Hoge Raad verwerpt bewijsklacht over valsheid van een aandeelhoudersverslag bij feitelijk leiding geven en vermindert taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn
/Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1622
De Hoge Raad verwerpt grotendeels het cassatieberoep van een man die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon. Het hof stelt vast dat de verdachte een aandeelhoudersverslag twee keer per e-mail aan een agentschap stuurt om inzicht te geven in de uitvoering van een fondsplan door een B.V. De daarin genoemde investeringen en participaties hebben volgens het hof nog niet allemaal plaatsgevonden. Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring en faalt om de redenen in de conclusie van de advocaat-generaal. De overige middelen worden afgedaan met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. Omdat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, vermindert de Hoge Raad de taakstraf van 720 uren tot 695 uren.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1968. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem op 27 november 2023 onder meer wegens feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, artikel 225 lid 2 Sr, bewezenverklaard onder 1 primair. Het hof legt een taakstraf op van 720 uren, subsidiair 360 dagen hechtenis. In eerste aanleg volgt vrijspraak. Of het hof nog andere feiten bewezen verklaart en welke andere straffen of maatregelen het eventueel oplegt, blijkt niet uit het arrest.
Volgens de inhoudsindicatie, die de conclusie van de advocaat-generaal weergeeft, stelt het hof vast dat de verdachte het aandeelhoudersverslag twee keer per e-mail aan een agentschap toestuurt. Een van die e-mails is een reactie op de mededeling van het agentschap dat het onvoldoende kan vaststellen dat de B.V. heeft voldaan aan haar verplichting tot volstorting van haar private aandeel. Uit onderzoek blijkt dat de in het verslag genoemde investeringen en participaties nog niet allemaal hebben plaatsgevonden. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte feitelijk leiding geeft aan het door de B.V. opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift. De zaak hangt samen met zaaknummer 23/04637.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte stelt advocaat D.J.P. van Omme cassatiemiddelen voor. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring onder 1 primair en de motivering daarvan, en volgens de inhoudsindicatie in het bijzonder over het oordeel dat het aandeelhoudersverslag een vals geschrift is in de zin van artikel 225 lid 1 Sr. Het aantal en de inhoud van de overige middelen blijken niet uit het arrest.
De advocaat-generaal Van Wees concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman reageert daarop schriftelijk.
Beoordeling Hoge Raad
Het eerste middel leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad verwijst voor de redenen naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. Volgens de inhoudsindicatie kunnen de in cassatie niet betwiste vaststellingen van het hof over de context van de e-mails en het nog niet plaatsvinden van de genoemde investeringen het oordeel dat het verslag vals is zelfstandig dragen. Wat het hof overweegt over het doel waarmee de verdachte het verslag zou hebben opgesteld, doet aan de begrijpelijkheid van dat oordeel niet af, gelet op de toesnijding van de bewezenverklaring op artikel 225 lid 2 Sr.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad motiveert dit niet nader, omdat de beoordeling geen beantwoording vergt van vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, artikel 81 lid 1 RO.
Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is daarmee overschreden, wat moet leiden tot vermindering van de taakstraf van 720 uren, subsidiair 360 dagen hechtenis.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, uitsluitend wat betreft het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, vermindert de taakstraf tot 695 uren, subsidiair 347 dagen hechtenis, en verwerpt het beroep voor het overige.
Lees hier de volledige uitspraak.
