Vrijspraak van een rechtspersoon van het lozen van drijfmest in oppervlaktewater omdat is voldaan aan de zorgplicht van artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving
/Gerechtshof Den Haag 30 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2974
Het gerechtshof Den Haag spreekt een besloten vennootschap vrij van het lozen van drijfmest in een oppervlaktewaterlichaam. Op 26 januari 2024 komt in Nieuw-Beijerland drijfmest in het oppervlaktewater terecht, afkomstig uit een mestopslag die bij de onderneming in gebruik is. De economische politierechter in de rechtbank Rotterdam legt daarvoor in eerste aanleg een voorwaardelijke geldboete van € 2.000 op. In hoger beroep vordert de advocaat-generaal vernietiging van dat vonnis en vrijspraak. Het hof stelt vast dat de onderneming het verontreinigde water kort na de constatering wegzuigt en afvoert en dat zij werkt met een gekeurde mestzak, een controle-instructie voor chauffeurs in het handboek en een eigen buitendienst. Daarmee voldoet zij aan de zorgplicht van artikel 2.11 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving, zodat vrijspraak volgt zonder dat het hof toekomt aan de vraag of sprake is van een lozingsactiviteit.
Inleiding en context
De verdachte is een rechtspersoon, een besloten vennootschap. Op 26 januari 2024 komt te Nieuw-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, drijfmest in het oppervlaktewaterlichaam terecht. De mest is afkomstig uit een mestopslag die bij de verdachte in gebruik is. Voor dat feit wordt op 21 mei 2024 een strafbeschikking uitgevaardigd. De economische politierechter in de rechtbank Rotterdam veroordeelt de verdachte op 7 juli 2025 tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.000 met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte wordt hoger beroep ingesteld. De zaak wordt op tegenspraak behandeld door de economische kamer van het gerechtshof Den Haag onder rolnummer 22-002138-25, parketnummer 83-158710-24.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij op of omstreeks 26 januari 2024 al dan niet opzettelijk een lozingsactiviteit bij een milieubelastende activiteit verricht, te weten het lozen van drijfmest in het oppervlaktewaterlichaam, terwijl zij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 2.2 Besluit activiteiten leefomgeving, en zij niet alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van haar kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, deze gevolgen niet zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt of de activiteit niet achterwege laat. De tenlastelegging is ter terechtzitting in eerste aanleg gewijzigd. Centraal staat de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en vrijspraak van het tenlastegelegde. Het arrest vermeldt geen gronden waarop die vordering rust.
Standpunt van de verdediging
Het arrest geeft het standpunt van de verdediging niet weer. Vermeld wordt uitsluitend dat het hof kennis heeft genomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van de verdachte en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Oordeel gerecht
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep. Het stelt vast dat op 26 januari 2024 drijfmest in het oppervlaktewaterlichaam terecht is gekomen, afkomstig uit de bij de verdachte in gebruik zijnde mestopslag. Kort nadat de lekkage is geconstateerd, zuigt de verdachte het verontreinigde oppervlaktewater weg en voert zij dit af, waardoor de milieuschade zoveel mogelijk wordt beperkt. Ter terechtzitting blijkt verder dat de mestzak waarin de drijfmest zich bevindt, is gekeurd en dat binnen de onderneming veiligheidsprotocollen gelden. Iedere chauffeur die een mestopslag aandoet, moet een visuele controle op lekkages uitvoeren door, indien mogelijk, een rondje om het bassin te lopen. Die instructie is opgenomen in het handboek en komt tijdens functioneringsgesprekken aan de orde. De onderneming beschikt over een eigen buitendienst die de bij haar in gebruik zijnde mestopslagpunten eveneens visueel controleert. Los van de vraag of sprake is van een lozingsactiviteit in de zin van de tenlastelegging oordeelt het hof op grond hiervan dat de verdachte alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen voor de belangen van artikel 2.2 Besluit activiteiten leefomgeving te voorkomen, en dat zij de gevolgen van de milieubelastende activiteit zoveel mogelijk heeft beperkt of ongedaan gemaakt. De verdachte voldoet daarmee aan haar zorgplicht uit hoofde van artikel 2.11 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving, zodat zij reeds om die reden dient te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Een bewezenverklaring blijft achterwege. Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Strafoplegging en maatregelen
Omdat vrijspraak volgt, legt het hof geen straf of maatregel op. Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Daarbij vernietigt het ook de strafbeschikking van 21 mei 2024.
Lees hier de volledige uitspraak.
