Geen voorwaardelijk opzet op witwassen ondanks aanmerkelijke kans: hof spreekt geldezel vrij wegens contra-indicaties

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3395

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt op 16 april 2026 een verdachte vrij van het medeplegen en de medeplichtigheid aan witwassen van ongeveer € 9.316. De verdachte stelt zijn bankpas, pincode en inloggegevens ter beschikking aan een goede vriendin voor het storten van een geldbedrag. Hoewel naar het oordeel van het hof een aanmerkelijke kans op witwassen bestaat, heeft de verdachte deze kans niet bewust aanvaard. Doorslaggevend zijn de aanwezige contra-indicaties: de jarenlange vriendschap, het wederzijdse vertrouwen en de controlevragen die de verdachte vooraf stelt. Het hof past het leerstuk van het voorwaardelijk opzet toe en onderscheidt de bewuste aanvaarding van de bewuste schuld. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding van € 9.315,04.

Inleiding en context

De zaak speelt voor de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, en betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 oktober 2022. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1999. De politierechter veroordeelt de verdachte in eerste aanleg voor medeplichtigheid aan medeplegen van schuldwitwassen tot een voorwaardelijke taakstraf van vijftig uren met een proeftijd van twee jaren, en beslist daarnaast op de vordering van de benadeelde partij. De verdachte stelt hoger beroep in. Het hof komt tot een andere bewijsbeslissing dan de politierechter, vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.

De kern van het feitencomplex is dat de verdachte zijn bankpas, pincode en inloggegevens ter beschikking stelt aan een goede vriendin (de medeverdachte) en haar vriend, ten behoeve van het storten van een geldbedrag. Op 5 november 2019 ziet de verdachte dat door voor hem onbekende personen twaalf maal € 784,54 op zijn bankrekening is gestort.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt primair verweten dat hij zich op of omstreeks 5 november 2019 schuldig maakt aan het tezamen en in vereniging met anderen witwassen van een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 9316 euro, terwijl hij weet dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit ziet op opzetwitwassen in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht, in combinatie met het medeplegen ex artikel 47 Sr.

Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 18 oktober 2019 tot en met 14 november 2019 medeplichtig is aan het door de medeverdachte en een of meer onbekend gebleven personen medeplegen van witwassen van dezelfde geldbedragen, waarbij die personen weten, althans redelijkerwijs moeten vermoeden, dat die geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. De subsidiaire variant omvat zowel opzet- als schuldwitwassen (artikelen 420bis en 420quater Sr) en de medeplichtigheid in de zin van artikel 48 Sr. De medeplichtigheidsgedraging bestaat erin dat de verdachte zijn bankrekeningnummer, bankpas en pincode aan de medeverdachte meegeeft en ter beschikking stelt. Centraal in beide varianten staat het bestanddeel opzet, en bij de subsidiaire variant in het bijzonder de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet dan wel van bewuste schuld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig maakt aan medeplichtigheid aan medeplegen van opzetwitwassen zoals subsidiair ten laste gelegd. Volgens het Openbaar Ministerie aanvaardt de verdachte, gelet op zijn eigen verklaring, de aangiftes, de WhatsApp-berichten en de bevindingen van de politie, de aanmerkelijke kans dat met de door hem verschafte gelegenheid en middelen een vermogensmisdrijf zou worden gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit vrijspraak. De verdachte aanvaardt de aanmerkelijke kans dat met de door hem verschafte gelegenheid en middelen een vermogensmisdrijf zou worden gepleegd, niet bewust. Het dossier bevat naar het oordeel van de verdediging te veel contra-indicaties om aan te kunnen nemen dat de verdachte het gevolg nadrukkelijk heeft gewild.

Oordeel gerecht

Het hof krijgt uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde begaat. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde medeplegen van witwassen bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Voor het subsidiair ten laste gelegde stelt het hof het beoordelingskader van het voorwaardelijk opzet voorop. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, hier het vermogensdelict witwassen, is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dat gevolg zal intreden. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans op dat gevolg, kan niet zonder meer volgen dat hij die kans ook bewust aanvaardt, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht zijn op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans bewust aanvaardt.

Het hof stelt vast dat de verdachte zijn bankpas, pincode en inloggegevens ter beschikking stelt aan een vriendin en haar vriend voor het storten van een geldbedrag, waarbij hem een vergoeding van de helft van veertig procent van het te storten bedrag in het vooruitzicht is gesteld. Gelet op de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze wordt verricht, bestaat hierdoor naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans dat sprake zou zijn van witwassen. Gelet op de buitensporige hoogte van de in het vooruitzicht gestelde vergoeding is de verdachte zich van deze aanmerkelijke kans bewust geweest.

Het hof acht echter contra-indicaties aanwezig die in de weg staan aan het aannemen van bewuste aanvaarding. De verdachte en de medeverdachte zijn al jarenlang goed bevriend, en in die jaren komt het vaker voor dat de verdachte zijn pincode en bankpas aan de medeverdachte geeft en dat zij deze met zijn toestemming gebruikt. De verdachte stelt op 18 oktober 2019 via WhatsApp vragen aan de medeverdachte omdat hij het verzoek aanvankelijk vreemd vindt, en vraagt onder meer of het om Tikkie-fraude gaat. De medeverdachte verklaart daarop, zowel via WhatsApp als in een persoonlijk gesprek, dat zij de verdachte nooit bij Tikkie-fraude zou betrekken en dat zij zijn hulp nodig heeft omdat haar eigen bankpas geblokkeerd is. Deze gesprekken stellen de verdachte naar eigen zeggen gerust, waarna hij zijn gegevens ter beschikking stelt. De verdachte geeft daarbij aan geen vergoeding te wensen of te verwachten, nu het in zijn ogen een vriendendienst betreft. Wanneer hij op 5 november 2019 de twaalf stortingen ziet, voelt hij wantrouwen, belt vrijwel direct de bank om de rekening te laten blokkeren en doet aangifte.

Nu de verdachte de medeverdachte kent en vertrouwt en controlevragen stelt voordat hij zijn gegevens ter beschikking stelt, acht het hof de bedoelde contra-indicaties aanwezig. Daarmee komt het hof tot het oordeel dat weliswaar een aanmerkelijke kans op witwassen bestaat, maar dat de verdachte die kans niet bewust aanvaardt. Het hof spreekt de verdachte daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde vrij.

Bewezenverklaring

Nu het hof tot integrale vrijspraak komt, is er geen bewezenverklaring. Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde begaat en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Strafoplegging en maatregelen

Gelet op de integrale vrijspraak komt het hof niet toe aan strafoplegging of het opleggen van maatregelen. De in eerste aanleg opgelegde voorwaardelijke taakstraf van vijftig uren met een proeftijd van twee jaren komt daarmee te vervallen.

De benadeelde partij dient een vordering tot schadevergoeding van € 9.315,04 aan materiële schade in. De rechtbank wijst dit bedrag in eerste aanleg hoofdelijk toe, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu de verdachte niet schuldig wordt verklaard aan het ten laste gelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan, verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Het hof veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^