Hoge Raad past regels over stellen en betwisten toe op de drie categorieën van immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze
/Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822
De Hoge Raad doet uitspraak in een zaak over medeplegen van een poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld, gericht op het horloge van een slachtoffer dat op klaarlichte dag is beschoten en met een vuurwapen op het hoofd is geslagen. Het gerechtshof Amsterdam wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade toe tot € 2.000 en legt daarbij een schadevergoedingsmaatregel op. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het hof die toewijzing ontoereikend heeft gemotiveerd, mede omdat de vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist. De Hoge Raad herhaalt het kader uit zijn arrest van 28 mei 2019 over aantasting in de persoon op andere wijze en werkt de regels over stellen en betwisten uit voor de drie categorieën van gevallen. Omdat uit de overwegingen van het hof niet blijkt op welke grond van artikel 6:106 BW en op welke vastgestelde omstandigheden de toewijzing berust, kan dat oordeel en daarmee ook de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak op deze punten en wat betreft de strafduur wegens overschrijding van de redelijke termijn, en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2001. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem bij arrest van 10 januari 2024 wegens, in zaak A, de eendaadse samenloop van medeplegen van een poging tot diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen (art. 312 lid 2 onder 2 Sr), en het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III (art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie), en, in zaak B, diefstal waarbij het weg te nemen goed onder het bereik is gebracht door middel van valse sleutels. Het hof legt een gevangenisstraf op van drie jaren en zes maanden, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast beveelt het hof de onttrekking aan het verkeer respectievelijk de teruggave van enkele voorwerpen.
De bewezenverklaring in zaak A onder 1 meest subsidiair houdt in dat de verdachte op 18 november 2019, samen met een ander, heeft geprobeerd een horloge en andere goederen van het slachtoffer weg te nemen. Daarbij is het slachtoffer op het hoofd geslagen en is met een vuurwapen in de richting van zijn benen geschoten, terwijl tegen hem is geroepen dat hij zijn horloge moest afgeven. Op een metgezel van het slachtoffer is een vuurwapen gericht.
Het slachtoffer voegt zich als benadeelde partij met een vordering van € 5.000 ter zake van immateriële schade. De rechtbank wijst die vordering toe tot € 500. In hoger beroep vordert de benadeelde partij opnieuw € 5.000. De verdediging betwist de vordering en bepleit primair niet-ontvankelijkverklaring, mede omdat de gestelde psychische schade niet is onderbouwd. Het hof wijst de vordering toe tot € 2.000, vermeerderd met de wettelijke rente, en legt voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Cassatiemiddelen
Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof op onbegrijpelijke, althans ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat de verdachte een vuurwapen van categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.
Het tweede cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel ter zake van het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde. Het middel stelt de vraag aan de orde hoe de algemene regels over het stellen en betwisten van feiten moeten worden toegepast in elk van de drie categorieën van gevallen waarin de rechter moet oordelen over een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze.
De advocaat-generaal Van Wees concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, uitsluitend wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt over het eerste cassatiemiddel dat de klachten niet tot vernietiging van de uitspraak kunnen leiden en dat hij niet hoeft te motiveren waarom hij tot dat oordeel komt, omdat de klachten geen vragen aan de orde stellen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO).
Bij de beoordeling van het tweede cassatiemiddel herhaalt de Hoge Raad de overwegingen uit zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, over immateriële schadevergoeding wegens aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uitgangspunt is dat, anders dan bij vermogensschade, slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade voor zover de wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Die wettelijke beperking brengt mee dat de grondslag aandacht verdient als de rechter een vergoeding toekent. Het gaat in dit verband om immateriële schade die niet voortvloeit uit lichamelijk letsel of aantasting van de eer of goede naam.
De Hoge Raad werkt de regels over stellen en betwisten uit voor de drie categorieën. In de eerste categorie, waarin sprake is van geestelijk letsel, moet de benadeelde voldoende concrete gegevens verschaffen waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, ook als de verdachte het bestaan van dat letsel niet betwist, zodat de rechter het geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan vaststellen. Doorgaans gaat het om een rapportage van een deskundige, zonder dat een diagnose van een erkend psychiatrisch ziektebeeld is vereist.
De tweede categorie betreft gevallen waarin geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen daarvan, in onderlinge samenhang bezien, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Het is aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens over de gevolgen van de normschending te onderbouwen. Worden die gevolgen niet betwist, dan kan de rechter van de juistheid daarvan uitgaan; worden zij wel betwist, dan beoordeelt de rechter aan de hand van de stellingen over en weer of zij in voldoende mate zijn komen vast te staan. Is dat niet het geval, of stelt de benadeelde onvoldoende over de gevolgen, dan kan de rechter geen aantasting in de persoon aannemen, behoudens de derde categorie.
In die derde categorie kan in uitzonderlijke gevallen een aantasting in de persoon op andere wijze worden aangenomen zonder dat vaststaat welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden, namelijk wanneer de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat de aantasting zonder meer kan worden aangenomen. Concrete gevolgen kunnen ook dan van belang zijn voor de begroting van de schade naar billijkheid. Onderbouwt de benadeelde de concrete gevolgen niet nader, dan kan de rechter in beginsel volstaan met een bij het geval passend bedrag dat strookt met wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toekennen.
Toegepast op deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof om de vordering tot € 2.000 toe te wijzen ontoereikend is gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat de vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist. Uit de overwegingen van het hof kan niet worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden de toewijzing berust. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. ECLI:NL:HR:2019:901). Het cassatiemiddel slaagt.
Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf tot drie jaren, vijf maanden en twee weken, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam om ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige verwerpt de Hoge Raad het beroep.
Lees hier de volledige uitspraak.
