Veroordeling voor opslag en verkoop van professioneel vuurwerk aan particulieren, met ontslag van rechtsvervolging voor voorbereidingshandelingen van vóór 1 januari 2022

Rechtbank Overijssel 14 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5535

Een handelaar in professioneel vuurwerk wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 300 uren voor het opslaan en voorhanden hebben van ruim 500 kilogram professioneel vuurwerk en het te koop aanbieden daarvan aan particulieren. De rechtbank oordeelt dat de zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in artikel 1.2.2 lid 5 van het Vuurwerkbesluit pas vanaf 1 januari 2022 een toereikende wettelijke grondslag heeft in de Wet milieubeheer, en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging voor de periode daarvóór. De verdachte heeft de feiten bekend. De redelijke termijn is met negen maanden overschreden, wat de rechtbank compenseert door af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1991. De zaak dient in eerste aanleg op tegenspraak voor de meervoudige economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle. Aanleiding voor de vervolging zijn twee vondsten. Op 14 november 2023 treffen verbalisanten in een bestelbus van de verdachte in de gemeente van aantreffen ruim 400 kilogram (bruto gewicht) professioneel vuurwerk aan. Op 13 december 2023 wordt ruim 100 kilogram (bruto gewicht) professioneel vuurwerk aangetroffen in een zeecontainer van de verdachte op een bedrijventerrein. Onderzoek aan de in beslag genomen telefoon van de verdachte doet de verdenking ontstaan dat hij handelingen heeft verricht ten behoeve van de handel in vuurwerk.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij op 14 november 2023 opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, in een voertuig heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad (feit 1), dat hij op 13 december 2023 opzettelijk zulk vuurwerk in een zeecontainer heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad (feit 2), en dat hij in de periode van 1 juli 2021 tot en met 13 december 2023 opzettelijk handelingen als bedoeld in artikel 1.2.2 eerste tot en met vierde lid van het Vuurwerkbesluit heeft voorbereid en bevorderd door via berichtendiensten als Telegram, Facebook Messenger, WhatsApp en Signal professioneel vuurwerk te koop aan te bieden aan particulieren (feit 3).

Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 1.2.2 lid 1 en lid 5 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Voor feit 3 staat het medeplegen (artikel 47 Sr) van voorbereidingshandelingen centraal. Voor de strafbaarheid daarvan is beslissend of het Vuurwerkbesluit, een algemene maatregel van bestuur, een toereikende grondslag heeft in een wet in formele zin, gelet op artikel 46 juncto artikel 91 Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten 1, 2 en 3 bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 3 vordert de officier van justitie, onder verwijzing naar rechtbank Rotterdam 21 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:12645, dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging voor de periode tot 1 januari 2022. De officier van justitie eist een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor feit 3 voor zover dat ziet op het gedachtestreepje betreffende de persoon aangeduid als betrokkene 6. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Bij de strafmaat verzoekt de raadsman om, gelet op wat in vergelijkbare zaken is opgelegd, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met een andere strafmodaliteit. Over de inbeslaggenomen telefoon en het inbeslaggenomen geld betoogt de raadsman dat beide aan de verdachte moeten worden teruggegeven.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het onderdeel dat betrekking heeft op betrokkene 6, waarvan zij de verdachte vrijspreekt. Omdat de verdachte de feiten heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3, laatste volzin, Sv met een opgave van de bewijsmiddelen.

De kern van het oordeel betreft de strafbaarheid van de voorbereidingshandelingen onder feit 3. Artikel 1.2.2 lid 5 van het Vuurwerkbesluit verbiedt het voorhanden hebben van voorwerpen of stoffen waarvan men weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zij bestemd zijn voor onder meer het vervaardigen van professioneel vuurwerk voor particulier gebruik. Artikel 46 lid 1 Sr stelt voorbereiding strafbaar bij misdrijven waarop acht jaar gevangenisstraf of meer staat. Via artikel 91 Sr geldt dat regime ook buiten het Wetboek van Strafrecht, en van dat regime kan uitsluitend bij wet in formele zin worden afgeweken. Het Vuurwerkbesluit is een algemene maatregel van bestuur en kan daarom zelf geen grondslag bieden voor het als misdrijf strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen bij delicten met een lager strafmaximum.

