel is seizoensgebonden.
Deelname en rol per verdachte. Verdachte A gebruikt van maart tot en met juni 2020 een EncroChat-account waarmee hij met medeverdachten spreekt over inkoop, telefoons, het gereedmaken van opslagplaatsen, het ophalen van geld, bestellingen, de productie van imitatie-cobras 6 en veiligheidsmaatregelen; EncroNotes bevatten prijzen, opslaglocaties en vuurwerkfabrieken. Zijn stelling dat hij in juni 2020 is gestopt, acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de omvang van de organisatie en zijn prominente rol; zij gaat ervan uit dat hij nog enkele maanden heeft deelgenomen om zaken over te dragen, mede gelet op reisbewegingen naar Duitsland in september 2020 waarvoor de aangevoerde botenhandel niet aannemelijk is gemaakt. Zij bewijst deelname als leider van 1 januari tot en met 1 oktober 2020 en spreekt vrij van de periode daarna.
Verdachte B wordt op grond van de bewijsmiddelen als leider aangemerkt voor de gehele periode. Verdachte C bedient afnemers, stuurt laders en lossers aan om vuurwerk uit Dülmen en Kevelaer af te leveren en noemt een medeverdachte zijn chauffeur; dat maakt hem leider. Dat hij al in het seizoen 2020 actief was, leidt de rechtbank af uit gesprekken van eind oktober 2020 over een hal en een minimale bestelhoeveelheid; dat de afluisterapparatuur op 3 februari 2022 uit zijn bus is verwijderd, betekent niet dat hij daarna niet meer deelnam, nu niet is gebleken dat hij is uitgestapt. Verdachte D gebruikt de gehele periode vier accounts, verricht in 2020 werkzaamheden op de locatie Wietmarschen, wordt op 24 september 2020 aangehouden bij het verlaten daarvan met de sleutel van de loods, 24 pakketten vuurwerk en een jammer, heeft in 2021 contact met een in Dülmen aangehouden persoon en regelt in juni 2022 wie een vrachtwagen in Hamminkeln lost. Hij had een uitvoerende maar geen ondergeschikte rol, alleen al omdat hij rechtstreeks contact had met de leiders. Verdachte E bedient eind 2021 via het werkaccount afnemers uit Dülmen en geeft instructies over laden en lossen. De rechtbank neemt aan dat hij niet pas in november 2021 instapte, mede omdat een voertuig op zijn naam in september 2021 bij de ontmoetingsplek is gezien, en bewijst deelname van 1 september 2021 tot en met 17 juli 2022.
Voorhanden hebben en opslaan. De rechtbank hanteert het criterium uit HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112: bewustheid van de waarschijnlijke aanwezigheid en feitelijke beschikkingsmacht, al dan niet met mededaders. Wie deel uitmaakt van de organisatie op het moment dat het vuurwerk wordt aangetroffen, weet van de opslagplaatsen en heeft er beschikkingsmacht over, omdat de voorraad aan de organisatie toebehoort. Voor verdachte A is Wietmarschen (circa 50.000 kilo) bewezen: hij regelde de huur, communiceerde over het gereedmaken en bood vuurwerk aan voor levering in september. Van Dülmen wordt hij vrijgesproken, omdat hij eind 2021 al ruim een jaar geen deel meer uitmaakte van de organisatie. Verdachte B wordt vrijgesproken van Kevelaer omdat van enige betrokkenheid bij die locatie niet is gebleken. Bij verdachte C wijst de rechtbank het verweer af dat de bestellingen in Kevelaer een andere bunker betroffen: het dossier bevat daarvoor geen aanwijzing en zijn bestellijsten van 28 december 2021 met de tekst op te halen Kevelaer komen overeen met wat is aangetroffen. Dat in juli nog vuurwerk lag, past bij seizoenswerk. Bij verdachte D wijst de rechtbank voor Dülmen op een sigarettenpeuk met zijn DNA, zijn vermelding als contact in de werktelefoon van twee daar aangehouden mannen en een ontmoeting op 24 december 2021. Bij verdachte E berust Dülmen op het bericht van 30 november 2021 met het adres en de uitleg over laden en lossen. In alle gevallen is de bijdrage van voldoende gewicht voor medeplegen.
Zaak B van verdachte A. Uit EncroChat-berichten blijkt dat hij in 2020 een eigen merk cobra 6 laat vervaardigen en deze eind mei 2020 aan 35 contacten te koop aanbiedt. Halverwege 2020 worden bij particulieren cobras 6 aangetroffen met afwijkende opschriften en verpakking, overeenkomend met de foto's die hij aan een medeverdachte stuurt. Uit politieonderzoek blijkt een onjuist CE-kenmerk, het ontbreken van een conformiteitsbeoordeling en juiste etikettering en verhulling van de transportgevarenklasse. De consument in Nederland weet niet dat hij een cobra 6 koopt die niet aan de standaarden voldoet; daarmee is het schadelijke karakter verzwegen. De rechtbank bewijst de periode van 1 april tot en met 31 december 2020 en spreekt vrij van cobras 8, die pas in 2021 in Dülmen zijn aangetroffen.
