Procesafspraken in hoger beroep: Gemeenschappelijk Hof bevestigt veroordeling voor belastingfraude en witwassen en verlaagt straf wegens overschrijding van de redelijke termijn

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 maart 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:119

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeelt op 6 maart 2026 een verdachte wegens belastingfraude en witwassen en neemt daarbij de in hoger beroep gemaakte procesafspraken over. De verdachte geeft samen met een ander feitelijk leiding aan het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting en aan het niet of niet tijdig doen van andere belastingaangiften, waardoor Sint Maarten ruim ANG 700.000 aan belastinginkomsten misloopt. Daarnaast wordt het witwassen van twee voertuigen met een gezamenlijke waarde van USD 119.000 bewezen verklaard. Het Hof toetst de procesafspraken aan de ernst van de zaak en aan de in artikel 392 en 394 Sv genoemde vraagpunten en acht het afdoeningsvoorstel proportioneel. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep verlaagt het Hof de gevangenisstraf met één maand tot 21 maanden onvoorwaardelijk. Het Hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf af.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1966 en woonachtig in Sint Maarten. De zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 10 februari 2022, waarbij de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, en waarbij het Gerecht tevens beslissingen heeft gegeven over in beslag genomen voorwerpen en over een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld. Op 9 februari 2026 ontvangt het Hof schriftelijke procesafspraken, ondertekend door de procureur-generaal, de verdachte en de raadsvrouw mede namens de raadsman. De zaak kent een relevante voorgeschiedenis: de verdachte is bij vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 12 januari 2017 al eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten, waarbij onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met een proeftijd van drie jaren is opgelegd. De Hoge Raad heeft het tegen dat vonnis ingestelde cassatieberoep op 7 januari 2020 verworpen, waarna de proeftijd is ingegaan.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder de feiten 1, 2 en 3 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en witwassen. De belastingfraude bestaat erin dat de verdachte samen met een ander feitelijk leiding geeft aan het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting door twee mede door hem gerunde bedrijven, aan het niet binnen de gestelde termijn indienen van aangiften winstbelasting door een van die bedrijven en aan het niet doen van aangifte voor zijn eigen inkomstenbelasting. Het witwassen ziet op twee auto's met een gezamenlijke waarde van USD 119.000. Het Hof toetst de procesafspraken mede aan de in artikel 392 en 394 Sv genoemde vraagpunten en stelt de schending van de redelijke termijn vast aan de hand van artikel 6, eerste lid, EVRM. De specifieke materiële strafbepalingen waarop de bewezenverklaring berust, worden in het aan het Hof onderworpen gedeelte van het vonnis niet afzonderlijk vermeld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De procureur-generaal vordert overeenkomstig de procesafspraken. Daarin is vastgelegd dat het Openbaar Ministerie geen belang meer heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep, dan wel vrijspraak vordert van de onderdelen waarvan de verdachte in eerste aanleg eveneens is vrijgesproken. Het Openbaar Ministerie vordert voorts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 21 maanden en afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf met parketnummer 100.00122/12.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stemt in met de procesafspraken en doet daarmee uitdrukkelijk afstand van een aantal verdedigingsrechten. In dat kader is overeengekomen dat de verdachte aanwezig zal zijn ter terechtzitting, geen onderzoekswensen indient, geen bewijsverweren voert en geen bevoegdheids-, rechtmatigheids- of ontvankelijkheidsverweren voert. De verdachte hoeft geen nadere verklaring af te leggen en zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken. De verdediging voert in hoger beroep dan ook geen inhoudelijke verweren. Het Openbaar Ministerie en de verdachte komen voorts overeen af te zien van cassatie indien de strafoplegging conform de afspraken plaatsvindt.

Oordeel gerecht

Het Hof stelt vast dat de procesafspraken op basis van vrijwillige wederkerigheid tot stand zijn gekomen en dat de verdachte ter terechtzitting in aanwezigheid van zijn raadslieden ondubbelzinnig heeft aangegeven zich in de afspraken en in de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten te kunnen vinden. Voor het overnemen van de afspraken beoordeelt het Hof niet alleen of zij bijdragen aan een efficiëntere en effectievere afdoening, maar ook of het afdoeningsvoorstel in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, mede gelet op de in artikel 392 en 394 Sv genoemde vraagpunten. Het Hof betrekt daarbij het lange tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn, die in eerste aanleg met meer dan twee jaar en in hoger beroep met nog enkele maanden is overschreden. Het oordeelt dat het voorstel in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en neemt de procesafspraken over. Nu het Openbaar Ministerie blijkens de afspraken en de vordering van de procureur-generaal geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij voortzetting van het door hem ingestelde hoger beroep, verklaart het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en bevestigt dit, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, die in zoverre worden vernietigd.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • het samen met een ander feitelijk leiding geven aan het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting door twee mede door hem gerunde bedrijven;

  • het feitelijk leiding geven aan het niet binnen de gestelde termijn indienen van aangiften winstbelasting door een van die bedrijven;

  • het niet doen van aangifte voor zijn eigen inkomstenbelasting;

  • het witwassen van twee auto's met een gezamenlijke waarde van USD 119.000.

De verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van onroerende goederen, op grond waarvan de in eerste aanleg gevorderde verbeurdverklaring van die goederen is afgewezen en de teruggave aan de rechthebbenden is gelast.

Strafoplegging en maatregelen

Het Hof neemt de strafmotivering van het Gerecht over en vult deze aan. Het Gerecht sluit voor de strafmaat aan bij de in Nederland geldende LOVS-oriëntatiepunten voor fraudezaken, waarbij voor een fraudebedrag van ANG 700.000 een gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden geldt, met het bewezenverklaarde bedrag aan de bovenkant van die marge. Als strafverzwarende omstandigheid weegt het Gerecht mee dat de verdachte blijkens zijn strafblad al eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, tot een gevangenisstraf van 21 maanden en 2 weken waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en dat hij ook na die veroordeling is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. Zonder de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden zijn opgelegd; vanwege die overschrijding is het in eerste aanleg gebleven bij 22 maanden. Het Hof oordeelt dat in beginsel een straf zoals door het Gerecht opgelegd passend en geboden is. Het stelt echter vast dat ook in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, nu de behandeling in tweede aanleg niet binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep op 23 februari 2022 met een eindvonnis is afgerond, terwijl de overschrijding van enkele maanden niet aan de verdachte is toe te rekenen. Mede gelet op de procesafspraken en de vordering van de procureur-generaal leidt dit tot één maand strafvermindering. Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, conform het afdoeningsvoorstel. De vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 12 januari 2017 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wijst het Hof af. Hoewel de onder de feiten 2 en 3 bewezen verklaarde feiten deels zijn gepleegd na het onherroepelijk worden van dat vonnis en dus binnen de proeftijd, acht het Hof de tenuitvoerlegging niet opportuun, mede gelet op de procesafspraken, de hoge ouderdom van de aan die veroordeling ten grondslag liggende feiten, het feit dat de eerder opgelegde geldboete grotendeels is voldaan en de gewijzigde, coöperatieve proceshouding van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^