Optillen van een kleed in een woning valt onder de onderzoeksbevoegdheid van artikel 21 WED: veroordeling voor opslag en online aanbod van professioneel vuurwerk

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 2 oktober 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2696

Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch veroordeelt een man, geboren in 1997, voor het opzettelijk opslaan en voorhanden hebben van 437 stuks professioneel vuurwerk in zijn woning en voor het via Telegram te koop aanbieden van professioneel vuurwerk. De politie treft het vuurwerk aan nadat een verbalisant in de woonkamer een kleed optilt dat over gestapelde dozen ligt. De verdediging voert aan dat dit een doorzoeking zonder machtiging is en bepleit bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv. Het hof verwerpt dat verweer en oordeelt, in lijn met een arrest van de Hoge Raad over artikel 23 WED, dat de onderzoeksbevoegdheid van artikel 21 WED zich niet beperkt tot zoekend rondkijken. Het optillen van het kleed valt volgens het hof binnen die bevoegdheid, mede omdat de verdachte op de vordering tot uitlevering heeft gezegd dat de verbalisanten zelf moesten kijken. Het hof legt een gevangenisstraf op van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, zwaarder dan de advocaat-generaal vordert, en beveelt de onttrekking aan het verkeer van het vuurwerk.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1997. De economische kamer van het hof beslist op het door de verdachte ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 februari 2025. De politierechter veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het arrest is gewezen op tegenspraak.

Op 5 december 2023 ziet een verbalisant dat in een Telegramgroep een bericht is geplaatst waarin Cobra 6, Shock Bulldogs en 3-inch shells te koop worden aangeboden, met prijzen per stuk en per partij, gratis bezorging in de regio en de mogelijkheid tot ophalen. Bij het bericht staat een video van dozen vuurwerk met een briefje met de accountnaam en datum en tijd. Het telefoonnummer dat aan het account is gekoppeld, staat op naam van de verdachte. Op 6 december 2023 gaan verbalisanten met een machtiging tot binnentreden naar de woning van de verdachte. Tegenover de voordeur treffen zij onder een blauw kleed vijf gestapelde dozen aan, waarvan de bovenste openstaat en verpakkingen Shock Bulldog bevat. Het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk deelt het vuurwerk in als professioneel vuurwerk van categorie F4 (Lijst III van de Richtlijn voor strafvordering vuurwerkdelicten).

Op de kennisgeving van inbeslagneming staan 248 stuks Cobra 6 en 59 stuks shell 3. Volgens de telling van het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk gaat het om 308 en 58 stuks; de verbalisant merkt dit verschil op in het proces-verbaal relaas. Het onderzoeksrapport spreekt van Bomba Kulista, de tenlastelegging en het dictum van Bomba Kolista.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij op 6 december 2023 al dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, in zijn woning heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad, te weten 308 stuks Super Cobra 6, 36 stuks Shock Bull Dog, 58 stuks Bomba Kolista (shell 3) en 35 stuks Bomba Kolista (shell 4) (feit 1).

Daarnaast wordt hem verweten dat hij op 5 december 2023 al dan niet opzettelijk, ter voorbereiding of bevordering van handelingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid van artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit, te weten het ter beschikking stellen aan een ander van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, heeft getracht een ander tot die handelingen te bewegen (a), heeft getracht zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen (b), en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad (c), door via Telegram een advertentie of bericht te plaatsen waarin hij professioneel vuurwerk te koop aanbiedt (feit 2).

Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit en de artikelen 1a, 2 en 6 WED. Voor het bewijsverweer staan de opsporingsbevoegdheden van de artikelen 20 en 21 WED centraal.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis, behalve wat de straf betreft. Hij vordert een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit primair integrale vrijspraak wegens een onrechtmatige doorzoeking van de woning. De machtiging tot binnentreden is uitgeschreven op grond van artikel 96 lid 1 Sv en artikel 20 WED. Artikel 20 WED geeft volgens de verdediging slechts een bevoegdheid tot betreden van plaatsen en artikel 96 Sv bevat evenmin een doorzoekingsbevoegdheid. Het optillen van een kleed om daaronder verborgen goederen in het zicht te brengen is geen zoekend rondkijken maar doorzoeken, waarvoor geen machtiging is afgegeven. Dit onherstelbare vormverzuim moet leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat daarna is gevonden, waarna onvoldoende bewijs resteert.

Subsidiair voert de verdediging aan dat, als het optillen van het kleed geen doorzoeken is, dat wel geldt voor het openen van de vier overige, gesloten dozen. In dat verband bepleit zij dat voor feit 1 alleen een bewezenverklaring kan volgen voor 36 stuks vuurwerk. Daarnaast voert de verdediging een strafmaatverweer, waarvan de inhoud niet in het arrest is weergegeven.

Oordeel gerecht

Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Waarin die bewezenverklaring verschilt, maakt het arrest niet kenbaar.

Het hof stelt vast dat aan de verbalisanten een machtiging tot binnentreden ter inbeslagneming is verstrekt op grond van onder meer artikel 20 WED. In de woning vordert een verbalisant de uitlevering van al het aanwezige vuurwerk, waarop de verdachte zegt dat zij zelf moeten kijken. Een verbalisant tilt daarop een kleed op dat over een geopende doos met illegaal vuurwerk ligt.

Op grond van artikel 21 WED mogen opsporingsambtenaren onderzoek aan zaken doen en verpakkingen openen. Die bepaling is bij wet van 4 december 1997 (Stb. 1997, 580) geredigeerd overeenkomstig artikel 5:18 Awb, omdat de wetgever de opsporingsbevoegdheden van de WED wilde harmoniseren met titel 5.2 Awb. Het hof verwijst naar HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1511, waarin de Hoge Raad over artikel 23 WED oordeelt dat de wetgever de reikwijdte van de onderzoeksbevoegdheden van de artikelen 5:18 en 5:19 Awb niet heeft willen normeren aan de hand van het onderscheid tussen zoekend rondkijken en doorzoeken. Het hof benadert het begrip onderzoeken in artikel 21 WED, gezien de totstandkomingsgeschiedenis, op gelijke wijze: het onderzoek vindt plaats in het belang van de opsporing met het oog op de naleving van de betreffende voorschriften, strekt niet verder dan redelijkerwijs nodig is en hoeft zich niet te beperken tot zoekend rondkijken. Het hof merkt daarbij op dat ook zoekend rondkijken volgens vaste rechtspraak meer toelaat dan kijken met de handen op de rug (vgl. HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6238; HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:642; Hof Amsterdam 21 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1746), temeer bij voor de hand liggende voorwerpen zoals dozen.

Het optillen van het kleed valt volgens het hof binnen artikel 21 WED, gebeurt in het belang van de opsporing en gaat niet verder dan redelijkerwijs nodig is. Het hof betrekt daarbij de reactie van de verdachte op de vordering tot uitlevering en het gegeven dat uit het dossier niet blijkt dat de woning verder indringend, laat staan stelselmatig, is doorzocht. Het primaire verweer wordt verworpen. Ook het subsidiaire verweer faalt: de bovenste doos staat open, de verbalisanten zien daarin illegaal vuurwerk en de dozen zijn rechtmatig op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen en voor nader onderzoek overgedragen. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is geen sprake.

Voor het bewijs gebruikt het hof onder meer het proces-verbaal over de Telegramadvertentie, het proces-verbaal van het binnentreden, de kennisgeving van inbeslagneming, het onderzoeksrapport van het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk en de verklaring van de verdachte ter zitting van 18 september 2026. Daarin bevestigt hij dat het aan het account gekoppelde telefoonnummer van hem is, dat hij de verbalisanten heeft binnengelaten en dat er dozen met vuurwerk in de woonkamer stonden.

Ambtshalve overweegt het hof bij feit 2 dat het publiek met de advertentie inlichtingen krijgt over de mogelijkheid om professioneel vuurwerk tegen een bepaalde prijs te kopen, dan wel in de gelegenheid wordt gesteld dat te doen. Door de klant via reclame te bewegen vuurwerk te kopen, wordt het ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk aan die klant voorbereid of bevorderd.

Het hof kwalificeert feit 1 en feit 2 telkens als overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart bewezen dat de verdachte:

  • op 6 december 2023 opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten 308 stuks Super Cobra 6, 36 stuks Shock Bull Dog, 58 stuks Bomba Kolista (shell 3) en 35 stuks Bomba Kolista (shell 4), in zijn woning heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad (feit 1);

  • op 5 december 2023 opzettelijk, ter voorbereiding of bevordering van het ter beschikking stellen aan een ander van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, heeft getracht zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het verrichten van die handelingen te verschaffen, door via Telegram een advertentie te plaatsen waarin hij professioneel vuurwerk te koop aanbiedt (feit 2).

De verdachte wordt vrijgesproken van wat meer of anders is tenlastegelegd, waaronder de onderdelen a en c van feit 2.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof rekent de verdachte het opslaan, voorhanden hebben en te koop aanbieden van professioneel vuurwerk ernstig aan. Het afsteken van het aangetroffen zware knalvuurwerk door personen zonder gespecialiseerde kennis brengt volgens het hof ernstige risico’s mee voor de afsteker, omstanders, omwonenden en dieren. Het hof wijst er daarnaast op dat dergelijk vuurwerk de laatste tijd steeds vaker, zo nodig na aanpassing, als geweldsmiddel voor criminele doeleinden wordt gebruikt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte brengt naar voren dat hij kampt met gezondheidsproblemen en sinds twee maanden als logistiek medewerker werkt.

Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf met taakstraf niet toereikend, gelet op de hoeveelheid vuurwerk en de omstandigheden waaronder het is aangetroffen. Het hof weegt mee dat de verdachte in eerste aanleg noch in hoger beroep voortschrijdend inzicht toont in de laakbaarheid van zijn handelen, geen inzicht geeft in zijn beweegredenen, en let op zijn houding ter zitting. Volgens het hof kan niet worden volstaan met een straf zonder onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

Het hof legt een gevangenisstraf op van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarmee wijkt het hof naar boven af van de vordering van de advocaat-generaal en verlengt het de proeftijd ten opzichte van het vonnis van de politierechter. Het hof beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen vuurwerk, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. De beslissing is mede gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 en 63 Sr.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^