Vrijspraak van beroepsmatige fraude met online handel bij gebrek aan bewijs van eigen uitvoeringshandelingen; veroordeling voor medeplegen van witwassen via ter beschikking gestelde bankrekeningen
/Rechtbank Gelderland 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6701
De rechtbank Gelderland spreekt een in 1998 geboren man vrij van het beroepsmatig plegen van fraude met online handel via twee webwinkels waar voornamelijk barbecues zijn besteld, betaald en niet geleverd. Het geld van 37 aangevers, in totaal € 8.812,31, komt via betaaldiensten terecht op bankrekeningen op naam van de verdachte, maar het dossier bevat geen uitvoeringshandelingen van de verdachte zelf en er is geen deelnemingsvorm ten laste gelegd. De rechtbank veroordeelt de verdachte wel voor het medeplegen van witwassen van dit bedrag, omdat hij zijn identiteitsgegevens, DigiD en bankinloggegevens aan een medeverdachte heeft gegeven, met hem bedrijven op zijn naam heeft opgericht en daarvoor geld heeft ontvangen. Het door het Openbaar Ministerie gestelde witwassen van € 360.957 acht de rechtbank niet bewezen, omdat een criminele herkomst van dat geld niet is onderbouwd. De rechtbank legt een taakstraf van 90 uur op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van drie jaar, na verdiscontering van een overschrijding van de redelijke termijn. De 29 benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard omdat hun schade voortvloeit uit het feit waarvan de verdachte wordt vrijgesproken.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1998 en wonend in Winterswijk. De zaak wordt in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem. Het onderzoek, aangeduid als Tonic I en Tonic II, komt voort uit 37 aangiften van fraude met online handel in de periode van 1 april 2023 tot en met 25 mei 2023. De aangevers bestellen bij twee webwinkels producten, voornamelijk barbecues en daarnaast onder meer invalzagen, stofzuigers en een gereedschapskist, betalen daarvoor en krijgen niets geleverd. Het totale oplichtingsbedrag bedraagt € 8.812,31. Een deel daarvan (€ 3.387,50) wordt via Mollie Payments overgemaakt op een rekening van een bedrijf dat op naam van de verdachte staat; het andere deel (€ 5.424,81) komt via een andere betaaldienst terecht op een rekening op naam van de verdachte. Het bedrijf achter een van de webwinkels en het account bij de betaaldienst staan eveneens op naam van de verdachte. De verdachte is op 21 mei 2024 in verzekering gesteld.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 1 april 2023 tot en met 25 mei 2023 in Winterswijk een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling, met het oogmerk om zich zonder volledige levering van de betaling te verzekeren. De tenlastelegging noemt 39 aangevers, van wie er één dubbel is opgenomen, met per aangever het aangeboden product en het betaalde bedrag. Het vonnis noemt bij dit feit geen wetsartikel; de delictsomschrijving komt overeen met die van artikel 326e Sr.
