Hoge Raad over UN-kenmerken op vaten als geschrift in de zin van artikel 225 Sr; strafoplegging vernietigd omdat de concernomzet niet ter terechtzitting aan de orde is gekomen

Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1758

De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging in een zaak tegen een besloten vennootschap die door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld tot een geldboete van € 750.000 wegens valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. De vennootschap brengt UN-kenmerken aan op stalen vaten voor de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, terwijl uit herhaalde beproevingen met inwendige druk volgens het ADR blijkt dat die vaten niet overeenkomen met het bijbehorende ontwerptype. Het oordeel van het hof dat een stalen vat met een daarin geperst UN-kenmerk een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Evenmin onjuist is het oordeel dat artikel 219 Sr zich niet tot artikel 225 Sr verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling in de zin van artikel 55 lid 2 Sr. Het cassatiemiddel over de strafmotivering slaagt, omdat het hof de jaaromzet en het nettoresultaat van het internationale bedrijf waarvan de vennootschap deel uitmaakt bij de hoogte van de geldboete betrekt, terwijl op de terechtzittingen geen stukken aan de orde zijn gekomen waaruit die gegevens kunnen worden afgeleid. De Hoge Raad wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof Den Haag en verwerpt het beroep voor het overige.

Achtergrond

De verdachte is een rechtspersoon, een besloten vennootschap die verpakkingen voor gevaarlijke stoffen vervaardigt en die eerder onder een andere naam opereerde. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt haar op 26 januari 2024 wegens het onder 2 primair bewezenverklaarde, gekwalificeerd als valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, artikel 225 lid 1 Sr, tot een geldboete van € 750.000. De economische kamer van de rechtbank Rotterdam legt in eerste aanleg voor hetzelfde feit een geldboete op van € 40.000. De advocaat-generaal bij het hof vordert voor de feiten 1 en 2 primair een geldboete van € 55.000. Wat het hof ten aanzien van feit 1 beslist, blijkt niet uit het arrest.

Tenlastegelegd is onder 2 primair valsheid in geschrift in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 en subsidiair het valselijk plaatsen van merken op goederen als bedoeld in artikel 219 Sr. Bewezenverklaard is dat de verdachte op 21 maart 2012 op vaten drie UN-kenmerken aanbrengt, terwijl uit herhaalde beproevingen met inwendige druk volgens de voorschriften 6.1.5.1.3 en 6.1.5.5 van het ADR is gebleken dat de vaten niet overeenkomen met de bijbehorende ontwerptypen. Het hof stelt vast dat geen van de negen geteste vaten uit de op 22 maart 2012 in beslag genomen partij de druktest doorstaat, dat de periodieke beproevingen in 2010 en 2011 voor de betrokken productielijnen geen enkele keer slagen en dat binnen de rechtspersoon geen structurele maatregelen zijn getroffen. Het hof onderscheidt het UN-kenmerk van een chassisnummer, dat volgens het hof slechts dient ter identificatie, en overweegt dat artikel 219 Sr geen lex specialis is ten opzichte van artikel 225 Sr.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stellen de advocaten D.R. Doorenbos en T. Tepaske zes cassatiemiddelen voor. Het eerste middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting is hervat en gesloten door een enkelvoudig samengesteld hof, terwijl dat een meervoudige kamer had moeten zijn. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat bij de als bewijsmiddel gebruikte verklaring van de directeur van de verdachte geen sprake was van een verhoorsituatie. Het derde middel klaagt dat de vaten met UN-kenmerken niet kunnen worden aangemerkt als geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. Het vierde middel klaagt dat het hof artikel 219 Sr ten onrechte niet als bijzondere strafbepaling ten opzichte van artikel 225 Sr heeft beschouwd. Het vijfde middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan volgen. Het zesde middel richt zich tegen de strafmotivering, onder meer omdat het hof de jaaromzet en het nettoresultaat van het internationale bedrijf mede bepalend acht voor de hoogte van de geldboete, terwijl die gegevens niet ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.

De advocaat-generaal Van Wees concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Volgens de inhoudsindicatie wijkt de conclusie ten aanzien van de strafmotivering af van het oordeel van de Hoge Raad. De raadslieden reageren schriftelijk.

Beoordeling Hoge Raad

Het eerste en het tweede middel leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad motiveert dit niet nader, omdat de beoordeling geen beantwoording vergt van vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, artikel 81 lid 1 RO (rov. 5).

Het derde middel faalt. Omdat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225 lid 1 Sr, zijn de woorden “geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen” gebruikt in de betekenis die zij in die bepaling hebben (rov. 2.3.1). Het hof stelt vast dat de UN-kenmerken bestaan uit leesbare tekens, letters en cijfers, die in het vat zijn geperst, en dat het kenmerk aangeeft dat de verpakking overeenkomt met een ontwerptype dat de vereiste beproevingen met succes heeft doorstaan en met de regels van het ADR, dat in Nederland is geïmplementeerd in het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen. Afnemers moeten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gebruikmaken van de voor die stof vereiste vaten met UN-kenmerk, zodat de vaten bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. Het oordeel dat een stalen vat met daarin een geperst UN-kenmerk zo’n geschrift is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd (rov. 2.4).

Het vierde middel faalt. De Hoge Raad zet uiteen dat op grond van artikel 55 lid 1 Sr slechts één strafbepaling wordt toegepast als een feit in meer dan één bepaling valt, en dat op grond van lid 2 alleen de bijzondere strafbepaling in aanmerking komt als die bestaat (rov. 3.4). Artikel 219 Sr bevat niet alle bestanddelen van artikel 225 Sr, en er zijn geen dwingende aanknopingspunten voor de opvatting dat artikel 219 Sr toch als bijzondere strafbepaling moet worden beschouwd (rov. 3.5).

Het vijfde middel leidt niet tot cassatie, met toepassing van artikel 81 lid 1 RO (rov. 5).

Het zesde middel slaagt voor zover het klaagt over het betrekken van de financiële gegevens van het concern. Het hof merkt de verdachte aan als onderdeel van een internationaal bedrijf, weegt mee dat de verdachte een grote speler is op de internationale markt voor industriële verpakkingen, en betrekt de jaaromzet van ruim 6 miljard US dollar en het nettoresultaat van ruim 375 miljoen US dollar over 2022 bij de strafoplegging. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt niet dat daar stukken aan de orde zijn gekomen waaruit die gegevens kunnen worden afgeleid. Zonder nadere motivering is de strafoplegging daarom niet begrijpelijk (rov. 4.3 en 4.4). De overige klachten leiden niet tot cassatie (rov. 5).

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^