Medeplegen van verduistering in dienstbetrekking bewezen verklaard hoewel de medepleger zelf niet de vereiste hoedanigheid bezit
/Rechtbank Gelderland 3 juni 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4452
De rechtbank Gelderland verklaart medeplegen van verduistering in dienstbetrekking bewezen, hoewel de medepleger zelf de vereiste hoedanigheid niet bezat. Voor dit kwaliteitsdelict is volgens de rechtbank niet vereist dat de medepleger het goed eveneens in dienstbetrekking onder zich had, maar slechts dat hij wist, of de aanmerkelijke kans aanvaardde, dat de pleger de goederen in die hoedanigheid onder zich had. De zaak draait om een chauffeur die als koerier een lading van 1539 smartphones vervoert en samen met anderen een overval in scène zet, waarna hij valse aangifte doet van een diefstal met geweld. De verdediging erkent de verduistering maar betwist het medeplegen, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank verwerpt dat verweer en acht ook het doen van een valse aangifte bewezen. Zij legt een gevangenisstraf op van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk, lager dan de eis vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Inleiding en context
De rechtbank Gelderland behandelt in eerste aanleg de strafzaak tegen een in 2004 geboren verdachte die op 1 maart 2024 als chauffeur voor een pakketbezorgingsdienst een lading van 1539 smartphones vervoert. De telefoons, waaronder 1537 iPhones, zijn eigendom van een bedrijf waarvan de aangever eigenaar is. De verdachte doet aanvankelijk aangifte van een overval, maar verklaart later dat die aangifte vals is en dat de overval in scène is gezet. De zaak wordt behandeld door de meervoudige kamer, zittingsplaats Arnhem, naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen. De verdachte legt ter zitting van 13 mei 2026 een verklaring af.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij op 1 maart 2024 opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van diefstal met geweld, terwijl hij wist dat dit feit niet was gepleegd. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht. Onder feit 2 primair wordt hem verweten dat hij, tezamen en in vereniging met anderen, ongeveer 1539 iPhones die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als koerier onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Dit feit ziet op verduistering in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair is diefstal ten laste gelegd. Bij feit 2 staat het bestanddeel medeplegen centraal.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 en aan het primair ten laste gelegde onder feit 2. Het Openbaar Ministerie vordert een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 voert zij aan dat verduistering in dienstbetrekking bewezen kan worden verklaard, maar niet het bestanddeel medeplegen. Zij verwijst daartoe naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2024:555). Bij de strafmaat verzoekt zij rekening te houden met de druk die de verdachte zowel van de zijde van de mededaders als van de zijde van de aangevers heeft ervaren, met het ontbreken van eerdere soortgelijke feiten, met de overschrijding van de redelijke termijn, met de omstandigheid dat de verdachte geen voordeel heeft genoten en met het verlies van werk en opleiding bij een onvoorwaardelijke detentie.
Oordeel gerecht
Ten aanzien van feit 1 stelt de rechtbank vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering, en volstaat zij met een opgave van de bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 1 maart 2024 1539 telefoons in dienstbetrekking onder zich had en dat die telefoons zijn weggenomen. De rechtbank gaat uit van de verklaring van de verdachte dat hij in de kapperszaak van de aangever diens oom, een medeverdachte, is tegengekomen, dat is voorgesteld een nep-overval te plegen en dat de details daarvan op 26 februari 2024 in een McDonald's in Eindhoven met anderen zijn besproken. Het plan is op 1 maart 2024 uitgevoerd.
Voor het medeplegen overweegt de rechtbank dat een nauwe en bewuste samenwerking is vereist. Zij stelt vast dat de verdachte met anderen een plan heeft bedacht, de details daarvan in een restaurant heeft uitgewerkt, zijn mededaders heeft geïnformeerd over het moment van vervoer, bij het tankstation aan de A15 toegang tot zijn bus heeft verleend en daarna een valse aangifte heeft gedaan om de gezamenlijke toe-eigening te verbloemen. De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering.
Het verweer dat de mededaders de telefoons niet rechtmatig onder zich hadden, verwerpt de rechtbank. De deelnemer aan verduistering in dienstbetrekking hoeft niet alle bestanddelen van het delict te vervullen. Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van dit kwaliteitsdelict is niet vereist dat de medepleger het goed eveneens in dienstbetrekking onder zich had, maar slechts dat hij wist dat de pleger de goederen in dienstbetrekking onder zich had, althans dat hij de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in elk geval de medeverdachte wist dat de verdachte de telefoons in opdracht van zijn werkgever vervoerde. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen van verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend bewezen. Het bewezenverklaarde levert op, voor feit 1, het doen van aangifte dat een strafbaar feit gepleegd is wetende dat het niet gepleegd is, en voor feit 2 primair, medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen:
dat de verdachte op 1 maart 2024 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, ten overstaan van twee verbalisanten opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van diefstal met geweld, wetende dat dit strafbare feit niet is gepleegd (feit 1);
dat de verdachte op 1 maart 2024 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk ongeveer 1539 iPhones van het merk Apple, toebehorend aan het bedrijf en de aangever, die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als koerier onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend (feit 2 primair).
Wat meer of anders is ten laste gelegd, acht de rechtbank niet bewezen, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank weegt de aard en de ernst van de feiten mee. De verdachte heeft samen met anderen 1539 smartphones verduisterd die hij in het kader van zijn werkzaamheden onder zich had, met een inkoopwaarde van meer dan € 850.000. Hij heeft in ernstige mate misbruik gemaakt van zijn positie als werknemer en van het in hem gestelde vertrouwen. De valse aangifte heeft de politie misleid en ten onrechte beslag gelegd op de opsporingscapaciteit. De rechtbank kwalificeert dit als ernstige, brutale feiten die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.
Uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten, en dat hij de feiten heeft gepleegd in de proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. De redelijke termijn is aangevangen op 5 maart 2024, de dag van de inverzekeringstelling. Het vonnis volgt op 3 juni 2026, twee jaar, twee maanden en 30 dagen later, waarmee de redelijke termijn met twee maanden en 30 dagen is overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak of aan de proceshouding van de verdachte. De rechtbank houdt rekening met de uitvoerende rol van de verdachte, anders dan een medeverdachte die een beslissende rol had.
De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn.
Lees hier de volledige uitspraak.