De rechtbank overweegt dat artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer voorheen, evenmin als een andere bepaling van die wet, voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 1.2.2 lid 5 van het Vuurwerkbesluit afzonderlijk strafbaar stelde. Uit de rechtspraak volgde daarom dat die bepaling voor de zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen onverbindend was wegens het ontbreken van een toereikende wettelijke grondslag. Op 1 januari 2022 treedt de Verzamelwet IenW 2020 in werking, waardoor artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer zo wordt aangepast dat het wel een grondslag biedt voor regels over het voorbereiden en bevorderen van gereguleerde handelingen met stoffen. De memorie van toelichting stelt buiten twijfel dat deze wijziging is ingevoerd naar aanleiding van die rechtspraak en beoogt een wettelijke grondslag te vormen voor de afzonderlijke strafbaarstelling van deze voorbereidingshandelingen. De rechtbank oordeelt dat artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer vanaf 1 januari 2022 die grondslag biedt. Voor de periode tot 1 januari 2022 levert het bewezenverklaarde onder feit 3 daarom geen strafbaar feit op en wordt de verdachte op dat onderdeel ontslagen van alle rechtsvervolging.

De feiten 1 en 2 leveren telkens op het misdrijf overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan. Feit 3 levert, voor de strafbare periode, op het medeplegen van dat misdrijf. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard:

  • feit 1: het op 14 november 2023 opzettelijk opslaan in een bestelbus en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, waaronder 35 stuks shells, 100 stuks knalvuurwerk (Shock Bull Dog), 1920 stuks knalvuurwerk (Bomb), batterijen enkelschotsbuizen en overig vuurwerk;

  • feit 2: het op 13 december 2023 opzettelijk opslaan in een zeecontainer en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, waaronder batterijen enkelschotsbuizen en zestien stuks knalvuurwerk;

  • feit 3: het in de periode van 1 juli 2021 tot en met 13 december 2023 opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander, voorbereiden en bevorderen van handelingen met professioneel vuurwerk voor particulier gebruik, door bestellijsten voorhanden te hebben en via berichtendiensten ter beschikking te stellen en aan diverse particulieren professioneel vuurwerk te koop aan te bieden.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onderdeel dat ziet op betrokkene 6 en van wat meer of anders is tenlastegelegd. Voor de periode van 1 juli 2021 tot 1 januari 2022 wordt de verdachte ten aanzien van feit 3 ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank weegt de aard en ernst van de feiten mee. Ongecontroleerd bezit van zwaar vuurwerk is levensgevaarlijk; professioneel vuurwerk bevat een substantieel zwaardere lading dan consumentenvuurwerk en kan massa-explosief reageren, met ernstige gehoorschade, zwaar lichamelijk letsel of overlijden als mogelijk gevolg voor zowel de afsteker als omstanders. De rechtbank rekent de verdachte zwaar aan dat hij deze risico's voor lief heeft genomen en alleen zijn financiële belangen voor ogen heeft gehad, mede omdat de bestelbus met vuurwerk geparkeerd stond in een woonwijk op ongeveer vijftig meter van een tankstation. Uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten.

De redelijke termijn is aangevangen op 13 december 2023, de dag van de inverzekeringstelling. Bij het vonnis bedraagt de overschrijding negen maanden. De rechtbank compenseert die overschrijding door te kiezen voor een andere strafmodaliteit dan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die zij anders zou hebben opgelegd.

Gezien de ernst van de feiten legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, met een proeftijd van twee jaren en als algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, om herhaling te voorkomen. Daarnaast legt zij een onvoorwaardelijke taakstraf op. De rechtbank overweegt dat bij meerdaadse samenloop de cumulatie van taakstraffen niet is begrensd tot 240 uren, omdat artikel 57 Sr en titel II van Boek 1 Sr geen maximum aan de gecumuleerde taakstraf stellen. Zij acht een taakstraf van 320 uren passend, maar stelt dit vanwege de overschrijding van de redelijke termijn vast op 300 uren, subsidiair 150 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. Daarmee wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie, die een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf had gevorderd.

De in beslag genomen telefoon (een Samsung Galaxy S22) wordt verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid. Het in beslag genomen geld wordt aan de verdachte teruggegeven, omdat het niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^