Onder feit 2 wordt de verdachte primair verweten dat hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2023, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen van in totaal ongeveer € 369.769,31 op meerdere rekeningen op zijn naam heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen of omgezet, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren (artikel 420bis Sr in verbinding met artikel 47 Sr). Subsidiair wordt hem medeplichtigheid aan witwassen door de medeverdachte of een onbekend gebleven verdachte verweten, doordat hij zijn gegevens ter beschikking heeft gesteld waarmee bankrekeningen en bedrijven op zijn naam zijn geopend.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met partiële vrijspraak voor de onderdelen die zien op twee aangevers en met eenmalige bewezenverklaring van de dubbel opgenomen aangever. Feit 2 primair acht de officier van justitie eveneens bewezen. Uitgaande van bewezenverklaring van beide feiten vordert de officier van justitie een taakstraf van 230 uur, subsidiair 115 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar. Ten aanzien van de benadeelde partijen vordert de officier van justitie toewijzing tot de in de tenlastelegging genoemde schadebedragen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, niet-ontvankelijkverklaring voor het overige en afwijzing van de vorderingen zonder ingevuld bedrag en van de twee aangevers ten aanzien van wie vrijspraak wordt gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw bepleit vrijspraak van feit 1 wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 2 bepleit zij integrale vrijspraak op dezelfde grond. Voor het geval van een veroordeling bepleit zij oplegging van een taakstraf. De benadeelde partijen moeten volgens de verdediging, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel gerecht
Ten aanzien van feit 1 stelt de rechtbank voorop dat niet ter discussie staat dat de aangevers zijn opgelicht en dat in alle zaken, met uitzondering van die van twee aangevers, een verband met de verdachte is te leggen via de bankrekeningen, het bedrijf en het account bij de betaaldienst die op zijn naam staan. De vraag is of de verdachte als pleger kan worden aangemerkt. Daarvoor moet met voldoende zekerheid vaststaan dat hij degene is die de goederen heeft aangeboden met het oogmerk om zich de betaling te verzekeren zonder te leveren. Het onderzoek aan de telefoon van de verdachte levert geen feitelijke handelingen op die aan de internetoplichting kunnen worden gerelateerd en het dossier bevat ook geen ander bewijs daarvan. De verdachte verklaart dat hij zijn identiteitsbewijs, een foto van zichzelf, inloggegevens van bankrekeningen en zijn DigiD aan de medeverdachte heeft gegeven voor het opstarten van een bedrijf waarmee hij snel geld zou kunnen verdienen, wat volgens hem verklaart dat het geld op zijn rekeningen is terechtgekomen. Verdere betrokkenheid ontkent hij. In het licht van deze verklaring acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig om boven gerede twijfel vast te stellen dat de verdachte als pleger kan worden aangemerkt. De rechtbank merkt op dat uit het dossier wel enige betrokkenheid van de verdachte lijkt te volgen, maar bespreekt dit niet verder omdat bij feit 1 geen deelnemingsvorm zoals medeplegen of medeplichtigheid ten laste is gelegd.
Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank op grond van de aangiften en de processen-verbaal van bevindingen vast dat het bedrag van € 8.812,31 dat op rekeningen op naam van de verdachte is overgemaakt, afkomstig is uit misdrijf, namelijk veelvoudig gepleegde fraude met online handel. De verdachte verklaart dat hij de rekeningen weliswaar op naam had, maar deze niet beheerde en geen weet had van wat ermee gebeurde. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, dat voorhanden hebben in de zin van de witwasbepalingen vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig heeft, dat dit feitelijke zeggenschap veronderstelt en zich uitstrekt tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook, zonder dat de verdachte altijd direct over het voorwerp moet kunnen beschikken. Een rekeninghouder wordt geacht te weten wat er op zijn rekeningen gebeurt en uit de verklaringen van de verdachte valt niet af te leiden dat, laat staan waarom, dat hier anders zou zijn. De rechtbank gaat er bij gebrek aan een andersluidende verklaring van uit dat de verdachte als rekeninghouder feitelijke zeggenschap over de tegoeden had; een rekeninghouder kan een rekening te allen tijde stopzetten of laten blokkeren en het afgeven van inloggegevens betekent niet dat de verdachte zelf geen toegang meer had. Hij heeft bovendien verklaard te weten dat er bedragen uit online handel op zijn rekeningen zouden worden overgemaakt. Daarmee staat vast dat de verdachte het bedrag van € 8.812,31 voorhanden heeft gehad.
Voor het opzet acht de rechtbank redengevend dat de verdachte heeft verklaard dat hij snel en makkelijk geld zou verdienen, dat hij er niet over heeft nagedacht of het legaal of illegaal was, dat het bij ontvangst van geld via Tikkies door zijn hoofd ging dat het geen zuivere koffie was, en dat hij op enig moment van de medeverdachte hoorde dat deze goederen verkocht zonder ze te leveren. Hij heeft op verzoek van de medeverdachte rekeningen geopend en bedrijven op zijn naam gezet en daarvoor naar eigen schatting tussen € 3.000 en € 4.000 ontvangen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gestorte bedragen afkomstig waren van fraude met online handel, waarmee de wetenschap van de criminele herkomst is gegeven.
