Artikel: Het nemo tenetur-beginsel en het dilemma van de gedaagde verdachte

Hoewel het zijn van verdachte in zijn algemeenheid al nicht unkompliziert is, krijgen sommige verdachten te maken met aanvullende juridische procedures die hun positie er niet bepaald eenvoudiger op kunnen maken. De casus die ten grondslag lag aan het in deze bijdrage te bespreken arrest van de Hoge Raad illustreert dat. Het arrest draait om een verdachte die niet alleen strafrechtelijk vervolgd wordt, maar tegelijkertijd in een civiele procedure is betrokken door het (beweerdelijke) slachtoffer van het feit waar de strafrechtelijke vervolging op ziet. Deze ‘gedaagde verdachte’ krijgt een aanvullend dilemma voor de kiezen: voert hij verweer in de civiele procedure, dan kan alles wat hij aanvoert tegen hem worden gebruikt in zijn strafzaak, terwijl hij in die strafzaak nu juist gebruik kan maken van zijn recht om te zwijgen (art. 29 Wetboek van ­Strafvordering; Sv). Voert hij daarentegen geen (of onvoldoende) verweer in de civiele zaak, dan moeten de vorderingen van het slachtoffer in principe worden toegewezen (art. 149 Rv).

Read More
Print Friendly and PDF ^

Civielrechtelijke groepsaansprakelijkheid en strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bijdragen aan collectieven: een appel en een peer naast elkaar gelegd

Artikel 6:166 lid 1 BW biedt de civielrechtelijke grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid van groepsdeelnemers als in groepsverband onrechtmatige schade is toegebracht. In verschillende zaken, zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk, waarin sprake is van twee of meer veroordeelden wordt die hoofdelijke aansprakelijkheid betwist. Een voorbeeld biedt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 april 2025. De daders betwisten dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, omdat zij niet zijn veroordeeld voor openlijk geweld maar voor mishandeling en zij daarom ieder voor zich alleen aansprakelijk zijn voor het zelf toegebrachte letsel. Het hof verwerpt dit standpunt en komt tot het oordeel dat beide daders op grond van artikel 6:166 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die in groepsverband is toegebracht. Deze hoofdelijke civielrechtelijke aansprakelijkheid heeft vergaande consequenties voor een groepsdeelnemer, namelijk de individuele verplichting om (in beginsel) volledige schade­vergoeding te bieden aan de benadeelde. Deze vorm van ‘collectieve aansprakelijkheid’ (in het civiele recht ook wel groeps­aansprakelijkheid genoemd), inclusief een remedie die voor alle groepsdeelnemers hetzelfde is, komt in zijn zuiverste vorm niet voor in het strafrecht. Wel kent het strafrecht een ruime deelnemingsregeling en delictsbepalingen die zien op bij­dragen aan collectieven, zoals openlijke geweldpleging en deel­name aan een criminele organisatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Onbegrijpelijke aanvangsdatum wettelijke rente

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:688

De Hoge Raad oordeelt dat het hof Arnhem-Leeuwarden de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade van EUR 5.518,95 in een doodslag- en diefstalzaak onbegrijpelijk heeft vastgesteld op 31 maart 2020, terwijl de bewezenverklaarde diefstalperiode pas op 27 april 2020 aanvangt. De Hoge Raad bevestigt dat wettelijke rente op grond van artikel 6:83 onder b BW zonder ingebrekestelling verschuldigd is vanaf het moment waarop de schade door de onrechtmatige daad is ingetreden, met verwijzing naar HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 21 oktober 2020, de laatste dag van de pleegperiode. Het tweede cassatiemiddel wordt afgedaan met artikel 81 lid 1 RO. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de gevangenisstraf van twaalf jaren ambtshalve verminderd tot elf jaren en elf maanden, terwijl de terbeschikkingstelling met dwangverpleging in stand blijft.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Complexe claims in het strafproces

‘Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan.’ Met die woorden sprak Viviane de Muynck, Vlaamse actrice en regisseur, in februari 2000 op kritische toon haar spelers­groep toe van de Antwerpse postacademische opleiding Theaterwetenschap, waarvan ik destijds onderdeel uitmaakte. We waren al vergevorderd met het repetitieproces voor haar bewerking van Shakespeares Macbeth, maar geen van de spelers was nog tekstvast. Haar woorden zorgden voor schaamte, omdat we ons realiseerden dat we met ons onderpresteren niet alleen onszelf, maar vooral onze regisseur en ons publiek tekort zouden doen. We wisten dat het beter had gekund en gemoeten, maar we hadden het niet gedaan. Ik dacht terug aan deze woorden toen ik de titel las van het rapport Doen wat kan. Daarin doen de auteurs onder meer de aanbeveling om complexe schadeposten categorisch uit te sluiten van de behandeling in het strafproces, onder meer omdat deze de spankracht van het strafproces te boven zouden gaan. Met complexe schadeposten wordt in het bijzonder gedoeld op vergoeding van gederfd levensonderhoud (art. 6:108 lid 1 BW) en vergoeding van (toekomstige) arbeidsvermogens­schade. Deze aanbeveling staat niet op zichzelf, maar vormt een milestone in een rond 2021 ingezette ontwikkeling die meer terughoudendheid bepleit ten opzichte van de behandeling van complexe schadevergoedingsvorderingen in het straf­proces.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: The Status of the Victim in European Union Criminal Law

EU criminal law has been a fast-developing area of law over the last decade. Its developments have spurred controversy as well as enthusiasm. It has been observed that its primary focus has been on procedural mechanisms to facilitate cooperation, such as the principle of mutual recognition or the principle of availability (respectively, within judicial and police cooperation in criminal matters) rather than on guarantees for individual rights. In order to support and strengthen the interaction between judicial and police authorities across the EU, Art. 82 (2) of the Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU) confers upon the European Parliament and the Council the power to approximate Member States’ procedural rules by establishing minimum rules. The matter is rather delicate as criminal law is one of the core attributes of state sovereignty. It is not surprising that the same provision includes guarantees that take into account the differences between the European traditions. In this context, one of the aspects that deserve particular attention is the role and legal position of victims of crime. Their rights are explicitly mentioned by Art. 82 (2) TFEU as one of the areas where minimum approximation shall be pursued. Although it may at first sight look like a marginal procedural issue, the way of dealing with victims of crime reflects a variety of theoretical approaches on how crime, punishment, and the relationship between the individual and the state are being conceived.

Read More
Print Friendly and PDF ^