Medeplegen van verduistering in dienstbetrekking van voor de voedselbank bestemde goederen: hogere straf dan geëist, met betaling aan Voedselbanken Nederland als bijzondere voorwaarde
/Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9762 en ECLI:NL:RBZWB:2026:9761
De rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeelt twee medewerkers van hetzelfde bedrijf voor het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking van pallets met verzorgingsproducten die bestemd waren voor de voedselbank. De operationeel manager logistiek zet de pallets in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 klaar, waarna de afnemer ze laat ophalen en doorverkoopt. De operationeel manager bekent; de afnemer stelt dat hij tot 2022 slechts tussenpersoon was, maar de rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig. In beide zaken oordeelt de rechtbank dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en verklaart zij medeplegen bewezen. Beide verdachten krijgen een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met als bijzondere voorwaarde dat zij € 20.000 overmaken aan Voedselbanken Nederland. Dat is meer dan het Openbaar Ministerie eist, gelet op de lange pleegperiode, het hoge verkregen voordeel en het gebruik van de voedselbank als dekmantel.
Inleiding en context
De rechtbank doet op 8 oktober 2026 uitspraak in twee samenhangende strafzaken tegen twee natuurlijke personen die beiden werkzaam waren bij het bedrijf. De zaken zijn op 24 september 2026 door de meervoudige kamer, zittingsplaats Breda, inhoudelijk behandeld, in eerste aanleg en op tegenspraak.
De eerste verdachte, geboren in 1971, is operationeel manager op de afdeling logistiek van het bedrijf. Hij wordt hierna aangeduid als de operationeel manager. De tweede verdachte, geboren in 1979, is eveneens bij het bedrijf werkzaam en treedt op als afnemer van de pallets. Hij wordt hierna aangeduid als de afnemer. Beiden hebben eerder op een andere locatie samengewerkt.
In de tenlastegelegde periode komen meerdere pallets met grote kartonnen dozen verzorgingsproducten, onder meer van Unilever, Kimberly Clark en Colgate, niet bij de voedselbank terecht. Zij worden weggenomen en doorverkocht aan derden. Beide verdachten zijn op 29 augustus 2023 aangehouden. Op 22 augustus 2022 heeft de politie de opslag van de afnemer doorzocht en daar pallets in beslag genomen.
Tenlastelegging en wettelijk kader
In beide zaken is de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv. De verdachten wordt verweten dat zij in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk pallets met verzorgingsproducten die toebehoorden aan het bedrijf en die zij of hun mededaders uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking als operationeel manager of productiemanager onder zich hadden, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend. De tenlastelegging noemt telkens twee pleegplaatsen.
Het verwijt is toegesneden op verduistering in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 322 juncto artikel 321 Sr, in verbinding met artikel 47 lid 1 Sr. Centraal staan het onder zich hebben uit hoofde van persoonlijke dienstbetrekking, de wederrechtelijke toe-eigening en de nauwe en bewuste samenwerking die voor medeplegen is vereist.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht in beide zaken het feit wettig en overtuigend bewezen. Tegen beide verdachten vordert het Openbaar Ministerie een taakstraf van 200 uur, met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
In de zaak tegen de operationeel manager bepleit de verdediging partiële vrijspraak van het medeplegen, van een van de twee ten laste gelegde pleegplaatsen en van een deel van de pleegperiode. Ten aanzien van de straf verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden, de forse overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de omvang van de schade niet is komen vast te staan. Zij verzoekt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan het voorarrest.
In de zaak tegen de afnemer bepleit de verdediging allereerst partiële vrijspraak van het medeplegen. Er is volgens haar geen nauwe en bewuste samenwerking geweest: het was de operationeel manager die bepaalde welke goederen naar de voedselbank gingen en die de bakken klaarzette, zonder taakverdeling en zonder rol van de afnemer in voorbereiding of uitvoering. Verder voert de verdediging aan dat het handelen van de afnemer niet kan worden gekwalificeerd als verduistering in dienstbetrekking, omdat de operationeel manager alle verduisteringshandelingen verrichtte en de afnemer de goederen enkel doorverkocht; hooguit is sprake van opzetheling. Tot slot bepleit zij inkorting van de pleegperiode. Ten aanzien van de straf vraagt de verdediging aandacht voor de persoonlijke omstandigheden, de forse overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen van de strafzaak, waaronder verwijtbare werkloosheid en een periode zonder inkomen.
