Rechtbank volgt procesafspraken in grootschalige belastingfraudezaak: achttien maanden gevangenisstraf, afstand van beslag en geen ontneming bij een nadeel van ruim € 1,65 miljoen

Rechtbank Overijssel 19 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6248

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 26-jarige man tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden voor het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting ten name van anderen. De verdachte biedt via sociale media boekhouddiensten aan met een geld-terug-garantie en dient voor honderden belastingplichtigen aangiften in die tot onterechte teruggaven leiden. De zaak wordt afgedaan op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. Daarin ziet de verdachte af van onderzoekswensen en bewijsverweren en doet hij afstand van inbeslaggenomen goederen met een waarde van € 156.127,40, terwijl het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering indient. De rechtbank toetst de afspraken aan artikel 6 EVRM en verklaart het medeplegen en het doen plegen van het opzettelijk onjuist doen van aangiften bewezen. Zij gaat uit van een door de FIOD berekend belastingnadeel van € 1.653.332 en legt de overeengekomen straf op.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2000, die ten tijde van het vonnis in een penitentiaire inrichting verblijft. Het strafrechtelijk onderzoek Chatswood begint met een signaal van de Belastingdienst. Over het vierde kwartaal van 2023 en de kwartalen van 2024 zijn aangiften omzetbelasting gedaan op naam van de verdachte, zijn echtgenote en familieleden, die telkens tot een teruggave leiden en alle vanaf een IP-adres in gebruik bij de verdachte zijn ingediend.

Uit verder onderzoek blijkt dat de verdachte via sociale media diensten als boekhouder aanbiedt, met een zogenoemde geld-terug-garantie, en daarvoor commissie rekent. Hij verzorgt voor honderden belastingplichtigen ruim 1.400 aangiften en suppleties omzetbelasting over 2024 en 2025, waarin in een groot aantal gevallen onjuiste bedragen aan voorbelasting zijn opgenomen. De teruggaven bedragen € 5.000 tot € 10.000 per aangifte. Daarnaast dient hij aangiften inkomstenbelasting over 2024 en 2025 in met onjuiste bedragen in de rubriek resultaat uit overige werkzaamheden.

Het vonnis is gewezen in eerste aanleg, op tegenspraak, na zittingen op 24 augustus en 5 oktober 2026. Op 24 september 2026 informeert de officier van justitie de rechtbank dat het Openbaar Ministerie en de verdediging overeenstemming hebben bereikt over procesafspraken.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De tenlastelegging is op 5 oktober 2026 gewijzigd; het vonnis noemt daarbij artikel 314a Sv. Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025, al dan niet samen met anderen, opzettelijk acht aangiften omzetbelasting van verschillende belastingplichtigen over kwartalen in 2024 en 2025 onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen of laten doen, door een onjuist bedrag aan verschuldigde of aftrekbare omzetbelasting op te geven.

Feit 2 betreft acht aangiften inkomstenbelasting over 2024 en 2025 met een onjuist bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden, in de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026. Bij beide feiten is daarnaast het valselijk opmaken of doen opmaken van de aangiften ten laste gelegd, met het oogmerk ze als echt en onvervalst te gebruiken; het vonnis noemt voor deze variant geen wetsartikel.

De rechtbank kwalificeert het bewezenverklaarde op grond van artikel 69, tweede lid, AWR in verbinding met artikel 47 Sr. Centraal staan het opzet en het strekkingsvereiste: het feit moet ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het afdoeningsvoorstel houdt in dat het Openbaar Ministerie rekwireert tot bewezenverklaring van, kort gezegd, het medeplegen van het (doen) indienen van onjuiste aangiften omzet- en inkomstenbelasting en tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest. Het Openbaar Ministerie dient geen ontnemingsvordering in en stelt geen hoger beroep in als de rechtbank conform de afspraken beslist. Ter zitting bevestigen officier van justitie en raadsman dat een andere kwalificatie de afspraken onverlet laat. De officier van justitie vordert bewezenverklaring van beide feiten en een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert, onder verwijzing naar het afdoeningsvoorstel, geen bewijsverweer en geen formele verweren. Volgens de afspraken ziet de verdachte af van onderzoekswensen, doet hij afstand van de inbeslaggenomen goederen (voorwerpen 1 tot en met 5, totaal € 156.127,40), stelt hij geen hoger beroep in bij afdoening conform de afspraken en doet hij geen verzoeken tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis tot het vonnis onherroepelijk is. Over de straf verzoekt de raadsman de eis te volgen.