De rechtbank neemt medeplegen aan. De verdachte heeft samen met de medeverdachte meerdere bedrijven opgericht en op zijn naam gezet, waarvoor hij tweemaal met de medeverdachte naar de Kamer van Koophandel is geweest; afgesproken was dat de ontvangsten uit de online handel op de rekeningen van de verdachte zouden worden overgemaakt; en hij heeft zijn bankinloggegevens, DigiD, een kopie van zijn identiteitskaart en een foto ter beschikking gesteld. Dit levert een bijdrage van voldoende gewicht op.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte daarnaast een bedrag van € 360.957 heeft witgewassen. Dat over dit bedrag volgens de officier van justitie geen belastingaangifte is gedaan, maakt niet dat het geld mede uit belastingfraude afkomstig is en evenmin dat het gehele bedrag voorwerp van witwassen is. Daarnaar is geen onderzoek gedaan en ook overigens is onvoldoende onderbouwd dat deze gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De benadeelde partijen, 29 in getal, hebben hun vorderingen ingediend in verband met feit 1, grotendeels wegens niet geleverde producten, in enkele gevallen aangevuld met immateriële schade en proceskosten. Omdat de verdachte van feit 1 wordt vrijgesproken en er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de gevorderde schade en het onder feit 2 bewezenverklaarde, verklaart de rechtbank alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk. De benadeelde partijen en de verdachte dragen ieder hun eigen kosten.
Bewezenverklaring
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 1. Bewezen wordt verklaard:
Feit 2 primair: het in de periode van 1 april 2023 tot en met 25 mei 2023 in Winterswijk, tezamen en in vereniging met een ander, verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen van in totaal € 8.812,31 op meerdere rekeningnummers op naam van de verdachte, terwijl hij wist dat deze onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren, gekwalificeerd als medeplegen van witwassen (artikel 420bis Sr in verbinding met artikel 47 Sr).
Van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, waaronder de ruimere pleegperiode en het bedrag van € 369.769,31, wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank overweegt dat de verdachte door het medeplegen van witwassen de opbrengsten van internetfraude en de plegers daarvan buiten het zicht van justitie heeft gehouden en daarmee de drempel om mensen online op te lichten met nepverkopen ernstig heeft verlaagd. Witwassen vormt in zijn algemeenheid een bedreiging van de legale economie, tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan en leidt tot verwevenheid van boven- en onderwereld. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Het reclasseringsadvies van 13 januari 2026 vermeldt dat de verdachte zijn leven op orde lijkt te hebben, met werk en een goed sociaal netwerk, dat hij zich vrijwillig voor zijn gokverslaving heeft laten behandelen door Tactus en onder bewind staat, en dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 100 uur passend.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 21 mei 2024, de datum van inverzekeringstelling en verhoor, en dat het vonnis van 13 augustus 2026 niet binnen twee jaar daarna is gewezen. De overschrijding van ongeveer drie maanden is niet aan de verdachte toe te rekenen en wordt verdisconteerd door de taakstraf te verlagen tot 90 uur.
De rechtbank legt als hoofdstraf een taakstraf van 90 uur op, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 45 dagen hechtenis, met aftrek van twee uur per dag in verzekering doorgebracht, en een gevangenisstraf van een maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd. De straf blijft achter bij de eis van de officier van justitie, die uitging van bewezenverklaring van beide feiten; de rechtbank spreekt vrij van feit 1 en acht van feit 2 slechts een bedrag van € 8.812,31 bewezen.
Lees hier de volledige uitspraak.