Oordeel gerecht
In beide zaken stelt de rechtbank vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.
In de zaak tegen de operationeel manager gaat de rechtbank uit van zijn bekennende verklaring. Hij heeft meerdere pallets die bestemd waren voor de voedselbank niet geleverd, maar aangeboden aan de afnemer, aan wie hij via WhatsApp liet weten wanneer de pallets in het magazijn klaarstonden. De afnemer regelde een chauffeur. De operationeel manager ontving € 150 per verkochte doos. De rechtbank acht een nauwe en bewuste samenwerking met een vaste taakverdeling bewezen, waarbij beiden een significante rol vervulden. De operationeel manager zette vanuit zijn functie de pallets klaar en hield daarbij rekening met de wensen van de afnemer, zoals het weglaten van Glorix en Kimberley uit de dozen. De chauffeur moest zich volgens afspraak bij de balie melden met de mededeling dat hij pallets voor de voedselbank kwam ophalen. Zonder elkaars bijdragen en intensief overleg hadden de verdachten de verduistering niet kunnen plegen.
In de zaak tegen de afnemer staat diens rol centraal. Volgens de operationeel manager was de afnemer de gehele periode de enige afnemer en heeft hij sinds 2016 ongeveer 1200 bakken aan hem verkocht. De afnemer stelt pas vanaf begin 2022, toen hij een eigen loods had, zelf af te nemen en daarvoor slechts als tussenpersoon te hebben opgetreden, waarbij hij contant geld ophaalde, dit op zijn rekening stortte en doorboekte naar de operationeel manager. De rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig. Zij wijst op de bekennende verklaring van de medeverdachte, op de wisselende verklaringen van de afnemer over zijn vergoeding per transactie (€ 150 in het verhoor van 30 augustus 2023, € 100 in dat van 18 december 2023) en op een getuige die in 2018 vier keer bakken heeft afgenomen, uitsluitend zaken deed met de afnemer, hem contant betaalde, op een doos “Voedselbank” zag staan en een factuur van 26 augustus 2018 met de handtekening van de afnemer overlegt. Uit de bankgegevens blijkt dat van 25 januari 2016 tot en met 1 oktober 2021 in totaal € 263.615 contant op de rekening van de afnemer is gestort, terwijl hij van 23 maart 2017 tot en met 21 september 2020 slechts € 152.305 aan de operationeel manager heeft overgemaakt. Het verschil van ruim € 110.000 kan volgens de rechtbank geen vergoeding voor tussenpersoonschap zijn. De ter zitting gegeven verklaring over een schenking en de verkoop van grond verklaart dat verschil niet: de overboeking van ruim € 60.000 van zijn moeder kwam op een andere rekening binnen en de grondverkoop is niet onderbouwd. De rechtbank concludeert dat de afnemer steeds de pallets kocht en doorverkocht.
Dat handelen merkt de rechtbank aan als medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Beide verdachten hebben de pallets onder het mom van goederen voor de voedselbank uit de beschikkingsmacht van het bedrijf gehaald en zich opzettelijk en wederrechtelijk toegeëigend, in nauwe en bewuste samenwerking. Een afzonderlijke bespreking van het subsidiaire verweer dat hooguit sprake is van heling bevat het vonnis niet.
Over de pleegperiode overweegt de rechtbank in beide zaken gelijkluidend. Beide verdachten verklaren in 2016 met de handel te zijn begonnen en vanaf 25 januari 2016 zijn met regelmaat contante stortingen gedaan op de rekening van de afnemer, die de rechtbank aan de verduistering toeschrijft. Als einddatum neemt de rechtbank 22 augustus 2022, de datum van de doorzoeking van de opslag van de afnemer.
