Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II: een overzicht van de wijzigingen per 2026
/Per 1 januari 2026 is de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II in werking getreden. De wet wijzigt het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en een reeks bijzondere wetten, waaronder de Opiumwet, de Wet wapens en munitie, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet op de economische delicten. Het doel van de wet is het verder uitbreiden en verfijnen van het strafrechtelijk instrumentarium ter bestrijding van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. De wijzigingen raken het materiële strafrecht, het sanctierecht, het strafprocesrecht en het financieel-economisch toezicht.
Strafbaarstelling van verborgen ruimten in vervoermiddelen
Met de invoering van artikel 189a Sr is een nieuwe zelfstandige strafbaarstelling opgenomen voor het opzettelijk toerusten of inrichten van een vervoermiddel met een ruimte die kennelijk is bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken. Daarnaast is strafbaar gesteld het voorhanden hebben van een vervoermiddel, wetende dat het met een dergelijke ruimte is uitgerust. De strafbaarstelling ziet op vervoermiddelen in brede zin en is niet beperkt tot auto’s.
Kenmerkend is dat niet vereist is dat in de verborgen ruimte daadwerkelijk verboden voorwerpen worden aangetroffen. De strafbaarheid is gekoppeld aan de objectieve bestemming van de ruimte, af te leiden uit uiterlijke kenmerken en de omstandigheden van het geval. Het derde lid van artikel 189a Sr bevat een strafverzwaringsgrond voor beroeps- of gewoonte-matige toepassing, waarmee nadrukkelijk wordt beoogd facilitators en professionele bouwers strafrechtelijk aan te pakken.
Het eerste en derde lid van artikel 189a Sr zijn toegevoegd aan artikel 67, eerste lid, Sv, waardoor voorlopige hechtenis en de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden mogelijk zijn. Het tweede lid is hiervan bewust uitgezonderd, zodat eindgebruikers zonder professionele betrokkenheid niet onder het zware dwangmiddelenregime vallen.
Tijdelijk aanhouden van financiële transacties door de FIU
Met artikel 17a Wwft krijgt de Financial Intelligence Unit de bevoegdheid om banken te verzoeken de uitvoering van een financiële transactie tijdelijk aan te houden indien aanwijzingen bestaan dat deze verband kan houden met witwassen of terrorismefinanciering. De maximale duur bedraagt vijf werkdagen, met een beperkte verlengingsmogelijkheid. Banken zijn verplicht een dergelijk verzoek onverwijld uit te voeren en moeten hun interne procedures daarop hebben ingericht.
De wetgever heeft deze bevoegdheid omgeven met een expliciete civielrechtelijke en arbeidsrechtelijke vrijwaring. Artikel 20c Wwft bepaalt dat banken en hun medewerkers niet civielrechtelijk aansprakelijk zijn voor schade die voortvloeit uit het opvolgen van een FIU-verzoek. Daarmee wordt het risico van claims door cliënten nadrukkelijk weggenomen.
Niet-naleving van artikel 17a, vierde lid, Wwft is bovendien aangewezen als economisch delict via artikel 1, onder 2°, WED. Bij opzettelijke niet-naleving is een gevangenisstraf van maximaal twee jaar mogelijk; ook niet-opzettelijke overtreding is strafbaar. Deze bepalingen treden per 1 juli 2026 in werking.
Uitbreiding van conservatoir beslag voor kostenverhaal
De wet introduceert in verschillende bijzondere wetten een zelfstandige grondslag voor conservatoir beslag ter verzekering van een later op te leggen maatregel tot kostenverhaal. Dit is vastgelegd in artikel 9a Opiumwet, artikel 53 Wet wapens en munitie en artikel 18a WED.
Deze bepalingen maken het mogelijk om reeds bij verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen in beslag te nemen om verhaal van kosten veilig te stellen, bijvoorbeeld bij opruiming of ontmanteling. De regeling sluit aan bij artikel 94a Sv, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard.
Verruiming van hoofdelijke ontneming bij economische eenheid
Artikel 36e Sr is gewijzigd zodat ook bij toepassing van het derde lid hoofdelijke oplegging van de ontnemingsmaatregel mogelijk is. Voorwaarde is dat de rechter vaststelt dat de veroordeelden een economische eenheid vormden die het wederrechtelijk verkregen voordeel gezamenlijk heeft genoten. Deze aanvullende eis is neergelegd in artikel 36e, zevende lid, Sr.
De wijziging is met name relevant voor witwaszaken zonder vastgesteld brondelict, waarin het voordeel geconcentreerd is bij één betrokkene. De wetgever beoogt hiermee de uitvoerbaarheid en effectiviteit van ontneming te vergroten, zonder het reparatoire karakter van de maatregel los te laten.
