Twee maanden strafvermindering wegens onderzoek aan smartphones zonder machtiging van de rechter-commissaris
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 oktober 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6592
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden berecht na terugwijzing door de Hoge Raad opnieuw een drugszaak waarin de smartphones van de verdachte zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris zijn doorzocht. Het hof oordeelt dat het onderzoek aan de telefoons een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleverde en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Bewijsuitsluiting volgt niet, ook niet op grond van het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, omdat de telefoongegevens volgens het hof niet van doorslaggevende betekenis zijn naast de tapgesprekken en de verklaringen van afnemers. Het hof verklaart deelneming aan een criminele organisatie gericht op handel in harddrugs, medeplegen van cocaïnehandel, het aanwezig hebben van ruim 109 gram cocaïne en eenvoudig witwassen van € 3.750 bewezen. Volgens het hof gaf de verdachte leiding aan de organisatie en liet hij tijdens zijn verblijven in Brazilië zijn zus voor hem waarnemen. Wegens het vormverzuim brengt het hof twee maanden in mindering op de als passend beschouwde straf en legt het een gevangenisstraf van 46 maanden op, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1983. De zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2023 in de gevoegde zaken met parketnummers 16-013184-21 (de drugszaak) en 16-033814-22. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 in de laatstgenoemde zaak, verklaart de overige feiten bewezen en legt een gevangenisstraf van 54 maanden op.
Het hof verklaart de verdachte bij arrest van 26 maart 2024 niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak en bevestigt het vonnis voor het overige. De Hoge Raad vernietigt dat arrest op 9 september 2025 (nummer 24/01192), uitsluitend wat betreft de beslissingen in de drugszaak en de strafoplegging, en wijst de zaak terug. De bewezenverklaring van feit 1 in de zaak met parketnummer 16-033814-22, het beïnvloeden van een getuige, blijft in stand en komt alleen nog bij de strafoplegging aan de orde.
Het hof wijst arrest na de zitting van 18 september 2026. Centraal staat de rechtmatigheid van het onderzoek aan smartphones die bij de aanhouding van de verdachte op 7 december 2019 en bij de doorzoeking van zijn woning op 15 februari 2021 in beslag zijn genomen. Die telefoons zijn met toestemming van de officier van justitie doorzocht.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 15 februari 2021 heeft deelgenomen aan een organisatie met het oogmerk op het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van harddrugs, als bedoeld in artikel 11b Opiumwet (feit 1). Feit 2 betreft het in de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 februari 2021, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk handelen in cocaïne (artikel 2 onder B Opiumwet). Feit 3 betreft het op 15 februari 2021 opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 109,04 gram cocaïne (artikel 2 onder C Opiumwet). Feit 4 betreft het witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 3.750 op 15 februari 2021 (artikel 420bis Sr).
Voor feit 1 zijn het bestaan van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband, het oogmerk op Opiumwetmisdrijven en de deelneming van de verdachte de centrale bestanddelen. Bij feit 4 gaat het om de herkomst van het geldbedrag uit misdrijf.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal erkent dat het onderzoek aan de telefoons uit 2019 zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris een vormverzuim oplevert, maar acht de enkele constatering daarvan voldoende. De rechter-commissaris zou volgens hem zonder meer toestemming hebben gegeven, gelet op de MMA-meldingen, een CI-melding en de waarnemingen van verbalisanten die al op een sterke verdenking van drugshandel wezen. Voor de telefoons uit 2021 wijst de advocaat-generaal erop dat de rechter-commissaris toen al machtigingen had gegeven voor meerdere taps en een doorzoeking van de woning, die een grotere inbreuk op de privacy opleveren. Ook hier volstaat volgens hem de constatering, gelet op de geringe ernst van het verzuim.
De advocaat-generaal vordert bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 en een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarmee beoogt hij te voorkomen dat de verdachte, die na het ondergaan van een deel van de eerder opgelegde straf voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, opnieuw gedetineerd raakt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat alle resultaten van het onderzoek aan de smartphones van het bewijs moeten worden uitgesloten. De telefoons zijn geautomatiseerd en zonder beperkingen doorzocht, waardoor een min of meer compleet beeld van het persoonlijk leven van de verdachte is verkregen. Zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris ontbrak een juridische grondslag en is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Bewijsuitsluiting volgt volgens de verdediging ook uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder het doeltreffendheidsbeginsel van artikel 47, en uit de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaken C-419/14 en C-511/18.
Daarnaast stelt de verdediging dat niet is voldaan aan de materiële eis voor onderzoek aan smartphones, omdat de verdenking geen zware criminaliteit betreft.
