Fraude met taxi-bv’s leidt tot zware straffen voor twee feitelijke bestuurders
/Rechtbank Amsterdam 18 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10661 en ECLI:NL:RBAMS:2025:10663
Twee feitelijke bestuurders van taxibedrijven zijn door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor grootschalige fraude. Zij trokken tussen 2016 en 2019 via katvanger-bv’s geld en voertuigen weg uit de vennootschappen zonder zakelijke tegenprestatie. De vennootschappen raakten hierdoor leeg en gingen failliet. In één zaak is daarnaast sprake van faillissementsfraude en het structureel onjuist opgeven van loonheffingen. De rechtbank acht beide verdachten strafbaar en legt gevangenisstraffen op van respectievelijk 18 en 24 maanden. De benadeling van de fiscus bedraagt ruim 1,3 miljoen euro.
Context van de zaak
De rechtbank Amsterdam doet op 18 december 2025 uitspraak in twee samenhangende strafzaken tegen twee verdachten die zich over een periode van meerdere jaren schuldig maken aan financieel wanbeheer binnen verschillende vennootschappen in de taxibranche. Het gaat om taxibedrijf 1 B.V., taxibedrijf 2 B.V. en taxibedrijf 3 B.V., vennootschappen die actief zijn in het verzorgen van taxidiensten via het Uber-platform.
De verdachten, beiden natuurlijke personen, fungeren in de praktijk als feitelijke bestuurders van genoemde rechtspersonen. Zij laten via een constructie met katvangers formele bestuurders inschrijven bij de Kamer van Koophandel, maar geven zelf feitelijk leiding aan de onderneming. De FIOD komt hen op het spoor naar aanleiding van een melding over belasting- en premiefraude binnen de Amsterdamse taxibranche. Het daaropvolgende strafrechtelijke onderzoek ‘Teak’ brengt grootschalige financiële onregelmatigheden aan het licht.
In beide zaken staat het systematisch leegtrekken van vennootschappen centraal. De rechtspersonen worden gebruikt als vehikel om grote sommen geld en tientallen voertuigen, zonder enige zakelijke tegenprestatie, over te dragen aan de verdachten, hun medeverdachten en familieleden. In de tweede zaak is daarnaast sprake van faillissementsfraude en belastingfraude.
De tenlastelegging
In de eerste zaak (ECLI:NL:RBAMS:2025:10661) wordt verdachte verweten dat hij als feitelijk bestuurder van taxibedrijf 1 B.V. en taxibedrijf 2 B.V. buitensporig middelen van deze rechtspersonen heeft vervreemd met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen. Hierdoor is ernstig nadeel ontstaan en het voortbestaan van de rechtspersonen in gevaar gebracht.
In de tweede zaak (ECLI:NL:RBAMS:2025:10663) is sprake van een bredere tenlastelegging. Naast het medeplegen van financieel wanbeheer binnen taxibedrijf 1 B.V. en taxibedrijf 2 B.V. wordt deze verdachte ook verweten dat hij als bestuurder van taxibedrijf 3 B.V. niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen in het kader van de administratie- en afgifteplicht bij faillissement. Voorts heeft hij opdracht gegeven tot het onjuist en onvolledig doen van aangiften loonheffing ten aanzien van tientallen chauffeurs die in werkelijkheid via Uber voor taxibedrijf 3 hebben gereden.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. In beide zaken wordt gewezen op het structurele karakter van de gedragingen, de misleiding van formele bestuurders, de financiële verplaatsingen zonder zakelijke rechtvaardiging en het benadelingsbedrag dat in de miljoenen loopt. In de eerste zaak wordt 18 maanden gevangenisstraf geëist; in de tweede zaak, mede vanwege de aanvullende feiten, 24 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging betoogt in beide zaken dat verdachte geen feitelijk bestuurder is geweest. De geldstromen zouden deels verklaarbaar zijn als salarissen of terugbetalingen. In de tweede zaak wordt bovendien betoogd dat verdachte niet heeft beoogd de administratie niet te voeren of te overleggen. Hij zou stukken hebben aangeleverd en mocht erop vertrouwen dat de boekhouder deze zou verwerken. Ten aanzien van de belastingaangiften wordt erkend dat onjuiste opgaven zijn gedaan, maar dat het benadelingsbedrag volgens de verdediging niet vaststaat of veel lager ligt dan door de Belastingdienst aangenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt in beide zaken dat verdachte feitelijk bestuurder is van de betrokken vennootschappen. De verklaringen van de formeel ingeschreven bestuurders zijn consistent en bevestigen dat verdachte en zijn medeverdachte in werkelijkheid aan de touwtjes trekken. Zij regelen contracten, doen betalingen, voeren de administratie en dragen de feitelijke verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering.
In beide zaken blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte zich gedurende jaren schuldig maken aan het onttrekken van aanzienlijke geldbedragen en voertuigen aan de vennootschappen. In totaal gaat het om tientallen voertuigen en overboekingen van in totaal ruim 1 miljoen euro. Geen van deze transacties is zakelijk onderbouwd. Ook de verweren dat sprake zou zijn van salarisbetalingen worden door de rechtbank verworpen, mede gezien de hoogte van de bedragen en het ontbreken van loondienstverbanden.
In de tweede zaak komt daar bovenop dat verdachte als bestuurder van taxibedrijf 3 B.V. geen administratie voert of bewaart, ondanks herhaalde verzoeken van de curator in het faillissement. Hij komt zijn verplichtingen zowel voor als na het faillissement stelselmatig niet na. Ook blijkt uit zijn eigen verklaring dat hij doelbewust onjuiste belastingaangiften heeft laten indienen, met het gevolg dat de Belastingdienst structureel te weinig loonheffing heeft geïnd. Gemiddeld rijden er 33 tot 34 chauffeurs per maand voor zijn bedrijf, terwijl in de aangiften slechts minimale bedragen aan loon worden opgegeven.
De bewezenverklaring
In beide zaken acht de rechtbank bewezen dat verdachte als feitelijk bestuurder grootschalige vermogensbestanddelen heeft onttrokken aan rechtspersonen en dat deze daardoor ernstig zijn benadeeld.
In de tweede zaak komt daar bewezenverklaring bij voor:
faillissementsfraude: het niet voeren en niet overleggen van de administratie ten opzichte van de curator;
belastingfraude: het opzettelijk laten doen van onjuiste en onvolledige aangiften loonheffing over de periode januari tot en met oktober 2019.
De strafoplegging
In de eerste zaak wordt een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd. De rechtbank houdt rekening met de ernst en duur van het feitelijk bestuur en de benadeling, maar ook met het feit dat sprake is van een first offender en de overschrijding van de redelijke termijn.
In de tweede zaak valt de straf zwaarder uit: verdachte krijgt 24 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht de combinatie van financieel wanbeheer, faillissementsfraude en belastingfraude dermate ernstig dat alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De benadeling bedraagt hier ruim 1,3 miljoen euro.
Lees hier de volledige uitspraken:
