Motivering schadevergoedingsmaatregel ook vereist zonder formele vordering benadeelde partij
/Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73
In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor verkrachting van een zestienjarig meisje na het heimelijk toedienen van GHB. Het hof legde naast de gevangenisstraf een schadevergoedingsmaatregel op van 5.000 euro wegens immateriële schade. De benadeelde partij had echter geen formele vordering tot immateriële schadevergoeding ingediend. De Hoge Raad oordeelt dat ook zonder formele vordering zo’n maatregel mogelijk is, mits de aansprakelijkheid civielrechtelijk voldoende is onderbouwd. De rechter moet dan wel motiveren waarom de schadevergoeding gerechtvaardigd is. De cassatieklachten worden verworpen.
Achtergrond
De verdachte is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juni 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk. Hij is veroordeeld voor verkrachting (artikel 242 Sr, oud) en feitelijke aanranding van de eerbaarheid (artikel 246 Sr), met betrekking tot een minderjarig slachtoffer. Het hof heeft daarnaast een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten gunste van het slachtoffer voor geleden immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij voor materiële schade is afgewezen.
De bewezenverklaring ziet op een incident op 7 april 2020, waarbij de verdachte het zestienjarige slachtoffer heimelijk GHB heeft toegediend, haar daardoor in een staat van bewusteloosheid heeft gebracht en vervolgens heeft verkracht. De verklaringen van het slachtoffer zijn consistent en worden ondersteund door verklaringen van een getuige en forensisch bewijs, waaronder een met GHB gevuld waterflesje dat in de woning van de verdachte is aangetroffen. De verkrachting is bewezen verklaard op basis van het toedienen van GHB als dwangmiddel, hetgeen volgens vaste jurisprudentie als een vorm van geweld wordt beschouwd.
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend voor materiële schade, maar geen concreet bedrag opgegeven voor immateriële schade. Wel is uit het voegingsformulier en verklaringen ter zitting af te leiden dat zij immateriële schadevergoeding wenselijk acht. In hoger beroep heeft zij aangegeven dat zij, indien zij een vordering tot immateriële schadevergoeding zou indienen, een bedrag zou vorderen gelijk aan het in eerste aanleg toegewezen bedrag van 5.000 euro.
Middel
De cassatiemiddelen betreffen drie afzonderlijke punten:
De klacht van de benadeelde partij dat het hof heeft miskend dat zij wél een vordering tot immateriële schadevergoeding heeft ingediend.
De klacht van de verdachte dat het hof ten onrechte een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, terwijl geen formele vordering tot immateriële schadevergoeding is ingediend.
De klacht van de verdachte dat het hof de schadevergoedingsmaatregel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Beoordeling Hoge Raad
Ad 1. Vordering benadeelde partij en formele vereisten
De Hoge Raad stelt voorop dat een benadeelde partij zich met een vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces kan voegen, ook zonder een concreet bedrag te noemen. De vordering strekt er dan toe dat de rechter de schade naar billijkheid begroot. De benadeelde partij dient in dat geval wel feiten en omstandigheden te stellen omtrent de aard en omvang van de aantasting in de persoon. De rechter moet daarnaast waarborgen dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad zich hierover uit te laten.
In deze zaak concludeert de Hoge Raad dat de benadeelde partij onvoldoende belang heeft bij haar cassatieklacht. Het hof heeft immers een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor het bedrag dat zij in hoger beroep zou hebben gevorderd als zij daadwerkelijk een vordering had ingediend. De Hoge Raad bevestigt in dit verband dat het hof niet gehouden is tot afwijzing van de maatregel wegens het ontbreken van een formele vordering, mits voldoende duidelijk is dat het slachtoffer wel aanspraak maakt op vergoeding.
Ad 2. Mogelijkheid tot oplegging schadevergoedingsmaatregel zonder voeging
De Hoge Raad bevestigt dat een schadevergoedingsmaatregel ook kan worden opgelegd als het slachtoffer zich niet formeel met een vordering tot schadevergoeding heeft gevoegd. Dat is slechts anders indien uit het dossier duidelijk blijkt dat het slachtoffer geen prijs stelt op schadevergoeding. In dit geval zijn daarvoor geen aanwijzingen. Het hof heeft uit het voegingsformulier en verklaringen tijdens de zitting kennelijk en begrijpelijk afgeleid dat het slachtoffer wel degelijk aanspraak maakte op vergoeding van immateriële schade.
De klacht van de verdachte dat een schadevergoedingsmaatregel slechts mogelijk zou zijn bij een formele vordering tot schadevergoeding wordt verworpen. De Hoge Raad verwijst naar de wetsgeschiedenis en eerdere rechtspraak waaruit volgt dat de schadevergoedingsmaatregel een zelfstandige sanctie is die losstaat van een civiele vordering in het strafproces.
Ad 3. Motiveringseisen bij schadevergoedingsmaatregel
De kern van deze klacht betreft de motivering van het oordeel dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de toegebrachte immateriële schade, in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De Hoge Raad herhaalt de vereisten die uit artikel 36f Sr en de jurisprudentie voortvloeien: de rechter dient te motiveren in hoeverre de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade en op grond van welke omstandigheden hij tot dit oordeel komt. Dit geldt met name indien er geen formele vordering is ingesteld of deze niet wordt toegewezen.
In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte het zestienjarige slachtoffer buiten haar medeweten heeft gedrogeerd met GHB en haar heeft verkracht terwijl zij in een bewusteloze toestand verkeerde. Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, wat naar het oordeel van het hof een zodanige normschending vormt dat de nadelige gevolgen daarvan evident zijn. Het hof acht daarom een aantasting in de persoon aanwezig in de zin van artikel 6:106 BW en stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op 5.000 euro.
De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk. Uit de overwegingen van het hof blijkt voldoende op welke gronden het hof tot civielrechtelijke aansprakelijkheid komt. Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit en de leeftijd van het slachtoffer acht de Hoge Raad het oordeel van het hof – dat de nadelige gevolgen van de verkrachting zodanig voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen – juridisch juist en toereikend gemotiveerd.
Overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad verwerpt ook de overige middelen van de verdachte. Deze betreffen geen rechtsvragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht en worden op grond van artikel 81 lid 1 RO afgedaan zonder nadere motivering.
Conclusie
De Hoge Raad bevestigt dat een schadevergoedingsmaatregel wegens immateriële schade ook kan worden opgelegd als het slachtoffer zich niet formeel als benadeelde partij heeft gevoegd in het strafproces. Voorwaarde is wel dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer aanspraak maakt op schadevergoeding en dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voldoende onderbouwd is. Daarnaast moet het debat over de schade op een eerlijke wijze zijn gevoerd, waarbij beide partijen zich over de relevante feiten en omstandigheden hebben kunnen uitlaten.
De motiveringsplicht van de rechter strekt ertoe dat de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel begrijpelijk en navolgbaar is. In deze zaak is daaraan voldaan. De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak.