Inhoudelijk bepleit de verdediging vrijspraak van feit 1 en van het dealen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 oktober 2019. Het dealen vanaf het najaar van 2019 tot de aanhouding begin 2021 heeft de verdachte bekend. Zonder de telefoongegevens kan volgens de verdediging niet worden bewezen dat de verdachte deelnam aan een criminele organisatie of langdurig in cocaïne handelde. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 voert de verdediging geen bewijsverweren. Over de straf verzoekt de raadsman om bij een bewezenverklaring een straf op te leggen zoals de advocaat-generaal vordert.
Oordeel gerecht
Het hof stelt het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, voorop, gewezen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck (4 oktober 2024, C-548/21). Onderzoek aan een elektronische gegevensdrager dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, vereist behalve in spoedeisende gevallen voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris. Van een beperkte inbreuk is geen sprake als op voorhand is te voorzien dat inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens en in andersoortige gegevens, zoals foto’s, browsergeschiedenis en uitgewisselde communicatie.
Het hof oordeelt dat vooraf viel te voorzien dat het onderzoek aan de telefoons een meer dan beperkte inbreuk zou maken, en dat dit ook is gebeurd: onderzocht zijn onder meer gebruikersgegevens, browsergeschiedenis, communicatie, (social) media, foto’s en afbeeldingen. Nu voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris ontbrak, constateert het hof een onherstelbaar vormverzuim. Het verweer over de materiële eis verwerpt het hof: de verdenking van langdurige handel in harddrugs in georganiseerd verband valt onder zware criminaliteit.
Bij het rechtsgevolg betrekt het hof de factoren van artikel 359a, tweede lid, Sv. Bewijsuitsluiting ter voorkoming van een schending van artikel 6 EVRM is niet aan de orde, omdat een schending van artikel 8 EVRM niet zonder meer een inbreuk op het eerlijk proces meebrengt. Evenmin is sprake van een ernstige schending waarbij bewijsuitsluiting nodig is om vergelijkbare verzuimen in de toekomst te voorkomen. Het hof betrekt daarbij dat het Openbaar Ministerie na het Landeck-arrest een werkwijze hanteert waarbij vóór het daadwerkelijke onderzoek van de veiliggestelde inhoud een machtiging van de rechter-commissaris wordt gevorderd (met verwijzing naar HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615).
Het beroep op het doeltreffendheidsbeginsel faalt eveneens. Het hof stelt voorop dat de lidstaten op grond van procedurele autonomie de procedureregels vaststellen. Het doeltreffendheidsbeginsel verplicht tot het buiten beschouwing laten van in strijd met het Unierecht verkregen bewijs als de verdachte daarop niet doeltreffend kan reageren en het bewijs een doorslaggevende invloed op de beoordeling van de feiten kan hebben. De gegevens uit de telefoons zijn volgens het hof niet van doorslaggevende betekenis voor de feiten 1 en 2, omdat ook de tapgesprekken en de verklaringen van afnemers van groot belang zijn. Het hof acht bewijsuitsluiting te ver gaan en houdt met het verzuim rekening bij de strafoplegging.
Voor het bewijs neemt het hof de bewijsmiddelen van de rechtbank grotendeels over. Het hof gebruikt onder meer de bekennende verklaring van de verdachte ter zitting bij de rechtbank, WhatsApp-gesprekken uit de in 2019 inbeslaggenomen iPhone XS, verklaringen van afnemers, vluchtgegevens waaruit verblijven in Brazilië blijken, tapgesprekken op meerdere dealerlijnen vanaf oktober 2020 en de vondsten bij de doorzoekingen van 15 februari 2021.
Bij feit 2 acht het hof bewezen dat de verdachte vanaf 1 maart 2017 met anderen in cocaïne handelde. Meerdere afnemers verklaren in maart 2021 al vier jaar bij de verdachte te kopen, en de chatberichten uit oktober tot en met december 2019 ondersteunen die verklaringen. Het hof gaat uit van de verklaringen die twee afnemers bij de politie hebben afgelegd: die zijn concreet en worden door ander bewijs ondersteund, terwijl een van hen bij de rechter-commissaris deels terugkomt op zijn verklaring. Voor de periode vóór 1 maart 2017 spreekt het hof partieel vrij. Een bewezenverklaring zou alleen kunnen steunen op de verklaring van één afnemer, die geen steun vindt in ander bewijs en niet eenduidig is over de periode.
