Kunnen door beleggers ingelegde gelden als rechtstreekse schade worden aangemerkt?
/Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:78
De verdachte wordt veroordeeld voor het witwassen van haar salaris, dat afkomstig is uit oplichting door ondernemingen waarvoor zij werkte. Het gerechtshof achtte haar mede aansprakelijk voor de schade van drie beleggers en kende ruim €59.000 aan vorderingen toe. De Hoge Raad oordeelt echter dat niet is vastgesteld dat het door haar witgewassen bedrag samenhangt met de ingelegde gelden van deze beleggers. De enkele bekendheid met de herkomst van het geld en haar werkzaamheden voor de bedrijven is daarvoor onvoldoende. Daardoor ontbreekt civielrechtelijke aansprakelijkheid en kan de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest op dit punt en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam.
Achtergrond
De verdachte is werkzaam geweest voor verschillende ondernemingen die betrokken waren bij de verkoop van obligaties op basis van valse voorwendselen. Zij was in de periode van december 2016 tot maart 2017 in dienst bij bedrijven die voortkwamen uit frauduleuze entiteiten (A en B), waarin beleggers zijn opgelicht door hen voor te houden dat hun geld werd geïnvesteerd in projecten als windenergie en vakantiehuisjes. In werkelijkheid werd het geld onder meer besteed aan operationele kosten, waaronder salarissen.
De verdachte verrichtte werkzaamheden op het gebied van administratie, relatiebeheer en verkoop en ontving in deze periode salaris ten bedrage van €9.208,58. Het gerechtshof Amsterdam acht bewezen dat dit salaris afkomstig was uit enig misdrijf, namelijk oplichting door medeverdachten, en heeft de verdachte veroordeeld voor witwassen op grond van artikel 420bis lid 1 onder b Sr.
De straf bestond uit een taakstraf van 72 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Daarnaast wees het hof de vorderingen van drie benadeelde beleggers toe tot een bedrag van in totaal €59.830, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr. Het hof overwoog dat er sprake was van een "zodanig nauw verband" tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting die daaraan ten grondslag lag, dat de schade door het gepleegde witwassen zou zijn veroorzaakt.
Middelen
In cassatie zijn drie middelen aangevoerd:
een klacht over het bestanddeel “gebruiken” in de bewezenverklaring van witwassen;
een klacht over de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de motivering daarvan;
een klacht over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Beoordeling hoge raad
Eerste middel: bewijsklacht over “gebruiken”
De eerste klacht betreft het oordeel van het hof dat de verdachte het witgewassen bedrag ook heeft “gebruikt”. Volgens de steller van het middel blijkt uit de bewijsvoering niet dat de verdachte haar salaris daadwerkelijk heeft besteed.
De Hoge Raad volgt de redenering van de advocaat-generaal en verwerpt het middel. Het hof heeft immers bewezenverklaard dat de verdachte het geldbedrag heeft “verworven en voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt”. De combinatie “en/of” laat ruimte voor een bewezenverklaring op basis van uitsluitend “verworven en voorhanden gehad”. Nu dit voldoende wordt ondersteund door de bewijsvoering en de toevoeging “heeft gebruikt” geen invloed heeft op de kwalificatie of ernst van het feit, leidt dit niet tot cassatie.
Tweede middel: toewijzing vorderingen benadeelde partijen
Het tweede middel ziet op de motivering van de toewijzing van de vorderingen van drie benadeelde partijen, die geld hadden geïnvesteerd in de betreffende obligaties. Volgens het hof is sprake van een “zodanig nauw verband” tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting, dat het door haar gepleegde witwassen de schade van deze partijen heeft veroorzaakt.
De Hoge Raad herhaalt in dat kader de relevante overwegingen uit onder meer HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793: een benadeelde partij kan zich voegen in het strafproces wanneer zij rechtstreeks schade heeft geleden door het strafbare feit. Voor toewijzing is bovendien vereist dat de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade op grond van de regels van het burgerlijk recht.
Het oordeel van het hof dat aan deze voorwaarden is voldaan, acht de Hoge Raad onbegrijpelijk. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers niet dat tussen het door de verdachte witgewassen bedrag van €9.208,58 en de door de drie beleggers geïnvesteerde bedragen een voldoende verband bestaat. Het enkele feit dat de verdachte werkzaam was voor frauderende ondernemingen en op de hoogte was van de wijze van betaling, is daarvoor onvoldoende. De Hoge Raad benadrukt dat daarmee niet vaststaat dat de verdachte een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens deze specifieke beleggers, laat staan dat de door hen geleden schade haar kan worden toegerekend op grond van artikel 6:98 BW.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof dan ook, maar uitsluitend voor zover het de beslissingen betreft over de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. De zaak wordt in zoverre terugverwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling.
Derde middel: schadevergoedingsmaatregel
Het derde middel ziet op de civielrechtelijke grondslag voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Aangezien de vorderingen van de benadeelde partijen onvoldoende zijn gemotiveerd toegewezen en de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte niet is komen vast te staan, kan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel evenmin in stand blijven.
De Hoge Raad bevestigt dit en verwijst in dit verband naar HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901: een maatregel ex artikel 36f Sr vereist civielrechtelijke aansprakelijkheid voor door het strafbare feit veroorzaakte schade. Nu deze ontbreekt, volgt ook hier vernietiging van het bestreden arrest op dit punt.
Lees hier de volledige uitspraak.
