Geldboete van € 2.000.000 na procesafspraken voor medeplegen van gewoontewitwassen en valsheid in geschrift met valse facturen

Rechtbank Noord-Holland 28 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13104

De rechtbank Noord-Holland veroordeelt een in 1956 geboren man tot een geldboete van € 2.000.000. Hij laat 70 facturen opmaken door vennootschappen in Hong Kong en Londen voor diensten die nooit zijn geleverd. Werkmaatschappijen uit zijn concern betalen de facturen en trekken de bedragen af als kosten in de vennootschapsbelasting. Het geld komt via die vennootschappen terecht op een Zwitserse bankrekening van een vennootschap waarvan hij de UBO is. De zaak wordt afgedaan op basis van procesafspraken; het Openbaar Ministerie ziet af van ontneming. De rechtbank vergelijkt de straf met de fiscale boete die bij bestuursrechtelijke afdoening zou zijn opgelegd.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1956, die door de rechtbank als vermogend wordt aangeduid. Hij houdt indirect een aandelenbelang in twee werkmaatschappijen die tot zijn concern behoren. De zaak wordt in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer, zittingsplaats Haarlem, op de zittingen van 7 juli 2022, 22 juni 2026 en 14 september 2026. Het vonnis is een verkort vonnis als bedoeld in artikel 138b Sv en bevat geen bewijsmiddelen; bij hoger beroep wordt het aangevuld met een bijlage met de bewijsmiddelen. De inhoudsindicatie spreekt van onderzoek Palatka; in de strafmotivering noemt de rechtbank het strafrechtelijk onderzoek Boomtomaat.

De verdachte heeft op 4 mei 2016 een inkeermelding gedaan bij de Belastingdienst en op 12 oktober 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is een bedrag van € 6.961.903 alsnog in de heffing van vennootschaps- en inkomstenbelasting betrokken. De verdachte heeft de verschuldigde belasting inmiddels betaald.

Het Openbaar Ministerie en de verdachte hebben procesafspraken gemaakt. De verdachte hoeft geen verklaring af te leggen, dient geen onderzoekswensen in en voert geen bewijsverweren, evenmin als ontvankelijkheids-, bewijs- en strafmaatverweren over de inkeermelding en over het gebruik van documenten die mogelijk onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen. Het Openbaar Ministerie vraagt de overeengekomen bewezenverklaring en kwalificatie, vordert een geldboete van € 2.000.000 en ziet af van een ontnemingsvordering. Partijen spreken af geen hoger beroep in te stellen bij een uitspraak conform de afspraken.

Ter zitting van 22 juni 2026 bevestigt de verdachte dat hij weloverwogen, voldoende geïnformeerd en vrijwillig met de procesafspraken instemt. Partijen lichten toe wat zij als een wezenlijk ander oordeel beschouwen. Het toevoegen van een pleegplaats of het bewezen achten van een lager bedrag bij feit 1 valt daar volgens beiden niet onder. Volgens de officier van justitie is wel sprake van een wezenlijk ander oordeel bij een afwijking van meer dan 10 procent van de overeengekomen geldboete; volgens de verdediging bij een overschrijding van meer dan 10 procent of bij een andere strafmodaliteit. De voorzitter wijst de verdachte erop dat de afstand van het recht op hoger beroep niet rechtsgeldig is, en dat de procesafspraken vervallen als toch hoger beroep wordt ingesteld (vgl. HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).

Tenlastelegging en wettelijk kader

Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 3 januari 2002 tot en met 2 mei 2019, samen met anderen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, subsidiair dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen. Het gaat om geldbedragen die van de werkmaatschappijen via een vennootschap in Hong Kong en via een vennootschap in Londen en een andere vennootschap zijn overgedragen aan een vennootschap op de Britse Maagdeneilanden, en om bedragen die van de bankrekening van die vennootschap contant zijn opgenomen of afgeschreven.

Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij samen met anderen in de periode van 21 januari 2005 tot en met 12 mei 2014 ongeveer 36 facturen van de vennootschap in Hong Kong aan de ene werkmaatschappij valselijk heeft opgemaakt, en tot en met 18 juli 2014 opzettelijk van die facturen gebruik heeft gemaakt. Feit 3 betreft ongeveer 34 facturen van de vennootschap in Londen aan de andere werkmaatschappij, valselijk opgemaakt in de periode van 19 oktober 2006 tot en met 5 mei 2014 en gebruikt tot en met 16 juli 2014. Bij de feiten 2 en 3 is subsidiair opdracht geven tot of feitelijk leidinggeven aan deze gedragingen ten laste gelegd.

De rechtbank past de artikelen 23, 24c, 47, 57, 63, 225 en 420ter Sr toe, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert, onder verwijzing naar de procesafspraken, bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten en een geldboete van € 2.000.000.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert overeenkomstig de procesafspraken geen verweer, ook geen strafmaatverweer.

Oordeel gerecht

De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een tijdige en rechtsgeldige inkeer die, met analogische toepassing van artikel 69 lid 3 AWR, in de weg staat aan vervolging wegens (gewoonte)witwassen (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:555 en gerechtshof 's-Hertogenbosch 16 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:744). De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank stelt dat bij de behandeling de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv voorop staan en dat de procesafspraken een rol spelen bij de straftoemeting. Zij acht feit 1 en de feiten 2 en 3 primair wettig en overtuigend bewezen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier. Bij feit 1 laat zij het ten laste gelegde bedrag van 117.113 GBP buiten de bewezenverklaring. Bij de feiten 2 en 3 beperkt de bewezenverklaring zich tot het valselijk opmaken van de facturen. Wat meer of anders is ten laste gelegd, acht de rechtbank niet bewezen; daarvan spreekt zij de verdachte vrij.

Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van een gewoonte maken van witwassen (feit 1) en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feiten 2 en 3).

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 3 januari 2002 tot en met 2 mei 2019, op Bonaire, in Nederland, China, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, door van geldbedragen met een totale waarde van USD 4.212.011 en € 212.452 (via de vennootschap in Hong Kong), € 3.012.669,50 (via de vennootschap in Londen en een andere vennootschap), contant opgenomen bedragen van € 4.303.000 en CHF 92.000 en afgeschreven bedragen van € 597.925 en USD 300.000 de werkelijke aard, de herkomst en de verplaatsing te verbergen en te verhullen en te verhullen wie de rechthebbenden waren, terwijl de verdachte en zijn mededaders wisten dat de bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.

  • Feit 2 primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, door in de periode van 21 januari 2005 tot en met 12 mei 2014 in Nederland en Hong Kong 36 facturen van de vennootschap in Hong Kong aan de ene werkmaatschappij valselijk op te maken, met gefingeerde diensten en zogenaamd verschuldigde bedragen.

  • Feit 3 primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, door in de periode van 19 oktober 2006 tot en met 5 mei 2014 in Nederland 34 facturen van de vennootschap in Londen aan de andere werkmaatschappij valselijk op te maken, met gefingeerde diensten en zogenaamd verschuldigde bedragen.

  • Vrijspraak van wat meer of anders is ten laste gelegd, waaronder het witwassen van 117.113 GBP en het opzettelijk gebruikmaken van de valse facturen.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank overweegt dat de verdachte gedurende meerdere jaren samen met anderen valsheid in geschrift en witwassen van grote geldbedragen heeft gepleegd, met behulp van buitenlandse vennootschappen en bankrekeningen. In zijn opdracht zijn 70 facturen opgemaakt voor diensten die niet zijn geleverd, met het doel belasting te ontduiken. De werkmaatschappijen hebben de factuurbedragen ten onrechte als kosten afgetrokken. Na aftrek van commissie en kosten zijn de bedragen overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening van de vennootschap op de Britse Maagdeneilanden, waarvan de verdachte als UBO de feitelijke beschikkingsmacht had. Vanaf die rekening heeft hij grote bedragen contant opgenomen en naar zichzelf overgeboekt. Hij heeft daarmee inkomsten uit aanmerkelijk belang (verkapt dividend) genoten die hij niet in zijn aangiften inkomstenbelasting (box 2) heeft verantwoord. De rechtbank noemt witwassen een ondermijnende vorm van criminaliteit en overweegt dat valsheid in geschrift het vertrouwen in de juistheid van stukken aantast. De verdachte had kennelijk tot doel zichzelf verder te verrijken.

Uit het strafblad van 8 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank neemt kennis van zijn toelichting op zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn gezondheid. Zij slaat acht op de LOVS-oriëntatiepunten en op straffen in soortgelijke zaken, maar legt gelet op de persoonlijke omstandigheden, het tijdsverloop en de overige omstandigheden geen gevangenisstraf op.

Volgens de officier van justitie zou de zaak zonder het strafrechtelijk onderzoek hoogstwaarschijnlijk met een fiscale bestuurlijke boete zijn afgedaan. De rechtbank acht in dat geval een boete tussen € 2.300.000 en € 2.600.000 aannemelijk. Zij neemt het bedrag van € 6.961.903 uit de vaststellingsovereenkomst als uitgangspunt, dat correspondeert met het eerste deel van de bewezenverklaring van feit 1. Met een effectief tarief van vennootschaps- en inkomstenbelasting (box 2) van circa 45 tot 50 procent levert dat een boetegrondslag op van € 3,1 tot € 3,45 miljoen. Op grond van de artikelen 67d en 67e AWR bedraagt de vergrijpboete ten hoogste 100 procent van de grondslag. Bij opzet pleegt een boete van 50 procent te worden opgelegd (paragraaf 25.2 BBBB); bij listigheid, valsheid of samenspanning kan die worden verhoogd tot 100 procent (paragraaf 8.8 BBBB). Volgens de rechtbank zou daartoe bij bestuursrechtelijke afdoening aanleiding zijn geweest. Het in de procesafspraken gehanteerde percentage van 75 procent acht zij begrijpelijk.

De rechtbank houdt rekening met de medewerking van de verdachte aan een procedure die tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. Er zijn geen verweren gevoerd over de inkeermelding en over mogelijk verschoningsgerechtigde documenten, een hoger beroep wordt voorkomen en de boete kan sneller worden geïnd. Een korting op de straf is volgens de rechtbank gerechtvaardigd; de voorgestelde straf valt binnen de bandbreedte van een derde onder de straf die anders zou zijn opgelegd.

De redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM is gaan lopen bij het uitbrengen van de dagvaarding op 28 april 2022 en is met twee jaar en vijf maanden overschreden, zonder bijzondere omstandigheden die dat rechtvaardigen. Dit leidt tot matiging van de straf.

De rechtbank acht de eis van de officier van justitie, en daarmee de overeengekomen geldboete, passend. Zij veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 360 dagen hechtenis. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd; het Openbaar Ministerie heeft overeenkomstig de procesafspraken geen ontnemingsvordering aangebracht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^