Hoge Raad vernietigt toewijzing van immateriële schadevergoeding aan minderjarige bewoners na diefstal uit woning wegens ontoereikende motivering van aantasting in de persoon op andere wijze
/Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1721
De Hoge Raad vernietigt de beslissing van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch over een vordering tot vergoeding van immateriële schade van drie minderjarige kinderen na een diefstal uit hun ouderlijke woning, en daarmee ook de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De verdachte neemt in de nacht van 20 september 2022 onder meer een autosleutel, een elektrische fiets, twee oxboards en een tas met portemonnee, paspoort en bankpasjes weg uit de woning. Het hof wijst namens de kinderen in totaal € 1.050 toe, € 350 per kind, omdat de diefstal gelet op de aard en de ernst van de normaantasting en de onderbouwde gevolgen, zoals angst om alleen te slapen, begeleiding op school en mindere schoolresultaten, een aantasting in de persoon op andere wijze oplevert. Het cassatiemiddel klaagt dat dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is. De Hoge Raad herhaalt het kader uit zijn arrest van 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, over de drie categorieën van gevallen waarin een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Het oordeel van het hof, dat toepassing geeft aan de tweede categorie, is ook in het licht van de vastgestelde gevolgen voor de kinderen niet toereikend gemotiveerd, zodat de Hoge Raad de zaak op deze punten terugwijst naar het hof.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1985. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wijst op 13 maart 2025 arrest. De Hoge Raad vermeldt de bewezenverklaarde feiten buiten het in cassatie bestreden onderdeel en de opgelegde straf niet. Blijkens de conclusie van de advocaat-generaal veroordeelt het hof de verdachte, met gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2023, in de ene zaak wegens diefstal in een woning door iemand die zich daar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt en wegens diefstal door middel van valse sleutels, en in de andere zaak wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling. Het hof legt een gevangenisstraf op van zeven maanden met aftrek van voorarrest en in de tweede zaak een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaren.
Bewezenverklaard is dat de verdachte op 20 september 2022 tussen 03.00 uur en 04.00 uur in een woning, waar hij zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, een autosleutel, een elektrische fiets, twee oxboards en een tas met daarin een portemonnee, paspoort en bankpasjes wegneemt (artikel 311 lid 1 onder 3 Sr). De benadeelde partij vordert € 2.100 aan immateriële schade, € 350 voor ieder gezinslid. Hij stelt dat zijn gezin sinds de inbraak kampt met angst en een onveilig gevoel en dat de kinderen nachtmerries hebben, piekeren, niet alleen durven slapen en hulp op school of van derden ontvangen. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart hij dat die gevolgen voortduren. De verdediging bepleit niet-ontvankelijkheid: voor de partner en het meerderjarige kind blijkt geen machtiging, en voor de overigen is de vordering onvoldoende onderbouwd, omdat psychische schade naar objectieve maatstaven moet worden vastgesteld.
Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover de vordering de echtgenote en de meerderjarige dochter betreft, en eveneens voor zover zij zijn eigen immateriële schade betreft. De vordering die hij als wettelijk vertegenwoordiger van zijn drie minderjarige kinderen instelt, wijst het hof toe tot € 1.050, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2022, en het hof legt voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel op. Het hof overweegt dat een diefstal uit een woning een inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de privésfeer. Het betrekt daarbij dat de jongste zoon niet meer alleen durft te slapen, dat de oudste zoon een begeleider op school heeft en dat de jongste dochter een vertrouwenspersoon heeft gekregen en mindere schoolresultaten behaalt. Gelet op de aard en de ernst van de normaantasting, de met concrete gegevens onderbouwde gevolgen en de jeugdige leeftijd van de slachtoffers, acht het hof een aantasting in de persoon op andere wijze aanwezig.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte stelt advocaat W.H. Jebbink één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt over de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Volgens de conclusie van de advocaat-generaal bestaat de toelichting uit twee deelklachten: de eerste komt op tegen het oordeel dat de kinderen geestelijk letsel hebben opgelopen dan wel in hun persoon op andere wijze zijn aangetast, de tweede tegen het oordeel dat de aantasting bij de oudste zoon in causaal verband staat met het bewezenverklaarde.
De advocaat-generaal Sinnige concludeert tot vernietiging van het arrest, uitsluitend wat betreft de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad geeft in rechtsoverweging 2.5 zijn overwegingen uit HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 weer. Daarin herhaalt hij de maatstaf uit HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 en onderscheidt hij drie categorieën. De eerste betreft geestelijk letsel, dat met concrete gegevens, doorgaans een deskundigenrapportage, naar objectieve maatstaven moet kunnen worden vastgesteld. De tweede betreft gevallen zonder vast te stellen geestelijk letsel, waarin de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen daarvan, bezien in onderlinge samenhang, een aantasting in de persoon meebrengen. Naarmate de normschending ingrijpender is, ligt die aantasting meer voor de hand, en het is in beginsel aan de benadeelde partij om de gevolgen met concrete gegevens te onderbouwen. De derde categorie omvat uitzonderlijke gevallen waarin de normschending van zodanig groot gewicht is dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.
In rechtsoverweging 2.6 stelt de Hoge Raad vast dat het hof met zijn oordeel toepassing geeft aan de tweede categorie. In het licht van het vooropgestelde is dat oordeel, ook als in aanmerking wordt genomen wat het hof heeft vastgesteld over de gevolgen van de diefstal voor elk van de kinderen, niet toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr evenmin in stand kan blijven, onder verwijzing naar HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901. De Hoge Raad bespreekt de deelklachten niet afzonderlijk.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, uitsluitend wat betreft de beslissing over de door de benadeelde partij als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen gevorderde immateriële schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De zaak wordt in zoverre teruggewezen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Voor het overige verwerpt de Hoge Raad het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Motivering schadevergoedingsmaatregel ook vereist zonder formele vordering benadeelde partij, 29 januari 2026
Artikel: Efficiënte genoegdoening of obstakel?, 1 september 2026
