Uitzendkracht veroordeeld voor driemaal verduistering in dienstbetrekking na systematisch leeghalen van tankstations

Rechtbank Midden-Nederland 13 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:890

De rechtbank veroordeelt een 25-jarige uitzendkracht voor driemaal verduistering in dienstbetrekking bij tankstations in Bunnik, Muiden en Naarden. De verdachte hanteert steeds dezelfde werkwijze: hij meldt zich aan via een uitzendbureau en haalt bij zijn eerste alleendienst kassa's en kluizen leeg en neemt grote hoeveelheden sigaretten weg. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 365 dagen waarvan 362 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 240 uur en wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot € 6.600.

Het taakstrafverbod staat in de weg aan een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, maar door aftrek van het voorarrest hoeft de verdachte feitelijk niet terug naar de gevangenis. De rechtbank weegt mee dat de verdachte onder druk van schulden in de drugswereld handelde, maar oordeelt dat dit geen rechtvaardiging vormt voor de verduisteringen. Twee eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen worden ten uitvoer gelegd in de vorm van taakstraffen van respectievelijk 140 en 30 uur.

Inleiding en context

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 25-jarige man voor driemaal verduistering in dienstbetrekking, gepleegd bij drie verschillende tankstations in de periode van juli 2023 tot juli 2024. De verdachte, een natuurlijk persoon, hanteert steeds dezelfde werkwijze: hij meldt zich aan bij een uitzendbureau, gaat als uitzendkracht aan de slag bij een tankstation en haalt zodra hij alleen dienst heeft de kassa's en kluizen leeg. Daarnaast neemt hij grote hoeveelheden sigaretten weg. De buit stopt hij in vuilniszakken die hij buiten op een kar plaatst, waarna een onbekend gebleven persoon deze ophaalt. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer. De verdachte verschijnt ter zitting en legt een bekennende verklaring af. Uit zijn strafblad blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij ten tijde van de bewezen verklaarde feiten in twee proeftijden loopt van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich driemaal schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, telkens in medeplegen. Het eerste feit betreft het op 9 juli 2023 in Bunnik wegnemen van geldbedragen, Paysafekaarten en sloffen en pakjes sigaretten van een Esso-tankstation aan de A12. Het tweede feit ziet op het op 2 september 2023 in Muiden wegnemen van geldbedragen en sloffen en pakjes sigaretten van een Texaco-tankstation aan de A1. Het derde feit betreft het op 27 juli 2024 in Naarden wegnemen van geldbedragen en sloffen en pakjes sigaretten van een BP-tankstation. Bij alle drie de feiten heeft de verdachte de goederen als uitzendkracht uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich. De tenlastelegging is gebaseerd op de artikelen 47 lid 1, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle drie de feiten bewezen kunnen worden verklaard. Het Openbaar Ministerie eist een gevangenisstraf van twaalf maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast eist de officier van justitie een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de verdachte deze niet of niet naar behoren verricht. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij vordert het Openbaar Ministerie integrale toewijzing, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot eist de officier van justitie toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van twee eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, met dien verstande dat de gevangenisstraffen worden omgezet naar taakstraffen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert geen bewijsverweer. De advocaat acht de strafeis passend en voert daarom evenmin een strafmaatverweer. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij verzoekt de advocaat primair om niet-ontvankelijkverklaring wegens onevenredige belasting van het strafgeding, subsidiair om afwijzing wegens onvoldoende onderbouwing en meer subsidiair om sterk gematigde toewijzing. Met betrekking tot de vorderingen tot tenuitvoerlegging laat de advocaat de beslissing aan de rechtbank over.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank acht alle drie de feiten bewezen. De verdachte legt ter zitting van 30 januari 2026 een bekennende verklaring af en door of namens hem is niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen zonder de inhoud daarvan weer te geven. De rechtbank baseert zich op de bekennende verklaring van de verdachte en de processen-verbaal van aangifte namens de drie tankstations. De bewezen feiten worden gekwalificeerd als verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Zowel de feiten als de verdachte worden strafbaar geacht.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, een V.O.F. die het BP-tankstation in Naarden exploiteert, oordeelt de rechtbank als volgt. De vordering bedraagt in totaal € 28.996,12 aan materiele schade en bestaat uit drie componenten: kassageld (€ 750), voorraad tabak (€ 26.464,12) en vervanging van sloten (€ 1.600). De rechtbank wijst het gedeelte voor de vervanging van sloten volledig toe omdat dit voldoende is onderbouwd en in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De omvang van de schadeposten voor het kassageld en de tabaksvoorraad is echter niet vast te stellen. Bij het kassageld is onduidelijk hoeveel geld er in de kassa zat voordat de verdachte deze leeghaalde. Bij de tabaksvoorraad is niet duidelijk hoeveel tijd er zit tussen de laatste telling en de verduistering, en lijkt het gevorderde bedrag te zijn gebaseerd op de verkoopprijs in plaats van de inkoopprijs. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en wijst voor deze posten gezamenlijk een bedrag van € 5.000 toe. De vordering wordt daarmee toegewezen tot een totaalbedrag van € 6.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter. De proceskosten worden gecompenseerd. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel op, met bepaling van 58 dagen gijzeling bij niet-betaling. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk met zijn mededader of mededaders.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van verduistering in dienstbetrekking op 9 juli 2023 te Bunnik van geldbedragen, Paysafekaarten en sloffen en pakjes sigaretten, toebehorend aan het Esso-tankstation aan de A12, welke goederen de verdachte als uitzendkracht uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

  • Feit 2: medeplegen van verduistering in dienstbetrekking op 2 september 2023 te Muiden, gemeente Gooise Meren, van geldbedragen en sloffen en pakjes sigaretten, toebehorend aan het Texaco-tankstation aan de A1, welke goederen de verdachte als uitzendkracht uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

  • Feit 3: medeplegen van verduistering in dienstbetrekking op 27 juli 2024 te Naarden, gemeente Gooise Meren, van geldbedragen en sloffen en pakjes sigaretten, toebehorend aan het BP-tankstation, welke goederen de verdachte als uitzendkracht uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

De verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank acht de strafeis van het Openbaar Ministerie passend, maar formuleert de voorwaardelijke gevangenisstraf anders vanwege het taakstrafverbod. Dit verbod brengt mee dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 362 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In de praktijk komt deze straf neer op een geheel voorwaardelijke straf, omdat het ondergane voorarrest in mindering wordt gebracht en de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Bij de strafmotivering weegt de rechtbank mee dat de verdachte stelselmatig en op dezelfde wijze te werk is gegaan bij drie tankstations, daarbij niet alleen veel geld en waardevolle goederen heeft weggenomen, maar ook het vertrouwen van werkgevers heeft geschaad en veel overlast heeft veroorzaakt. De rechtbank heeft anderzijds oog voor de dreiging en druk waaronder de verdachte stelt te hebben gehandeld vanwege schulden in de drugswereld. De rechtbank oordeelt dat dit geen rechtvaardiging vormt, maar weegt mee dat de verdachte niet geheel uit vrije wil heeft gehandeld. De Reclassering Nederland adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat zij geen mogelijkheden ziet voor interventies of toezicht. De verdachte woont met een Wlz-indicatie bij een instelling waar hij structuur en begeleiding ontvangt, heeft inmiddels een baan en draagt de dagelijkse zorg voor zijn kinderen.

Tot slot wijst de rechtbank de vorderingen tot tenuitvoerlegging toe van twee eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, maar bepaalt dat deze worden omgezet naar taakstraffen: 140 uur in de zaak met parketnummer 16.115287.23 en 30 uur in de zaak met parketnummer 16.244084.22.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^