Oordeel gerecht

De rechtbank bespreekt de procesafspraken ter zitting indringend met de verdachte. Hij verklaart te begrijpen wat de afspraken inhouden en wat de gevolgen zijn, er volledig achter te staan en de overeenkomst vrijwillig en zonder druk te zijn aangegaan, steeds voorzien van rechtsbijstand. De rechtbank stelt vast dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en bewust van de rechtsgevolgen, heeft besloten mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, zodat aan artikel 6 EVRM is voldaan. Zij benadrukt dat zij geen partij is bij de afspraken, daaraan niet gebonden is en dat de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend zijn.

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd en de officier van justitie is ontvankelijk. Omdat de verdachte de feiten heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen (artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv). Zij noemt onder meer het proces-verbaal van het zesde verhoor van 20 augustus 2026, de bekennende verklaring ter zitting, een onderzoek naar transacties, aangiften en IP-adressen, processen-verbaal van bevindingen per belastingplichtige en berekeningen van het nadeel voor omzet- en inkomstenbelasting.

Feit 1 levert medeplegen op voor zes aangiften en doen plegen voor twee aangiften van het opzettelijk onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, telkens meermalen gepleegd. Feit 2 levert medeplegen van hetzelfde misdrijf op, meermalen gepleegd.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025 in Nederland, samen met anderen, meermalen opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting van zes belastingplichtigen over kwartalen in 2024 en 2025, door een onjuist bedrag aan verschuldigde of aftrekbare omzetbelasting op te geven, terwijl dit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

  • Feit 1: in dezelfde periode meermalen opzettelijk onjuist laten doen van aangiften omzetbelasting van twee belastingplichtigen over het eerste kwartaal van 2025, met dezelfde strekking.

  • Feit 2: in de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026 in Nederland, samen met anderen, meermalen opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting van acht belastingplichtigen over 2024 en 2025, door een onjuist bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden op te geven, met dezelfde strekking.

De verdachte wordt vrijgesproken van wat meer of anders is ten laste gelegd, waaronder de varianten van valselijk opmaken. In de bewezenverklaring van feit 1 staat voor één belastingplichtige het derde kwartaal van 2025, terwijl de tenlastelegging het derde kwartaal van 2024 noemt; het vonnis licht dit niet toe.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van achttien maanden met aftrek van voorarrest, overeenkomstig de eis en het afdoeningsvoorstel. De tenuitvoerlegging vindt plaats in de penitentiaire inrichting tot het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

De rechtbank weegt mee dat de verdachte grootschalige belastingfraude heeft gepleegd met een door de FIOD berekend nadeel van € 1.653.332. Niet alle aangiften zijn onderzocht en volgens de rechtbank mag worden aangenomen dat het werkelijke nadeel hoger ligt. De verdachte heeft het vertrouwen in belastingaangiften geschaad en het heffingssysteem ondermijnd. Zwaar rekent de rechtbank hem aan dat hij na zijn invrijheidstelling op 4 februari 2026 is doorgegaan met het indienen van onjuiste aangiften, en dat hij zich kennelijk alleen door geldelijk gewin heeft laten leiden.

Uit het reclasseringsadvies van 28 september 2026 volgt stabiliteit op meerdere leefgebieden, geen schulden- of middelenproblematiek en een laag tot matig recidiverisico; de reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. De verdachte is niet eerder veroordeeld. De rechtbank stelt voorop dat zij een eigen belangenafweging maakt en dat gezien de ernst en omvang van de feiten alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is.

Over de inbeslaggenomen voorwerpen neemt de rechtbank geen beslissing, omdat de verdachte daarvan afstand heeft gedaan. Een ontnemingsvordering is conform de afspraken niet ingediend. De beslissing berust mede op artikel 57 Sr.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^