Hoge Raad vernietigt veroordeling voor medeplichtigheid aan witwassen door het ter beschikking stellen van een bankrekening omdat het opzet op het gronddelict niet uit de bewijsvoering volgt

Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1719

De Hoge Raad vernietigt de veroordeling van een vrouw die door het gerechtshof Den Haag schuldig is bevonden aan medeplichtigheid aan witwassen van € 2.744, afkomstig uit WhatsApp-fraude. Volgens het hof heeft zij een bankrekening op haar naam geopend en die aan onbekend gebleven personen ter beschikking gesteld, waarna het door een opgelichte vader overgemaakte geld direct contant is opgenomen. Het cassatiemiddel klaagt dat het opzet van de verdachte op het witwassen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De Hoge Raad stelt voorop dat voor medeplichtigheid niet alleen opzet op het behulpzaam zijn of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen is vereist, maar ook opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het door de dader gepleegde misdrijf. Uit de enkele vaststellingen dat de verdachte een bankrekening op haar naam heeft geopend en deze aan anderen ter beschikking heeft gesteld, kan het voorwaardelijk opzet op het gronddelict witwassen niet zonder meer worden afgeleid. Het middel slaagt en de Hoge Raad wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1995. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt haar op 17 december 2024 wegens medeplichtigheid aan witwassen, artikel 420bis lid 1 onder a en b Sr in verbinding met artikel 48 Sr, tot een taakstraf van twintig uren, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij toe en legt de schadevergoedingsmaatregel op. Hoe in eerste aanleg is beslist, blijkt niet uit het arrest.

Op 6 augustus 2020 ontvangt de aangever WhatsApp-berichten van iemand die zich voordoet als zijn dochter en hem vraagt betalingen voor te schieten. Hij maakt die dag drie bedragen over, € 984,99, € 519,99 en € 1.244,99, naar een rekening bij de Knab op naam van de verdachte. De bedragen worden direct na bijschrijving bij verschillende geldautomaten contant opgenomen. Bij het openen van de rekening zijn het paspoort van de verdachte, een foto-identificatie en een identificatietransactie van € 0,01 vanaf een ABN AMRO-rekening op haar naam gebruikt.

De verdachte ontkent de rekening te hebben geopend en wijst op het verlies van een tas met haar telefoon, waarop een foto van haar identiteitsbewijs stond, en op een mogelijk datalek bij haar beschermingsbewindvoerder. Het hof acht die verklaringen onvoldoende concreet en niet verifieerbaar. Het concludeert dat de verdachte de € 0,01 heeft overgemaakt, de rekening daarmee heeft geopend of geactiveerd en deze aan onbekend gebleven personen ter beschikking heeft gesteld, en dat zij daarbij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij behulpzaam zou zijn bij het plegen van witwassen.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt advocaat O.J. Much één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van de medeplichtigheid aan witwassen en voert onder meer aan dat het opzet van de verdachte op het witwassen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De advocaat-generaal M.E. van Wees concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt in rechtsoverweging 2.3 dat voor de bewezenverklaarde medeplichtigheid moet worden bewezen dat het opzet van de verdachte gericht was op het behulpzaam zijn en het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen als bedoeld in artikel 48 Sr, en daarnaast dat haar opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht was op het door de onbekend gebleven personen gepleegde misdrijf. Uit de enkele vaststellingen dat de verdachte een bankrekening op haar naam heeft geopend en deze aan een of meer onbekend gebleven personen ter beschikking heeft gesteld, kan het voorwaardelijk opzet op het gronddelict witwassen niet zonder meer worden afgeleid. In rechtsoverweging 2.4 oordeelt de Hoge Raad dat het middel slaagt.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^