Digestaat als meststof vermomd: bestuurder veroordeeld voor verboden verhandeling en valse VDM’s
/Rechtbank Amsterdam 6 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:8386
Verdachte, (middellijk) bestuurder van mestgerelateerde rechtspersonen, laat digestaat uit een vergister met dierlijke bijproducten in Nederland opslaan en afzetten als meststof richting Duitsland. De rechtbank spreekt vrij van overtreding van artikel 14 Meststoffenwet en van deelname aan een criminele organisatie wegens onvoldoende bewijs en onduidelijkheid over Duitse beperkingen. Bewezen is dat verdachte feitelijk leiding geeft aan medeplegen van het verhandelen van digestaat als meststof terwijl het niet voldoet aan de eisen van artikel 4 en 5 Meststoffenwet. Tevens is bewezen dat hij feitelijk leiding geeft aan medeplegen van valsheid in geschrift door gebruik van valse handelsdocumenten met een onjuiste bestemming en valse VDM’s die 100% dierlijke mest suggereren; voor de facturen volgt vrijspraak. De rechtbank acht het handelen ernstig omdat het controle- en beschermingssysteem voor meststoffen en dierlijke bijproducten wordt ondermijnd. Straf: 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met 2 jaar proeftijd, taakstraf 240 uur, geldboete 3000 en ontzetting van het recht om (middellijk) bestuurder van rechtspersonen te zijn voor 2 jaar.
Context van de zaak
Deze strafzaak speelt zich af in de sfeer van de meststoffenhandel en de verwerking van dierlijke bijproducten. Verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1974, en fungeert als (middellijk) bestuurder binnen een cluster van ondernemingen die zich bezighouden met transport, handel en opslag van meststoffen en aanverwante producten. Verdachte is via beheer- en holdingstructuren middellijk bestuurder van een Nederlands transport- en mestgerelateerd bedrijf en is daarnaast bestuurder van een Duitse onderneming die als afnemer en schakel fungeert bij exportstromen.
De aanleiding voor het opsporingsonderzoek is een MMA-melding uit januari 2015. In die melding staat dat een industriële vergister digestaat zou afleveren bij veehouders en agrariërs, mogelijk zonder de vereiste formulieren, en dat landbouwers geld zouden ontvangen om digestaat in bassins of mestkelders te laten lossen. Het onderzoek, aangeduid als 03Canard, richt zich vervolgens op de vraag of het restproduct van een industriële vergister, digestaat, als meststof kan worden aangewend en of daarmee in strijd met nationale en Europese regels wordt gehandeld.
In de kern gaat het om digestaat dat ontstaat bij vergisting van dierlijke bijproducten, waaronder visresten. Dat digestaat wordt niet geproduceerd uit dierlijke mest, maar uit categorie 2- en categorie 3-materiaal in de zin van de Europese verordening dierlijke bijproducten. Het digestaat wordt vervolgens getransporteerd, opgeslagen en al dan niet na vermenging afgezet, onder meer met een exportbestemming Duitsland. Binnen die keten spelen mestopslagen in Reuver en Posterholt een centrale rol. De verdenking is dat digestaat in Nederland in opslag belandt, daar wordt vermengd en vervolgens administratief wordt gepresenteerd als dierlijke mest, zodat het met vervoersbewijzen dierlijke meststoffen kan worden afgevoerd en in Duitsland als dierlijke mest kan worden geleverd. De rechtbank weegt daarbij mee dat het controlesysteem voor meststoffen en dierlijke bijproducten beoogt de volksgezondheid en diergezondheid te beschermen en dat het dossier ziet op structurele handelingen over meerdere jaren.
Tenlastelegging
Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet als feitelijk leidinggevende van rechtspersonen, betrokken is bij vier feiten.
Feit 1 betreft het medeplegen van het opzettelijk niet kunnen verantwoorden dat op het eigen bedrijf geproduceerde en of aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd, gekoppeld aan artikel 14 Meststoffenwet.
Feit 2 betreft het medeplegen van het verhandelen van digestaat als meststof, althans een product dat kennelijk bestemd is om als meststof te worden gebruikt, terwijl dat product niet voldoet aan de krachtens artikel 4 Meststoffenwet gestelde eisen, waarbij het verwijt is dat dit product voorhanden of in voorraad is gehouden, vervoerd en of afgeleverd. Verdachte wordt daarbij verweten feitelijk leiding te geven.
Feit 3 betreft het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste documenten, waaronder handelsdocumenten en vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, door deze bij transporten aanwezig te hebben of voor gebruik voorhanden te hebben. De rechtbank verklaart de dagvaarding partieel nietig voor zover de tenlastelegging spreekt over “een grote hoeveelheid” en “waaronder”, omdat onvoldoende is geconcretiseerd welke extra documenten precies worden bedoeld.