Uitbreiding van ontzetting van rechten en beroepsuitoefening
De wet breidt het aantal delicten uit waarbij ontzetting van rechten en van de uitoefening van een beroep mogelijk is. Dit betreft onder meer deelname aan een criminele organisatie (artikel 152 Sr), milieudelicten zoals het dumpen van drugsafval (artikel 176c Sr), ambtsdwang (artikel 179 Sr), mensensmokkel (artikel 197a Sr) en bedreiging (artikel 286 Sr).
Daarnaast is in artikel 13a Opiumwet en artikel 55a Wet wapens en munitie geregeld dat bij ernstige drugs- en wapendelicten ontzetting uit het beroep waarin het misdrijf is gepleegd kan worden opgelegd. De maatregel is gericht op het voorkomen van herhaald misbruik van legale functies en structuren.
Verhoging van boetecategorieën en strafmaxima
Voor diverse delicten met een ondermijnend karakter zijn boetecategorieën verhoogd. Zo is bij gekwalificeerde diefstal (artikel 311 Sr) en bij softdrugsdelicten (artikel 11, tweede lid, Opiumwet) de geldboete verhoogd van de vierde naar de vijfde categorie. Deze verhogingen sluiten aan bij de omvang van criminele opbrengsten en bij vergelijkbare vermogensdelicten, zoals witwassen (artikel 420bis Sr).
Wijzigingen in relatieve competentie en taakomschrijving OM
De wet herijkt de regels inzake relatieve competentie. De voorrangsregeling bij deelnemingszaken in artikel 6, tweede lid, Sv vervalt, waardoor meer ruimte ontstaat voor forumkeuze en concentratie van samenhangende zaken. Met artikel 282b Sv wordt de rechter bevoegd om na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting een zaak te verwijzen naar een andere rechtbank in het belang van een goede rechtsbedeling. Artikel 419a Sv introduceert een vergelijkbare bevoegdheid in hoger beroep.
Daarnaast is de wettelijke taakomschrijving van het functioneel parket gewijzigd in artikel 9, derde lid, Sv. De beperking tot BOD-feiten vervalt, waardoor het functioneel parket flexibeler kan worden ingezet bij complexe en ondermijningsgevoelige zaken.
Aanpassing van wrakingsregelingen
De wrakingsregelingen in het strafrecht, bestuursrecht en civiele recht zijn geharmoniseerd en aangescherpt. Kennelijk niet-ontvankelijke of kennelijk ongegronde wrakingsverzoeken kunnen zonder zitting worden afgedaan. Tevens is vastgelegd dat de gewraakte rechter beslissingen kan nemen die geen uitstel dulden. Deze wijzigingen zijn bedoeld om oneigenlijke vertraging van omvangrijke strafzaken tegen te gaan.
Technische correcties en evaluatiebepaling
Tot slot bevat de wet diverse technisch-juridische correcties, waaronder de verduidelijking dat artikel 138aa, tweede lid, Sr een strafverhogingsgrond betreft en het herstel van een omissie in artikel 4a Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Daarnaast verplicht artikel XC tot evaluatie van de wet binnen vijf jaar na inwerkingtreding.
Inwerkingtreding
De Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II kent een gefaseerde inwerkingtreding. Op grond van het inwerkingtredingsbesluit is het merendeel van de wet in werking getreden per 1 januari 2026. Dit betreft onder meer de nieuwe strafbaarstelling van verborgen ruimten in vervoermiddelen (artikel 189a Sr), de verruiming van de ontnemingsregeling (artikel 36e Sr), de uitbreiding van ontzetting van rechten en beroepsuitoefening, de verhoging van diverse boetecategorieën, alsmede de wijzigingen in de relatieve competentie van rechtbanken en de wrakingsregelingen in het strafrecht, bestuursrecht en civiele recht. Een beperkt aantal bepalingen treedt pas per 1 juli 2026 in werking. Dit betreft in het bijzonder de nieuwe bevoegdheid van de Financial Intelligence Unit om banken te verzoeken financiële transacties tijdelijk aan te houden (artikel 17a Wwft), de daarmee samenhangende civielrechtelijke vrijwaring en strafrechtelijke handhaving (artikelen 20c Wwft en Wet op de economische delicten), alsmede de verhoging van de maximale gevangenisstraf voor bepaalde wapendelicten in de Wet wapens en munitie (artikel 55, derde lid, Wwm). De latere inwerkingtreding van deze onderdelen is ingegeven door de noodzaak van organisatorische en uitvoeringsvoorbereidingen bij betrokken toezichthouders, financiële instellingen en opsporingsdiensten.
Slotopmerking
De Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II vormt geen beperkte aanscherping, maar een brede herijking van het strafrechtelijk en strafprocesrechtelijk kader voor ondermijningsbestrijding. De wet versterkt de positie van opsporings- en vervolgingsinstanties, verruimt het sanctie-instrumentarium en beoogt structurele knelpunten in de afdoening van complexe zaken weg te nemen.