Het bewezenverklaarde levert in beide zaken op: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
Bewezenverklaring
De operationeel manager heeft in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk pallets met verzorgingsproducten van onder meer Unilever, Kimberly Clark en Colgate, toebehorende aan het bedrijf, die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als operationeel manager onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend.
De afnemer heeft in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk pallets met verzorgingsproducten van onder meer Unilever, Kimberly Clark en Colgate, toebehorende aan het bedrijf, die zijn mededader uit hoofde van diens persoonlijke dienstbetrekking als operationeel manager onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend.
Beide verdachten worden vrijgesproken van wat meer of anders is ten laste gelegd, waaronder telkens een van de twee ten laste gelegde pleegplaatsen.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank overweegt in beide zaken dat de verdachten meer dan zes en een half jaar verzorgingsmiddelen hebben verduisterd die bestemd waren voor de voedselbank, en daarmee in wezen hebben gestolen van de mensen die deze goederen via de voedselbank geschonken zouden krijgen. Aanvankelijk werd giraal betaald, in totaal € 152.305, en nadat de bank vragen stelde contant. Op basis van straffen in vergelijkbare zaken had zonder overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden in de rede gelegen.
Bij de operationeel manager weegt de rechtbank mee dat hij in ernstige mate misbruik heeft gemaakt van zijn positie en van het vertrouwen van werkgever en collega’s. In zijn voordeel weegt dat hij geen strafblad heeft, dat hij de feiten pleegde in een periode van financiële problemen, echtscheiding en een gokverslaving die tot schulden leidde, en dat hij volgens het reclasseringsrapport van 2 september 2026 inmiddels stabiel gehuisvest is, een vast inkomen heeft, geen schulden meer heeft en geen aanwijzingen voor een gokverslaving meer vertoont. De rechtbank rekent hem positief aan dat hij verantwoordelijkheid neemt, spijt heeft en ter zitting berouw toont.
Bij de afnemer rekent de rechtbank aan dat hij amper verantwoordelijkheid neemt en ook ter zitting zijn rol zo klein mogelijk probeert te maken, terwijl het dossier hem daarin niet steunt. In zijn voordeel weegt dat hij geen relevant strafblad heeft en volgens het reclasseringsrapport van 20 augustus 2026 een stabiele partnerrelatie, werk en een koopwoning heeft, zonder risico’s op het gebied van middelengebruik of psychosociaal functioneren.
De reclassering adviseert in beide zaken een straf zonder bijzondere voorwaarden. De redelijke termijn van artikel 6 EVRM is in beide zaken met ruim een jaar overschreden. Om die reden legt de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, maar de maximale taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest naar rato van twee uur per dag. Gelet op de aard van het delict, het behaalde voordeel en het ontbreken van een ontnemingsprocedure acht de rechtbank daarnaast een financiële straf passend. Zij geeft die vorm als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar: iedere verdachte maakt in het eerste en in het tweede jaar van de proeftijd € 10.000 over aan Voedselbanken Nederland, onder vermelding van “Gift”. Het Openbaar Ministerie houdt toezicht op de naleving. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient volgens de rechtbank als stok achter de deur voor de betalingsverplichting en moet de verdachten weerhouden van nieuwe strafbare feiten.
De rechtbank legt in beide zaken een hogere straf op dan de officier van justitie vordert. De gevorderde straf doet volgens de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit, gelet op de lange pleegperiode, het zeer hoge door de verdachten verkregen wederrechtelijk voordeel en de geraffineerdheid van het handelen, waarbij de voedselbank als dekmantel werd gebruikt. De beslissingen berusten op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 321 en 322 Sr. Over een vordering van een benadeelde partij bevatten de vonnissen geen beslissing.
Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de operationeel manager en hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de afnemer.
Gerelateerde berichten
Uitzendkracht veroordeeld voor driemaal verduistering in dienstbetrekking na systematisch leeghalen van tankstations, 19 maart 2026
Tweeluik van verduistering in dienstbetrekking van banken, 24 oktober 2025