Redelijke termijn en artikel 63 Sr. De rechtbank neemt in alle zaken de inverzekeringstelling op 17 oktober 2022 als eerste daad van vervolging, zodat de termijn op de uitspraakdatum met ongeveer twee jaar is overschreden. Het standpunt van verdachte D dat de termijn al bij zijn aanhouding in Wietmarschen begon, verwerpt zij: hij kon toen niet in redelijkheid verwachten voor de huidige feiten te worden vervolgd. Bij artikel 63 Sr past de rechtbank de tekst toe zoals die gold ten tijde van de feiten, omdat het artikel op 1 juli 2026 is gewijzigd; het zwaartepunt ligt bij de organisatie, zodat de straf per opslaglocatie een beperkt onderdeel vormt.
Bewezenverklaring
Verdachte A: als leider deelnemen aan een criminele organisatie van 1 januari tot en met 1 oktober 2020; medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Wietmarschen; medeplegen van het verkopen, te koop aanbieden en afleveren van cobras 6, wetende dat zij schadelijk zijn en dat schadelijke karakter verzwijgend, van 1 april tot en met 31 december 2020.
Verdachte B: als leider deelnemen aan een criminele organisatie van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022; medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Wietmarschen, Dülmen en Hamminkeln.
Verdachte C: als leider deelnemen aan een criminele organisatie van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022; medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen en Kevelaer, voor Kevelaer volgens de bewezenverklaring in het vonnis tot en met 27 juni 2022.
Verdachte D: deelnemen aan een criminele organisatie van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022; medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen en Hamminkeln.
Verdachte E: deelnemen aan een criminele organisatie van 1 september 2021 tot en met 17 juli 2022; medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen.
Verdachte A wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben en opslaan van vuurwerk in Dülmen, van de deelname na 1 oktober 2020 en van het aanbieden van cobras 8. Verdachte B wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben en opslaan van vuurwerk in Kevelaer. Verdachte E wordt vrijgesproken van de deelname vóór 1 september 2021.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank weegt in alle zaken de aard van de handel mee: professioneel vuurwerk dat alleen in handen van personen met gespecialiseerde kennis mag zijn, werd in schuren en bunkers opgeslagen met brand- en explosiegevaar voor omwonenden, en de organisatie zette kwetsbare personen met verslavings- of geldproblemen in als katvangers, laders en lossers. De overschrijding van de redelijke termijn werkt telkens strafverlagend. Bij alle verdachten acht de rechtbank alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en differentieert zij naar rol en duur van de deelname.
Verdachte A krijgt 42 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, tegen een eis van 72 maanden. De rechtbank noemt hem het brein achter de organisatie: op het moment dat hij vertrok, was deze zo professioneel dat zij aan anderen kon worden overgedragen. Zij rekent hem aan dat hij, terwijl zijn hoger beroep in de zaak Tsunami nog liep, al bezig was met het gereedmaken van een loods en het laten vervaardigen van cobras 6, die door de onjuiste aanduidingen extra gevaarlijk waren voor de consument. Hij lijkt dit leven inmiddels geruime tijd achter zich te hebben gelaten.
Verdachte B krijgt overeenkomstig de procesafspraken 40 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank acht het uitgangspunt van vijf à zes jaar zonder afspraken niet onredelijk gelet op zijn leidende rol bij betalingen, leveringen en verkoop gedurende tweeënhalf jaar, en oordeelt dat 40 maanden in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, mede gelet op de strafprocesrechtelijke en maatschappelijke voordelen van een afdoening via procesafspraken.
Verdachte C krijgt 30 maanden met aftrek van voorarrest, tegen een eis van 38 maanden, wegens een leidende rol bij de verkoop aan klanten in Nederland gedurende tweeënhalf jaar. Van de bij arrest van het hof Amsterdam van 21 mei 2021 voorwaardelijk opgelegde zeven maanden gevangenisstraf gelast de rechtbank de tenuitvoerlegging van drie maanden, omdat de proeftijd pas in de laatste twee maanden van de bewezenverklaarde periode inging, inmiddels ruim twee jaar is verstreken en hij sinds zijn aanhouding niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.
Verdachte D krijgt 22 maanden met aftrek van voorarrest, tegen een eis van 24 maanden, wegens een uitvoerende rol gedurende een lange periode en betrokkenheid bij veel opslaglocaties en bij het laden en lossen. De in beslag genomen munitie kan niet worden onttrokken aan het verkeer omdat de artikelen 36c en 36d Sr geen grondslag bieden, maar evenmin worden teruggegeven; de rechtbank gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende op grond van artikel 353, tweede lid, onder c, Sv. De bestelbus Citroën Berlingo gaat terug naar de verdachte omdat niet is gebleken dat de feiten daarmee zijn gepleegd.
Verdachte E krijgt twaalf maanden met aftrek van voorarrest, tegen een eis van vijftien maanden, wegens een belangrijke rol bij de verkoop gedurende tien maanden. Van de bij arrest van het hof Amsterdam van 25 mei 2020 voorwaardelijk opgelegde vijftien maanden gevangenisstraf gelast de rechtbank de tenuitvoerlegging van tien maanden; hij was een gewaarschuwd man, maar de proeftijd is inmiddels geruime tijd verstreken.
In alle zaken bepaalt de rechtbank dat de gevangenisstraf volledig in de penitentiaire inrichting wordt ten uitvoer gelegd tot het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
Lees hier de volledige uitspraak in de zaak van verdachte A, hier die van verdachte B, hier die van verdachte C, hier die van verdachte D en hier die van verdachte E.
