Vader en zoon veroordeeld voor gewoontewitwassen en valsheid in geschrift vanuit boekhoudbedrijf na procesafspraken
/Rechtbank Overijssel 24 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:953 en ECLI:NL:RBOVE:2026:954
De rechtbank Overijssel veroordeelt een vader (78) en zoon (42) voor het medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen in de uitoefening van hun beroep als boekhouder. Gedurende bijna negen jaar maken zij valse facturen op via een eenmanszaak en witwassen daarmee ruim 365.000 euro aan van misdrijf afkomstig geld. Beide zaken zijn afgedaan op basis van procesafspraken met het Openbaar Ministerie, getoetst aan het kader van de Hoge Raad uit 2022. De vader krijgt een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 35.000 euro opgelegd. De zoon krijgt een taakstraf van 200 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en dezelfde geldboete van 35.000 euro. De rechtbank matigt de straf in beide zaken vanwege de proceseconomische voordelen van de afdoeningsvoorstellen en ziet af van een ontnemingsvordering.
Inleiding en context
De rechtbank Overijssel veroordeelt een vader (78 jaar) en zoon (42 jaar) voor het gezamenlijk plegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen in de uitoefening van hun beroep als boekhouder. Beide verdachten opereren vanuit hun gezamenlijke bedrijven en maken zich gedurende een periode van bijna negen jaar schuldig aan het opmaken van valse facturen en het witwassen van geldbedragen van in totaal ruim 365.000 euro. Het betreft twee samenhangende zaken in eerste aanleg, behandeld door dezelfde meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op de zitting van 10 februari 2026. Beide zaken kenmerken zich door het feit dat tussen de verdachten en het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de zitting procesafspraken zijn gemaakt, neergelegd in op 21 januari 2026 ondertekende overeenkomsten. De rechtbank toetst deze procesafspraken aan het door de Hoge Raad ontwikkelde kader (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). De vader wordt bijgestaan door mr. A.B. Vissers, advocaat in Amsterdam, de zoon door mr. N. van Schaik, advocaat in Utrecht.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Beide verdachten wordt hetzelfde feitencomplex verweten. Onder feit 1 wordt hen primair verweten dat zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 februari 2023, tezamen en in vereniging, meermalen facturen van een eenmanszaak valselijk hebben opgemaakt door daarop fictief verrichte werkzaamheden, fictieve data, fictieve kosten en onjuiste gegevens te vermelden, met het oogmerk deze geschriften als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken. Subsidiair wordt hen verweten deze valse geschriften opzettelijk voorhanden te hebben gehad. Het wettelijk kader voor dit feit wordt gevormd door artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrift).
Onder feit 2 wordt beide verdachten verweten dat zij in dezelfde periode, tezamen en in vereniging, geldbedragen tot een totaal van ongeveer 404.591,22 euro hebben witgewassen door de werkelijke aard en herkomst van deze bedragen te verhullen, terwijl zij wisten dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Daarbij wordt hun verweten van het witwassen een gewoonte te hebben gemaakt en zich hieraan schuldig te hebben gemaakt in de uitoefening van hun beroep en bedrijf. Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 420bis en 420ter Sr, in samenhang met artikel 47 Sr (medeplegen). De facturen zijn in beide tenlasteleggingen gericht aan dertien verschillende bedrijven.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich in beide zaken op het standpunt dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Ter zitting rekwireert de officier van justitie tevens tot vrijspraak op een aantal onderdelen van de tenlastelegging, hetgeen hij ook voor ogen heeft gehad bij de totstandkoming van de afdoeningsvoorstellen. Conform de procesafspraken vordert de officier van justitie ten aanzien van de vader oplegging van een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van 35.000 euro. Ten aanzien van de zoon vordert de officier van justitie een taakstraf van 200 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van eveneens 35.000 euro. In beide zaken ziet het Openbaar Ministerie af van het aanhangig maken van een ontnemingsvordering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging wijst in beide zaken op de gemaakte procesafspraken en voert geen bewijs-, ontvankelijkheids- of strafmaatverweren. Geen van beide verdachten betwist de ten laste gelegde feiten. De verdediging in beide zaken pleit dat zij zich kan vinden in de door het Openbaar Ministerie gevorderde partiële vrijspraak en stelt zich op het standpunt dat dit past binnen de afdoeningsvoorstellen. Beide raadslieden verzoeken de rechtbank de strafeis van de officier van justitie te volgen.
Oordeel gerecht
De rechtbank neemt bij de beoordeling van de afdoeningsvoorstellen in beide zaken het door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 ontwikkelde kader als uitgangspunt. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 10 februari 2026 bespreekt de rechtbank de afdoeningsvoorstellen uitgebreid en indringend met beide verdachten in aanwezigheid van hun raadslieden. De rechtbank stelt in beide zaken vast dat de verdachten vrijwillig en op basis van voldoende duidelijke informatie tot de ondubbelzinnige beslissing zijn gekomen om mee te werken aan de procesafspraken. Beide verdachten zijn zich bewust van de rechtsgevolgen en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank oordeelt dat hiermee is voldaan aan de eisen van artikel 6 EVRM. De rechtbank benadrukt in beide zaken dat zij geen partij is bij de totstandkoming van de afdoeningsvoorstellen en daaraan niet gebonden is, en dat de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend is geweest.