Feit 4 betreft deelneming aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven rond illegale handelingen met digestaat.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie verzoekt vrijspraak voor feit 4. Hoewel aanvankelijk een beeld ontstaat van een georganiseerd samenwerkingsverband, blijkt volgens de officier van justitie uiteindelijk onvoldoende dat sprake is van een organisatie met een gemeenschappelijk oogmerk, specifiek gericht op het omkatten van digestaat naar dierlijke mest.
Voor feiten 1, 2 en 3 meent het Openbaar Ministerie dat wettig en overtuigend bewijs aanwezig is en dat verdachte daaraan feitelijk leiding geeft. De officier van justitie stelt bij feit 1 dat de mestboekhouding niet sluit en dat afvoer niet kan worden verantwoord. Bij feit 2 stelt zij dat digestaat als meststof wordt verhandeld, onder meer door opslag in Reuver en Posterholt met het oog op levering. Bij feit 3 stelt zij dat handelsdocumenten onjuist de bestemming in Duitsland vermelden terwijl feitelijk in Nederland wordt gelost, dat facturen een onjuiste productomschrijving bevatten en dat VDM’s een 100 procent dierlijke mestlading suggereren met mestcodes die de werkelijkheid niet representeren.
In de strafeis vordert het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden voor de bewezen geachte feiten 1 en 3, een geldboete van 5000 voor feit 2 en daarnaast een beroepsverbod voor verdachte in middellijk bestuurdersrollen of beleidsbepalende functies binnen de meststoffenketen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van alle feiten.
Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging aan dat het betrokken transport- en opslagbedrijf niet als normadressaat van artikel 14 Meststoffenwet kan gelden, omdat de opslagen veelal op naam van andere bedrijven staan en het bedrijf slechts vervoershandelingen verricht. Subsidiair stelt de verdediging dat wel degelijk aan de verantwoordingsplicht is voldaan, omdat afvoer zichtbaar is gemaakt met VDM’s en handelsdocumenten en er getalsmatig niet meer is afgevoerd dan aangevoerd.
Ten aanzien van feit 2 betoogt de verdediging dat het product uit de vergister geen digestaat in de zin van de door de RVO gehanteerde mestkundige categorieën is, omdat geen dierlijke mest wordt meevergist en het materiaal evenmin uitsluitend plantaardig is. Het product kwalificeert volgens de verdediging als afgeleid product onder de Europese verordening dierlijke bijproducten, en niet als meststof onder de Meststoffenwet. Verder stelt de verdediging dat het product niet bestemd is voor gebruik als meststof in Nederland maar voor export naar Duitsland, zodat de Nederlandse meststoffenbeperkingen volgens haar niet gelden.
Ten aanzien van feit 3 stelt de verdediging dat geen sprake is van opzet of misleiding. Voor handelsdocumenten voert zij aan dat niet wordt verhuld dat in Nederland wordt gelost, omdat op de tweede pagina soms Posterholt of Reuver wordt genoteerd en omdat in administraties setjes documenten worden aangetroffen. Voor facturen stelt zij dat “plantaardig digestaat” een vergissing is, terwijl bijlagen juist verwijzen naar EU 1069/2009 en “ohne Gülle”, zodat de strekking niet misleidend is. Voor VDM’s betoogt de verdediging dat twee stromen naast elkaar worden geadministreerd en dat de gekozen codes slechts een poging zijn om de realiteit te benaderen bij gebrek aan een passende code voor gemengd digestaat, zonder misleidend oogmerk.
Voor de strafmaat wijst de verdediging subsidiair op overschrijding van de redelijke termijn, aangevangen bij een doorzoeking in maart 2017, en op persoonlijke omstandigheden zoals burn-out en het feit dat verdachte inmiddels niet meer werkzaam is in het bedrijf. De verdediging acht een beroepsverbod niet passend.
Oordeel van het gerecht
De rechtbank komt tot een gemengd oordeel.
Feit 1 leidt tot vrijspraak. De rechtbank oordeelt dat artikel 14 Meststoffenwet ziet op het kunnen verantwoorden van afvoer van dierlijke meststoffen via een fosfaatboekhouding. Het dossier bevat onvoldoende objectieve gegevens om vast te stellen wat precies aan dierlijke meststoffen is aangevoerd en of de afvoer daarvan niet kan worden verantwoord. Omdat niet bewezen is dat de rechtspersoon het feit begaat, kan ook feitelijk leiding geven door verdachte niet worden aangenomen.
