Hoge Raad stelt prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over het zonder voorafgaande rechterlijke machtiging maken van een kopie van een inbeslaggenomen smartphone en geeft een voorlopig oordeel

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615

De Hoge Raad behandelt prejudiciële vragen van de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant over het maken van een kopie van de inhoud van een inbeslaggenomen smartphone zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Centraal staat het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck, dat voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan eist als toegang tot persoonsgegevens het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten meebrengt. Volgens de Hoge Raad laat die rechtspraak twee lezingen toe over het moment waarop dat risico ontstaat, en daarom stelt hij zelf een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. In verband met lopende strafzaken geeft de Hoge Raad een voorlopig oordeel: een werkwijze waarbij politie en justitie bij wijze van bevriezingsmaatregel zonder voorafgaande machtiging een kopie van de inhoud maken, is niet onverenigbaar met het Unierecht.
Een reëel risico op een ernstige inmenging ontstaat naar dat voorlopige oordeel pas wanneer een opsporingsambtenaar daadwerkelijk inhoudelijk kennis kan nemen van de gegevens. De Hoge Raad gaat ook in op de verbalisering van de inrichting en omvang van het onderzoek en op een mogelijke aanwijzing van het Openbaar Ministerie, en houdt iedere verdere beslissing aan.

Achtergrond

De zaak betreft een prejudiciële procedure op grond van artikel 553 Sv, zaaknummer 26/00575 PJV. Een veroordeling, tenlastelegging of opgelegde straf is niet aan de orde.

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1988. Hij wordt op 19 december 2025 aangehouden op verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 2 onder B in samenhang met artikel 10 lid 4 Opiumwet. Dezelfde dag wordt een iPhone in beslag genomen die (vermoedelijk) bij hem in gebruik is. De telefoon wordt overgedragen aan de digitale recherche.

De officier van justitie vordert een machtiging voor onderzoek van de gegevens in de iPhone. Volgens het proces-verbaal van aanvraag is vanwege het spoedeisend belang al een forensische kopie (image) gemaakt bij wijze van bevriezingsmaatregel, en ziet de vordering alleen op het onderzoek aan de veiliggestelde gegevens. Voor het maken van de kopie is geen machtiging gevorderd. De rechter-commissaris leidt uit het standpunt van de officier van justitie af dat met dat spoedeisend belang niet wordt gedoeld op de uitzondering voor naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen uit de Landeck-rechtspraak, en stelt vast dat het leven, de veiligheid of de gezondheid van mensen in deze zaak niet ernstig in gevaar kan worden gebracht. Bij beschikking van 20 februari 2026, nummer 01-008324-26, stelt de rechter-commissaris prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

Cassatiemiddelen

In deze procedure zijn geen cassatiemiddelen voorgesteld. De rechter-commissaris legt vier prejudiciële vragen voor.

De eerste vraag is of bij het maken van een kopie van een smartphone, of een poging daartoe, in alle gevallen sprake is van toegang tot persoonsgegevens die het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten meebrengt, zodat volgens HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21 (CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck) een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris nodig is, of dat de beschreven werkwijze dat risico voldoende inperkt. De tweede vraag is of het Nederlandse stelsel van strafvordering, als zo’n machtiging wel nodig is, toelaat dat die in spoedeisende gevallen achterwege blijft. De derde vraag is wat onder spoedeisende gevallen moet worden verstaan en hoe die zich onderscheiden van gevallen van dringende noodzaak waarin een mondelinge machtiging kan worden gevorderd. De vierde vraag is wat het gevolg is van het ontbreken van een machtiging voor het maken van de kopie voor de beslissing op de vordering tot het verlenen van een machtiging voor het onderzoek aan de gegevens.

Het Openbaar Ministerie dient schriftelijke opmerkingen in. De advocaat-generaal Van Kempen neemt conclusie; de uitspraak vermeldt als formele relaties ECLI:NL:PHR:2026:604 en ECLI:NL:PHR:2026:727. De conclusie strekt tot beantwoording door de Hoge Raad van de eerste prejudiciële vraag. Het Openbaar Ministerie reageert daarop schriftelijk.

