Mestboete wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm terecht opgelegd aan de natuurlijke persoon die het bedrijf als eenmanszaak exploiteerde

College van Beroep voor het bedrijfsleven 6 oktober 2026, ECLI:NL:CBB:2026:482

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt in hoger beroep over een bestuurlijke boete wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm van de Meststoffenwet in 2017. De boete is opgelegd aan de landbouwer die het bedrijf in dat jaar als eenmanszaak exploiteerde. Zij voert aan dat de boete is opgelegd aan een bedrijf dat niet meer bestaat, omdat de eenmanszaak inmiddels is overgegaan in een maatschap, en dat de leidinggevende had moeten worden beboet. Het College oordeelt dat een eenmanszaak geen rechtspersoon is en daaraan ook niet wordt gelijkgesteld, zodat de natuurlijke persoon de overtreding heeft begaan en beboeting van een feitelijk leidinggevende niet aan de orde is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel, voor het eerst ter zitting gedaan, laat het College wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Het College ziet geen aanleiding voor verdere matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, die de boete had vastgesteld op € 5.530,14.

Inleiding en context

Het gaat om een bestuursrechtelijke procedure over een bestuurlijke boete, niet om een strafzaak. De appellante is een natuurlijk persoon, een landbouwer die het bedrijf in 2017 exploiteerde in de vorm van een eenmanszaak. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur legt haar op 29 juni 2022 een boete op van € 7.276,50. Die boete is door de minister al met € 808,50 gematigd, omdat tussen het boeterapport en de oplegging meer dan 26 weken zijn verstreken. Het bezwaar verklaart de minister op 2 november 2022 ongegrond.

De rechtbank Gelderland verklaart het beroep op 16 juli 2025 (kenmerk 22/5793, niet gepubliceerd) gegrond en stelt de boete vast op € 5.530,14 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank laat die termijn aanvangen op 13 juli 2018, de dag van het eerste verhoor waarin de boete is aangezegd, en stelt een overschrijding vast van ongeveer 60 maanden. Voor de eerste zes maanden past zij geen extra matiging toe gezien de matiging door de minister. Voor de periode van zes tot twaalf maanden matigt zij met 5 procent. Van de resterende 48 maanden trekt zij zes maanden af, omdat een zitting op verzoek van de landbouwer is uitgesteld, en voor de overige 42 maanden matigt zij met nog eens 20 procent. De meervoudige kamer van het College behandelt het hoger beroep op 14 juli 2026, met alleen de gemachtigden aanwezig.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Er is geen tenlastelegging. De landbouwer wordt verweten dat zij in 2017 de fosfaatgebruiksnorm van de Meststoffenwet heeft overschreden. De uitspraak noemt niet het artikel waarin die norm is neergelegd. Centraal staat de vraag wie de overtreding heeft begaan. Daarvoor zijn van belang de begrippen landbouwer en bedrijf (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder gg en onder i, Meststoffenwet) en artikel 5:1, derde lid, Awb in verbinding met artikel 51, derde lid, Sr. De redelijke termijn toetst het College aan artikel 6 EVRM.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In deze bestuursrechtelijke procedure is geen Openbaar Ministerie betrokken. Verwerende partij is de minister, die een schriftelijke uiteenzetting geeft. Volgens de minister is de landbouwer als natuurlijk persoon de overtreder en is zij consequent als zodanig aangeschreven. Normadressaat is de landbouwer in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder gg, Meststoffenwet. Het arrest waarop de landbouwer zich beroept, is volgens de minister niet van toepassing, omdat geen sprake is van een ontbonden rechtspersoon. Beboeting van een leidinggevende is bij een eenmanszaak niet aan de orde.

Standpunt van de verdediging

De landbouwer voert in het hogerberoepschrift één grond aan die zij niet bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Bij de boeteoplegging was de eenmanszaak al overgegaan in een vennootschap (het College begrijpt: een maatschap), zodat de boete is opgelegd aan een bedrijf dat niet meer bestaat. De boete had moeten worden opgelegd aan de leidinggevende. Zij wijst op HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655.

Ter zitting doet zij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij verwijst naar een brief van de minister aan de Tweede Kamer van 22 januari 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 28 385, nr. 82), waarin volgens haar is toegezegd dat een bedrijf dat voldoende tonnen mest afvoert niet wordt beboet. Haar gemachtigde stelt dat deze grond al in een brief van 1 juli 2026 is aangevoerd.

Oordeel gerecht

Het College verwerpt de grond over de overtreder. Een eenmanszaak heeft geen rechtspersoonlijkheid en wordt bij boeteoplegging ook niet gelijkgesteld aan een rechtspersoon (artikel 5:1, derde lid, Awb in verbinding met artikel 51, derde lid, Sr). Het arrest van de Hoge Raad mist daarom toepassing, en omdat geen sprake is van een rechtspersoon, kan de boete ook niet aan een feitelijk leidinggevende worden opgelegd. Exploiteert een natuurlijk persoon het bedrijf als eenmanszaak, dan begaat die natuurlijke persoon de overtreding. Daarmee strookt dat de minister het boetevoornemen, het boetebesluit en het bestreden besluit aan haar heeft gericht. Dat de eenmanszaak is opgehouden te bestaan, doet niet ter zake.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel laat het College buiten beschouwing. De brief van 1 juli 2026 heeft het College niet ontvangen, en de gemachtigde kan niet met zekerheid zeggen dat die is verstuurd. Tot de zitting was het geding beperkt tot de vraag wie de overtreding heeft begaan; met deze grond komt ook de overtreding zelf ter discussie te staan. Dat is een wezenlijke uitbreiding van het geding, en er is geen reden waarom de landbouwer de grond niet eerder kon aanvoeren. Het pas ter zitting aanvoeren ervan is in strijd met de goede procesorde.

Ambtshalve toetst het College de redelijke termijn. Voor drie instanties geldt als uitgangspunt vier jaar: een jaar voor de bestuurlijke fase, een jaar voor beroep en twee jaar voor hoger beroep. Met de rechtbank neemt het College 13 juli 2018 als aanvang. Op de dag van de uitspraak is de termijn met ongeveer 51 maanden overschreden. Het College ziet geen aanleiding voor een verdergaande matiging dan de rechtbank heeft toegepast.

Bewezenverklaring

Een bestuursrechtelijke procedure kent geen bewezenverklaring. Het College gaat uit van de volgende overtreding, waarvan alleen de vraag wie haar heeft begaan in hoger beroep ter beoordeling stond:

  • Overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm van de Meststoffenwet in 2017, begaan door de natuurlijke persoon die het bedrijf in dat jaar exploiteerde in de vorm van een eenmanszaak.

Strafoplegging en maatregelen

Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Daarmee blijft de boete vastgesteld op € 5.530,14. Verdere matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn blijft achterwege. Er is geen eis van een Openbaar Ministerie waarvan kan worden afgeweken. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^