Ontneming: toepassing geven aan art. 36e Sr (nieuw) als feiten zijn gepleegd vóór wetswijziging?

Hoge Raad 4 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:841

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd toepassing heeft gegeven aan art. 36e Sr zoals deze bepaling luidt sinds de wetswijziging van 1 juli 2011, terwijl de strafbare feiten waaruit het voordeel zou zijn verkregen dateren van voor deze wetswijziging.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Recent case law on Dutch confiscation law

Voor het door de EU gefinancierde onderzoeksproject 'Improving Confiscation' is door Wouter de Zanger (Universiteit Utrecht) (in het Engels) een korte nieuwsbrief geschreven over recente rechtspraak van de Hoge Raad over de aanpak van met misdaad verkregen geld. Daarin besteedt hij aandacht aan de combinatie van een witwasveroordeling en een afroomboete, voordeelsontneming als onderdeel van een 'deal' met een (kroon)getuige en de onderbouwing van beslag onder een derde.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Uitspraak ontnemingszaak na in hoger beroep getroffen schikking met OM

Gerechtshof Amsterdam 21 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:239

Het hof hecht eraan op te merken dat het in onderhavige zaak niet gaat om een schikking in de zin van artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering. De in dat artikel geregelde situatie ziet op de totstandkoming van een schriftelijke schikking tussen het openbaar ministerie en de veroordeelde zolang het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank nog niet is gesloten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Eigenaar moet illegale winst uit asfaltberg afstaan

Rechtbank Oost-Brabant 1 mei 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2492

Een 69-jarige man uit Nuenen moet 374.072 euro aan de Staat betalen. Dit bedrag heeft hij volgens de rechtbank Oost-Brabant op illegale wijze verdiend door met zijn bedrijven de vergunningvoorschriften voor opslag van asfalt te overtreden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt omstandigheden waaronder hoofdelijke betalingsverplichting kan worden opgelegd

Hoge Raad 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:381

Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Art. 36e, zevende lid, Sr voorziet daarbij in het opleggen van een individuele verplichting tot betaling van het totale geschatte bedrag aan voordeel dat door twee of meer verenigde personen uit een door hen gepleegd strafbaar feit wederrechtelijk is verkregen. Met de daarin voorziene regeling van een hoofdelijke betalingsverplichting is niet beoogd af te doen aan het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.

Read More
Print Friendly and PDF ^