Beoordeling Hoge Raad

In rechtsoverweging 4 geeft de Hoge Raad de werkwijze weer zoals het Openbaar Ministerie die beschrijft, met de uitdrukkelijke kanttekening dat deze weergave niet op eigen vaststellingen berust. Jaarlijks worden ongeveer 40.000 digitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken in beslag genomen. Vanwege het risico dat gegevens op afstand worden gewist of anderszins verloren gaan, maakt een opsporingsambtenaar snel na de inbeslagneming een kopie van de inhoud; de vliegtuigstand of een Faraday-zak ondervangt dat risico volgens het Openbaar Ministerie onvoldoende. De forensische software kan niet selectief kopiëren, zodat zoveel mogelijk een één-op-één kopie van de bruto data ontstaat, die voor mensen niet leesbaar en analyseerbaar is. Het onderzoeksteam heeft geen toegang tot die gegevens. Kopiëren en omzetten gebeurt in beginsel met technische hulpmiddelen en waar nodig door opsporingsambtenaren buiten het onderzoeksteam. Daarna vordert het Openbaar Ministerie een machtiging van de rechter-commissaris, en pas na selectie binnen de kaders van die machtiging (netto data) krijgt het onderzoeksteam inhoudelijke toegang. Het Openbaar Ministerie motiveert deze werkwijze met de vereiste evenredigheidstoets voorafgaand aan inhoudelijke toegang, de toenemende beveiliging van smartphones, de positieve verplichting tot effectief onderzoek in zaken waarin gegevens van slachtoffers van belang zijn, zoals sextortion, stalking en bankhelpdeskfraude, en het bezwaar dat een rechterlijke toetsing direct na de inbeslagneming bij gebrek aan informatie marginaal zou zijn en tot twee opeenvolgende vorderingen zou leiden.

Voor het juridisch kader stelt de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.1 voorop dat het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv geen voorafgaande rechterlijke machtiging eist, en dat ook het Unierecht dat niet doet. Hij geeft zijn arrest van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, weer, waarin de punten 72 tot en met 76, 89 tot en met 94 en 102 tot en met 105 van het Landeck-arrest (ECLI:EU:C:2024:830) zijn aangehaald, en herhaalt dat het mede van de aard en inrichting van het onderzoek afhangt of de toegang het risico van een ernstige inmenging oplevert, en dat het Openbaar Ministerie geen onafhankelijk bestuursorgaan is (HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475). De Hoge Raad noemt verder de artikelen 7 en 8 van het Handvest, artikel 8 en overweging 33 van Richtlijn 2016/680 en het arrest van het Hof van Justitie van 16 juli 2026, C-258/23 tot en met C-260/23, ECLI:EU:C:2026:585 (IMI e.a./Autoridade da Concorrência). Uit dat mededingingsrechtelijke arrest leidt hij in rechtsoverweging 5.6 af dat aan rechterlijke toetsing van toegang tot gegevens een verzegeling van het apparaat kan voorafgaan; de bevriezingsmaatregel is daarmee tot op zekere hoogte vergelijkbaar. Uit de rechtspraak over Richtlijn 2002/58/EG volgt bovendien dat voorafgaande toetsing niet nodig is als de inmenging niet als ernstig kan worden aangemerkt.

In rechtsoverweging 6.1 overweegt de Hoge Raad dat, als de inbeslagneming van een smartphone is voorzien, al vooraf een machtiging voor het onderzoek kan worden gevorderd, waarin kan worden aangeduid dat aan dat onderzoek zo nodig een kopie voorafgaat. Bij een niet voorziene inbeslagneming kan het noodzakelijk zijn zo snel mogelijk een kopie te maken. De vraag is dan wanneer sprake is van toegang die het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging meebrengt.

Volgens rechtsoverweging 6.2 laat de rechtspraak van het Hof van Justitie daarover twee lezingen toe. In de eerste lezing, die aanknoopt bij de samenhang tussen punt 102 en punt 73 van het Landeck-arrest, ontstaat het risico al bij iedere poging om toegang tot de gegevens te verkrijgen, zodat al vóór het maken van een kopie een rechterlijke machtiging nodig is; het risico op verlies van gegevens kan dan structureel een spoedeisend geval opleveren. In de tweede lezing is voorafgaande toetsing pas vereist als het risico zich daadwerkelijk kan verwezenlijken. Dat doet zich nog niet voor bij een voor het onderzoeksteam ontoegankelijke kopie; een rechterlijke toetsing die alleen het bevriezen betreft, dient op dat moment geen redelijk doel. Die twee lezingen vormen aanleiding voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