Feit 4 leidt eveneens tot vrijspraak. De rechtbank benadrukt dat bij export van digestaat als organische meststof onder de Europese verordening dierlijke bijproducten lidstaten beperkingen mogen stellen, maar dat het dossier onvoldoende duidelijk maakt welke beperkingen Duitsland hanteert voor het betrokken digestaat. Deze onduidelijkheid komt in het strafproces niet voor risico van verdachte. Daarnaast blijkt niet van afspraken of wetenschap bij andere betrokkenen dat opslag in Nederland plaatsvindt met het oog op omkatting en illegale afzet. Daarmee staat het bestaan van een criminele organisatie niet vast.
Voor feit 2 verwerpt de rechtbank het verweer dat de Meststoffenwet niet van toepassing is. Zij werkt de verhouding uit tussen de Europese verordening dierlijke bijproducten en het Nederlandse stelsel van Meststoffenwet, Uitvoeringsbesluit en Uitvoeringsregeling. De rechtbank stelt vast dat het digestaat uit de vergister, omdat het niet voor ten minste 50 gewichtsprocent uit dierlijke meststoffen bestaat, niet voldoet aan de nationale eisen die gelden voor eindproducten van bewerkingsprocedés die als meststof mogen worden verhandeld. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het product wel degelijk bestemd is om als meststof te worden gebruikt, omdat het doel van opslag en ketenhandelingen is om het uiteindelijk als meststof aan Duitse agrariërs te leveren. Het feit dat export is beoogd, neemt niet weg dat in Nederland sprake is van afleveren en opslag met het oog op levering en daarmee van verhandelen in de zin van de Meststoffenwet. De rechtbank acht medeplegen bewezen tussen de betrokken rechtspersonen en acht verdachte feitelijk leidinggevende omdat hij als bestuurder de afspraken maakt, de gang van zaken kent en niet ingrijpt terwijl hij daartoe bevoegd en gehouden is.
Voor feit 3 oordeelt de rechtbank dat handelsdocumenten vals zijn doordat daarop als bestemming de Duitse onderneming staat vermeld terwijl feitelijk in Posterholt of Reuver in Nederland wordt gelost. De rechtbank acht dit misleidend, mede omdat het controle op de weg kan frustreren en omdat de samenstelling van het product later kan veranderen door vermenging. Voor de facturen spreekt de rechtbank vrij, omdat bijlagen bij de facturen juist wijzen op EU 1069/2009 en “ohne Gülle” en de onjuiste omschrijving alleen onvoldoende is om valsheid aan te nemen. Voor de VDM’s acht de rechtbank valsheid wel bewezen. In de opslagen vindt vermenging plaats, ook doordat de mestzak in Posterholt slechts één laad en lospunt heeft. De geselecteerde mestcodes suggereren telkens 100 procent dierlijke mest en zijn geenszins representatief. Het argument dat geen perfecte code bestaat rechtvaardigt niet het lukraak selecteren van codes. De rechtbank leidt mede uit de context af dat een misleidend oogmerk bestaat, onder meer omdat afnemers in Duitsland enkel 100 procent dierlijke mest wensen te ontvangen. Verdachte geeft feitelijk leiding aan dit medeplegen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte feitelijk leiding geeft aan medeplegen van het verhandelen van digestaat als meststof terwijl het niet voldoet aan de eisen van de Meststoffenwet, in de periode van 1 juni 2016 tot en met 1 oktober 2016, met opslag en vervoer via de mestopslagen in Posterholt en Reuver.
De rechtbank verklaart daarnaast bewezen dat verdachte feitelijk leiding geeft aan medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, door opzettelijk gebruik te maken van valse handelsdocumenten waarin de bestemming in Duitsland wordt opgegeven terwijl feitelijk in Nederland wordt gelost, en door opzettelijk gebruik te maken van valse VDM’s waarin de lading als 100 procent dierlijke mest met specifieke mestcodes wordt aangeduid terwijl sprake is van een gemengd product. Voor het onderdeel dat ziet op facturen volgt vrijspraak.
Strafoplegging
De rechtbank acht de feiten ernstig omdat het handelen het controle- en beschermingssysteem rond meststoffen en dierlijke bijproducten ondermijnt. Zij weegt mee dat verdachte een centrale, coördinerende rol vervult, dat sprake is van een langdurige vaste werkwijze en dat het om vele tonnen digestaat gaat. In beginsel acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar zij matigt vanwege tijdsverloop, overschrijding van de redelijke termijn, het blanco strafblad en het feit dat minder feiten bewezen zijn dan door het Openbaar Ministerie is gevorderd.
Voor feit 3 legt de rechtbank een gevangenisstraf van 3 maanden op, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Voor feit 2 legt de rechtbank een geldboete van 3000 op, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Als bijkomende straf ontzet de rechtbank verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van middellijk bestuurder van enige rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 Wetboek van Strafrecht voor de duur van 2 jaren.
Lees hier de volledige uitspraak.