Bij feit 1 hanteert het hof het vereiste van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur (vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Het hof stelt vast dat de verdachte vanaf eind 2019 leiding gaf aan de gezamenlijke handel in cocaïne en medeverdachten aanstuurde. Tijdens zijn verblijven in het buitenland nam zijn zus, een medeverdachte, op zijn instructie de leiding over. Vaste ‘rijders’ bezorgden de drugs en vouwden ponypacks. Dealerlijnen werden door meerdere personen bemand, nieuwe nummers werden aan afnemers bekendgemaakt met een sms ondertekend met de naam van de verdachte, en een medeverdachte gaf zich aan de telefoon voor de verdachte uit. Het hof acht het samenwerkingsverband duurzaam en gestructureerd. De reële mogelijkheid dat deelnemers daarnaast zelfstandig handelden, doet daaraan niet af.
Feit 3 acht het hof bewezen op grond van de vondst van in totaal 109,04 gram cocaïne in de woning van de verdachte. Bij feit 4 stelt het hof vast dat niet is gebleken van legale inkomsten. Omdat de verdachte vanaf maart 2017 in harddrugs handelde en geen legale herkomst aannemelijk is geworden, gaat het hof ervan uit dat het geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, en acht het hof het impliciet subsidiair tenlastegelegde eenvoudig witwassen bewezen.
Het hof kwalificeert feit 1 als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, Opiumwet. Feit 2 levert medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B Opiumwet op, feit 3 opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C Opiumwet en feit 4 eenvoudig witwassen. De kwalificatie van feit 1 vermeldt geen deelneming als leider.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart in de zaak met parketnummer 16-013184-21 bewezen dat de verdachte:
in de periode van 1 december 2019 tot en met 15 februari 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, die tot oogmerk had het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van harddrugs (feit 1);
in de periode van 1 maart 2017 tot en met 15 februari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd (feit 2);
op 15 februari 2021 opzettelijk ongeveer 109,04 gram cocaïne aanwezig heeft gehad (feit 3);
op 15 februari 2021 een geldbedrag van ongeveer € 3.750 voorhanden heeft gehad, afkomstig uit eigen misdrijf, gekwalificeerd als eenvoudig witwassen (feit 4).
De verdachte wordt vrijgesproken van wat meer of anders is tenlastegelegd, waaronder de handel in cocaïne vóór 1 maart 2017. In de bewijsoverwegingen bij feit 1 noemt het hof een periode vanaf 1 oktober 2019, terwijl de bewezenverklaring begint op 1 december 2019; de uitspraak licht dit verschil niet toe.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof weegt de leidinggevende rol van de verdachte in een criminele organisatie die in cocaïne handelde, het gebruik van zijn woning als afhaal- en verkooplocatie en het actief houden van de organisatie tijdens zijn verblijf in het buitenland. Daaraan vooraf gaat bijna vier jaar medeplegen van cocaïnehandel. Het hof betrekt de schade voor de gezondheid van afnemers en de bijdrage aan de instandhouding van de cocaïnehandel, met de bijbehorende gevaren voor openbare orde en maatschappelijke veiligheid. Het in de andere zaak bewezenverklaarde beïnvloeden van een nog door de rechter-commissaris te horen getuige laat volgens het hof zien dat de verdachte er niet voor terugdeinst een eerlijk strafproces te schaden.
Het hof gaat uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur en acht alleen een langdurige vrijheidsbenemende straf passend. Twee eerdere veroordelingen voor Opiumwetfeiten, blijkend uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 19 augustus 2026, weegt het hof niet strafverzwarend mee omdat zij langer geleden zijn. Strafverzwarend weegt wel dat de verdachte slechts gedeeltelijk verantwoordelijkheid neemt; zijn rol is groter dan hij wil doen voorkomen.
In beginsel acht het hof de gevorderde straf passend. Anders dan de advocaat-generaal verbindt het hof wel een rechtsgevolg aan het vormverzuim: het onderzoek aan de telefoon maakte zonder de vereiste rechterlijke machtiging inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, en het hof brengt daarom twee maanden in mindering. De redelijke termijn is in eerste aanleg en in de cassatiefase gering overschreden; het hof volstaat met de enkele constatering daarvan.
Voor de feiten 1 tot en met 4 in de drugszaak en feit 1 in de zaak met parketnummer 16-033814-22 legt het hof een gevangenisstraf op van 46 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel in voorarrest uitgezeten.
Het hof verklaart twee Nokia-telefoons, de iPhone XS en een Toyota die op naam staat van een medeverdachte verbeurd, met toepassing van artikel 33a, tweede lid, onder a, Sr voor de auto. De verdovende middelen en twee weegschalen met wit poeder worden onttrokken aan het verkeer. Het hof gelast de teruggave van de overige telefoons, een schrift, een sleutelbos, een sleutel, vier usb-sticks en een micro-SD-kaart. Het hof past de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 63, 285a en 420bis.1 Sr en de artikelen 2, 10 en 11b Opiumwet toe.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
HR Post-Landeck uitspraak i.v.m. ‘uitlezen’ smartphones door de politie., 10 september 2025