In rechtsoverweging 6.3 geeft de Hoge Raad als voorlopig oordeel dat de overwegingen van het Hof van Justitie over het evenredigheidsbeginsel steun geven aan de tweede lezing. In de eerste lezing zou het risico al bij de inbeslagneming ontstaan, terwijl het Unierecht voor inbeslagneming geen voorafgaande toetsing eist. Van een ernstige inmenging kan pas sprake zijn bij een reëel risico dat daadwerkelijk kennis wordt genomen van persoonsgegevens, met de mogelijkheid van combinatie met andere gegevens. Bij het maken van een kopie is dat nog niet zo. Een daaraan voorafgaande toetsing kan geen zinvolle afweging van alle relevante elementen behelzen, omdat de software niet selectief kan kopiëren en op dat moment onvoldoende informatie beschikbaar is om de latere kennisneming af te bakenen. Als technisch kan worden gewaarborgd dat vóór de machtiging geen opsporingsambtenaar inhoudelijk kennis kan nemen van de gegevens, vergt het Unierecht naar het voorlopige oordeel geen rechterlijke toetsing voorafgaand aan het kopiëren en aan de technische handelingen om de gegevens om te zetten in leesbare en analyseerbare gegevens.

In rechtsoverweging 6.3.4 wijst de Hoge Raad op het gezag van het Openbaar Ministerie over de opsporing (artikel 148 Sv). De officier van justitie moet verzekeren dat opsporingsambtenaren vóór de vereiste machtiging geen inhoudelijke toegang krijgen. Uit het systeem van het Nederlandse strafprocesrecht volgt de eis dat de inrichting en omvang van het onderzoek, ook op dit punt, in een proces-verbaal worden vastgelegd. Aan de waarborg dat de werkwijze in overeenstemming is met het Unierecht en het Nederlandse strafprocesrecht zou volgens de Hoge Raad kunnen bijdragen een aanwijzing van het Openbaar Ministerie in de zin van artikel 130 lid 6 Wet RO, die als recht in de zin van artikel 79 Wet RO en daarmee als lidstatelijk recht kan worden aangemerkt. Daarin kan onder meer worden vastgelegd dat handelingen vóór de inhoudelijke kennisneming zoveel mogelijk geautomatiseerd plaatsvinden, dat uit de verslaglegging ook de inrichting en omvang van het onderzoek blijken en dat aan inhoudelijke kennisneming een rechterlijke machtiging voorafgaat. Of de gevolgde werkwijze in een concreet geval die eisen respecteert, is bij een verweer op grond van artikel 359a Sv ter beoordeling van de strafrechter, met mogelijke toepassing van de daarin genoemde rechtsgevolgen. In rechtsoverweging 6.3.5 voegt de Hoge Raad toe dat een rechterlijke machtiging alleen achterwege kan blijven in de uitzonderlijke gevallen waarin voorzienbaar is dat inhoudelijke toegang tot bepaalde gegevens geen risico van een ernstige inmenging oplevert.

In rechtsoverweging 6.4 concludeert de Hoge Raad voorlopig dat een werkwijze waarbij zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris een kopie wordt gemaakt van de inhoud van een inbeslaggenomen smartphone, of een poging daartoe wordt gedaan, niet onverenigbaar is met het Unierecht, en dat de eerste vraag van de rechter-commissaris ontkennend zou moeten worden beantwoord. Omdat de rechtspraak van het Hof van Justitie op verschillende manieren kan worden gelezen, zoals ook blijkt uit de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 8.9 aangehaalde bronnen, stelt de Hoge Raad een prejudiciële vraag.

De overige vragen van de rechter-commissaris blijven onbesproken. De Hoge Raad merkt in rechtsoverweging 6.5.2 wel op dat, nu het kopiëren vooralsnog zonder voorafgaande rechterlijke toetsing kan plaatsvinden, slechts in uitzonderlijke situaties sprake kan zijn van een spoedeisend geval waarin zonder voorafgaande toetsing toegang wordt verkregen en inhoudelijk kennis wordt genomen van de gegevens. Hij noemt een onmiddellijke bedreiging voor het leven, de fysieke integriteit of de veiligheid van een persoon of voor een kritieke infrastructuur, terwijl een voorafgaande mondelinge machtiging van de rechter-commissaris (vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, rechtsoverweging 5.2.5) niet kan worden afgewacht.

In rechtsoverweging 7 overweegt de Hoge Raad dat niet kan worden gezegd dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de beantwoording van de eerste vraag, en dat de rechtspraak van het Hof van Justitie daarop geen eenduidig antwoord geeft. De vraag aan het Hof van Justitie luidt of het Unierecht, in het bijzonder Richtlijn 2016/680, eraan in de weg staat dat na de inbeslagneming van een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, waaronder een smartphone, een voor mensen niet leesbare en niet analyseerbare kopie van de inhoud wordt gemaakt, of een poging daartoe wordt ondernomen, zonder dat daaraan een rechterlijke toetsing voorafgaat. In lopende strafzaken kan in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van het voorlopige oordeel worden uitgegaan.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan op de gestelde prejudiciële vraag.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^