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank in beide zaken wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten beide feiten hebben begaan. De bewezenverklaring is in beide zaken identiek. Ten aanzien van feit 1 oordeelt de rechtbank dat bewezen is dat de verdachten facturen valselijk hebben opgemaakt die zijn gericht aan zeven van de oorspronkelijk dertien in de tenlastelegging genoemde bedrijven. Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank bewezen dat een bedrag van in totaal 365.635,43 euro is witgewassen, waarbij de verdachten de werkelijke aard en herkomst van deze bedragen hebben verhuld. Dit is lager dan het oorspronkelijk ten laste gelegde bedrag van 404.591,22 euro, omdat de rechtbank voor een aantal onderdelen vrijspreekt. De bewezen verklaarde feiten zijn strafbaar gesteld in de artikelen 47, 225, 420bis en 420ter Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachten uitsluiten.
Bewezenverklaring
In beide zaken luidt de bewezenverklaring gelijkluidend:
Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, door in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 februari 2023 tezamen en in vereniging meermalen facturen van een eenmanszaak gericht aan zeven bedrijven valselijk op te maken door daarop fictief verrichte werkzaamheden, fictieve data, fictieve kosten en onjuiste gegevens te vermelden, met het oogmerk deze als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken.
Feit 2: medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen en medeplegen van het plegen van witwassen in de uitoefening van hun beroep en bedrijf, door in dezelfde periode tezamen en in vereniging de werkelijke aard en herkomst van geldbedragen tot een totaal van 365.635,43 euro te verhullen, terwijl zij wisten dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Beide verdachten worden vrijgesproken van het witwassen van geldbedragen die betrekking hebben op zes van de oorspronkelijk dertien genoemde bedrijven, alsmede van de valsheid in geschrift voor zover deze betrekking heeft op de facturen gericht aan die bedrijven.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank overweegt in beide zaken dat de verdachten er een gewoonte van hebben gemaakt geld wit te wassen in de uitoefening van hun beroep als boekhouder en vanuit hun bedrijven. Door valselijk facturen op te maken en de werkelijke aard en herkomst van de geldbedragen te verhullen, hebben de verdachten een grote hoeveelheid van misdrijf afkomstig geld in de legale economie gebracht. De rechtbank oordeelt dat dit witwassen een bedreiging vormt voor de legale economie, de integriteit van het financieel en economisch verkeer aantast en faciliterend werkt voor ander strafbaar handelen. Daarnaast wordt de Staat benadeeld doordat over de criminele inkomsten geen belasting wordt betaald. De valsheid in geschrift schaadt het vertrouwen dat in het financieel en economisch verkeer in dergelijke stukken moet kunnen worden gesteld.
De rechtbank slaat in beide zaken acht op het feit dat geen van beide verdachten eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De vader brengt ter zitting naar voren dat hij twintig uur per week werkzaam is bij het bedrijf van zijn andere zoon en dat aanpassingen zijn gedaan in de werkprocessen om herhaling te voorkomen. Hij geeft aan veel spijt te hebben. De zoon brengt naar voren dat hij een eigen boekhoudbedrijf heeft en de zorg draagt voor zijn vijftienjarige dochter. Hij maakt inmiddels gebruik van gecertificeerde programma's om herhaling te voorkomen en geeft aan veel last te ondervinden van de lopende strafzaak.
De rechtbank overweegt in beide zaken dat in beginsel een forse, deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden zou zijn. De afdoeningsvoorstellen nopen echter tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. De rechtbank acht een matiging gerechtvaardigd omdat de verdachten hebben meegewerkt aan een procedure die tot efficientere rechtspleging heeft geleid. De behandeling ter zitting is voortvarend verlopen, er zijn geen onderzoekswensen ingediend en een hoger beroep wordt voorkomen. De rechtbank oordeelt dat de overeengekomen straffen in redelijke verhouding staan tot de ernst en omvang van de feiten en de rol van de verdachten, en dat de hoogte van de straffen in soortgelijke zaken geen uitzondering is.
Ten aanzien van de vader legt de rechtbank op: een taakstraf van 240 uren (te vervangen door 120 dagen hechtenis), met aftrek van voorarrest, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van 35.000 euro (te vervangen door 210 dagen hechtenis).
Ten aanzien van de zoon legt de rechtbank op: een taakstraf van 200 uren (te vervangen door 100 dagen hechtenis), met aftrek van voorarrest, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van 35.000 euro (te vervangen door 210 dagen hechtenis).
Het verschil in strafoplegging tussen vader en zoon betreft de duur van de taakstraf (240 respectievelijk 200 uren) en de duur van de voorwaardelijke gevangenisstraf (zes respectievelijk vier maanden). De geldboete is in beide zaken gelijk. In geen van beide zaken maakt het Openbaar Ministerie een ontnemingsvordering aanhangig.
Lees hier de volledige uitspraken:
