'Eenvoudig witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf en ne bis in idem'

Het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met het oog op het verbeteren van de mogelijkheden tot bestrijding van het verwerven en voorhanden hebben van uit misdrijf afkomstige voorwerpen beoogt de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf af te schaffen. Deze kwalificatie-uitsluitingsgrond is door de Hoge Raad ontwikkeld om onredelijke en automatische verdubbeling van strafbaarheid te voorkomen. In het geval afscheid moet worden genomen van de kwalificatie-uitsluitingsgrond kan het ne bis in idem-beginsel, in geval van ongelijktijdige vervolging, enige bescherming bieden aan verdachte tegen onredelijke verdubbeling van strafbaarheid. Lees verder:

  • Eenvoudig witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf en ne bis in idem door S.S. Buisman in TPWS 2016/32

Om dit artikel te raadplegen dient u te zijn geabonneerd op TPWS. 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens witwassen: toetsingskader verwijt witwassen en verweer daartegen

Gerechtshof Amsterdam 18 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5279

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 13 april 2012 tot en met 29 september 2012, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in verenging met een of meer ander(en), althans alleen, 12.050 euro en/of 4.496,61 euro en/of 10.050,63 euro en/of 2.550 euro en/of 19.615 euro, althans een of meer geldbedrag(en), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Bespreking van bewijsverweren

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat geenszins is komen vast te staan dat er sprake is van een criminele herkomst van de gelden en dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte wist dan wel had moeten vermoeden dat sprake was van crimineel geld.

a. Afkomstig uit enig misdrijf?

Toetsingskader

Bij de beoordeling van het tenlastegelegde feit stelt het hof het volgende voorop. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval als zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel “afkomstig uit enig misdrijf” bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo een verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal ook het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Vermoeden van witwassen

De verdachte heeft op meerdere momenten, ten opzichte van zijn legale inkomenssituatie, voor zover daarvan is gebleken, grote geldbedragen ontvangen op zijn bankrekeningen via stortingen uit het buitenland. Van deze grote bedragen heeft hij steeds in een betrekkelijk kort tijdsbestek het grootste deel contant opgenomen. Hij nam veelvuldig de maximaal per dag toegestane hoeveelheid geld op via geldautomaten. Tweemaal heeft hij grote bedragen opgenomen in een casino. Bij de verdachte zijn negen bankpassen aangetroffen. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij die nodig heeft voor zijn bedrijf, maar enige transactie met die bankpassen ten behoeve van zijn bedrijf is gesteld noch gebleken.

Gelet op het voorgaande is het vermoeden gerechtvaardigd dat de geldbedragen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft verklaard dat hij zijn bankpas aan naam ter beschikking heeft gesteld, zodat deze geld kon storten op de bij de pas behorende rekening. Het betrof volgens de verdachte een vriendendienst. Hoewel in een zeer laat stadium, is uiteindelijk onderzoek gedaan naar deze naam. naam kon echter niet worden getraceerd. Ook heeft het Openbaar Ministerie onderzoek gedaan naar de rekeningen van waaraf de bedragen naar de verdachte zijn overgemaakt. Daarbij heeft het alleen zogenoemde ‘moneyhouses’ kunnen traceren en geen concrete personen.

Nu de verklaring die de verdachte heeft gegeven naar het oordeel van het hof niet kan worden aangemerkt als een plausibele, verifieerbare verklaring over de legale herkomst van de geldbedragen, is geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

b. Wetenschap?

Voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel “wist” is vereist dat de verdachte wetenschap had dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren. Met de verdediging is het hof van oordeel dat van een dergelijke wetenschap onvoldoende is gebleken.

c. Schuld?

Daarmee resteert de vraag of de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren, waardoor sprake is van schuldwitwassen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet op het feit dat hij meermalen relatief grote geldbedragen heeft ontvangen op zijn bankrekening via stortingen uit het buitenland en deze grote bedragen steeds in een betrekkelijk kort tijdsbestek contant heeft opgenomen, redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft geen vragen gesteld omtrent de herkomst van het uit het buitenland gestorte geld, het geld zonder meer opgenomen en vervolgens contant aan een derde overgedragen. De verdachte is daarbij (minst genomen) in die mate tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat – gelet op het voorgaande – het niet anders kan zijn dan dat het geld middellijk of onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en dat de verdachte dat redelijkerwijs heeft moeten vermoeden. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

  • Schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 80 uur. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling functioneel dader gewoontewitwassen alsmede opzettelijke overtredingen van de Wet op het financieel toezicht en van de Wet inzake de geldtransactiekantoren

Rechtbank Rotterdam 21 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9508 Verdachte heeft een viertal mannen (medewerkers van hem) aangestuurd binnen zijn activiteiten op het vlak van het zogenoemde Hawala-bankieren. De rechtbank overweegt dat verdachte als functioneel dader wordt gezien wat betreft de hem ten laste gelegde feiten - gewoontewitwassen, alsmede opzettelijke overtredingen van de Wet op het financieel toezicht en van de Wet inzake de geldtransactiekantoren.

De rechtbank verwerpt het terzake het gewoontewitwassen gevoerde verweer dat de verdachte niet wist en evenmin had moeten vermoeden dat de medeverdachten zich met crimineel gedrag bezig hielden en dat het geld de uit dat crimineel gedrag afkomstige opbrengst was.

Terzake voormelde overtreding van de Wet inzake de geldtransactiekantoren geldt dat dit feit gedurende een deel van de bewezen verklaarde periode niet meer strafbaar was. Verdachte wordt derhalve partieel ontslagen van rechtsvervolging.

Standpunt verdediging 

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde (gewoonte)witwassen. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat het bestanddeel “uit misdrijf afkomstig” niet kan worden bewezen. Het onderzoek in de zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geld. Het feit dat de verdachte optrad als informele bankier – een zogenoemde “Hawala-bankier” – is onvoldoende om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat de verdachte zich bezig hield met (gewoonte)witwassen, aldus de raadsman.

Subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat het bewijs voor de wetenschap van de verdachte ontbreekt. Het dossier bevat onvoldoende concrete aanwijzingen dat de verdachte wist of door de omstandigheden had moeten vermoeden dat de medeverdachten zich met crimineel gedrag bezig hielden en dat het geld de uit dat crimineel gedrag afkomstige opbrengst was. Het versluierd spreken over personen, geldbedragen en plaatsnamen is niet slechts kenmerkend voor crimineel gedrag in het algemeen, maar ook voor het ondergronds bankieren, en daarom kan niet zonder meer worden gesteld dat zodanig gedrag er op duidt dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van het geld, aldus de raadsman.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het onder 2 en 3 tenlastegelegde enkel op basis van de in de tenlastelegging concreet genoemde zaaksdossiers dient te worden beoordeeld.

In de onder 2 genoemde zaaksdossiers medeverdachte 1 en medeverdachte 2 en de onder 3 genoemde zaaksdossiers medeverdachte 3 en medeverdachte 4 zijn onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden gebleken om tot een bewezenverklaring van deze feiten te komen.

Het zaaksdossier medeverdachte 5 bevat op zich voldoende redengevende feiten en omstandigheden maar onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het “bedrijfsmatig handelen” zoals onder 2 is tenlastegelegd, aldus de raadsman.

Beoordeling rechtbank

Functioneel daderschap

De rechtbank beoordeelt het bewijs als volgt en komt tot bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten. Deze drie feiten zullen hierna besproken worden. Allereerst volgen overwegingen over de toerekening van de feiten aan verdachte en zijn (functioneel) daderschap.

In de periode van 14 oktober 2011 tot en met 30 januari 2012 heeft verdachte duurzaam deelgenomen aan het economische verkeer met een organisatie van kapitaal en arbeid met als kennelijke doel winst te behalen. Binnen dit samenwerkingsverband kon verdachte beschikken over de gedragingen die binnen het samenwerkingsverband plaatsvonden, en placht hij die gedragingen ook te aanvaarden.

Verdachte heeft een viertal mannen aangestuurd als zijn medewerkers binnen zijn activiteiten op het vlak van het zogenoemde Hawala-bankieren.

Alle vier de mannen zijn veroordeeld wegens de aan hen ten laste gelegde gedragingen die aansluiten of overeen komen met respectievelijk het eerste en de laatste twee aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte twee mannen (vader en zoon medeverdachte 6 en 7) als koeriers veelvuldig geld heeft laten ophalen in Duitsland en Frankrijk en dit naar Nederland heeft laten transporteren waarbij beide andere mannen de vervoerde gelden telkens in ontvangst namen. De aansturing van beide mannen als medewerkers in zijn onderneming blijkt uit de aanvulling op het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierin is een aantal opgenomen en afgeluisterde gesprekken opgenomen in een chronologisch schema. De gesprekken behelzen aanwijzingen omtrent uit te voeren ritten als geldkoerier en terugkoppelingen over die ritten. Daarnaast gaat het om gesprekken over de gebruikte wagens, het onderhoud en de kosten daarvan. In het onderzoek Fischer is beschreven dat verdachte de kosten van de wagens die beide koeriers gebruikten, voor zijn rekening nam en beslissingen nam over onderhoud en verzekering van de wagens.

De andere twee mannen (medeverdachte 8 en medeverdachte 9) waren belast met het voeren van de administratie, het in ontvangst nemen en bewaren van de gelden, het omwisselen van gelden en het weer afgeven van gelden. In het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt de aansturing van deze twee mannen door verdachte chronologisch aan de hand van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken beschreven. Verdachte geeft aanwijzingen aan beide mannen ter zake van het voeren van de administratie, het geven van opdrachten aan beide koeriers, het tellen van de gelden, het omrekenen van de (valuta)koers en de ontvangst van gelden.

In het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en in de aanvulling op het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de kosten beschreven die verwerkt zijn in de administratie die in het pand (adres 1) te Amsterdam is aangetroffen. Dit is het pand waar in het laatste deel van de ten laste gelegde periode twee van de vier mannen voortdurend verbleven en waar de koeriers verzamelden en de vervoerde gelden afgaven. Uit die administratie blijkt dat kosten werden vergoed, salarissen werden uitbetaald en kosten van de auto’s die gebruikt werden voor de koerierswerkzaamheden, in de administratie werden verantwoord.

Dat het verdachte is voor wiens rekening en risico de activiteiten werden uitgevoerd, blijkt niet alleen uit de hierboven beschreven gezagsrelatie, het betalen van vergoedingen voor verrichte arbeid (in geld en in natura, waaronder huisvesting) en het betalen van onkostenvergoedingen, maar ook uit de administratie die op de feitelijke verblijfplaats van verdachte op adres 2 te Amsterdam is aangetroffen. In de aanvulling op het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de overeenkomsten tussen de aangetroffen administraties beschreven. In het bijzonder komt een aantal rekeningnummers, namen en bedragen in de administratie, alsmede aantekeningen die gevonden zijn op de feitelijke verblijfplaats van verdachte aan adres 2, overeen met die in de administratie aangetroffen in adres 1. Deze overeenkomsten bevestigen naar het oordeel van de rechtbank dat de beide mannen op het adres aan adres 1 de administratie van rekeningen voor het verlenen van betaaldiensten op aanwijzing van verdachte voerden en dat verdachte de werkzaamheden nauwlettend controleerde.

Wetenschap feit 1

In de periode van 14 oktober 2011 tot en met 30 januari 2012 hebben beide koeriers (vader en zoon medeverdachte 6 en 7) een groot aantal transporten van contante gelden uitgevoerd. Het aantal transporten van Frankrijk en Duitsland naar Nederland wordt geschat op 67. Voor 43 transporten zijn aanknopingspunten te vinden in de aangetroffen administratie en het totaal van die vervoerde bedragen wordt geschat op ongeveer drie miljoen euro. Eén van beide koeriers is op 30 januari 2012 aangehouden met ongeveer 2 ton aan contanten. Zoals hierboven beschreven kunnen deze gedragingen aan verdachte worden toegerekend. Aldus heeft hij telkens grote bedragen verworven en voorhanden gehad.

De rechtbank is het met de raadsman eens dat Hawala-bankieren niet hetzelfde is als witwassen. Als informeel systeem om geld over te boeken vervult Hawala-bankieren traditioneel binnen bepaalde etnische groepen een functie. Bij het eerste feit gaat het echter niet om het overboeken van geld maar om het vervoeren van geld. Verder haalden beide koeriers deze gelden telkens op bij kledingwinkels in Frankrijk en Duitsland die beheerd werden door etnische Chinezen. Verdachte zelf is net als zijn twee medewerkers in adres 1 van Indiase origine en behoort daarmee tot een geheel andere etnische groep.

Er is geen enkele redelijke verklaring voor het gegeven dat kledingwinkels in Frankrijk en Duitsland grote bedragen in contanten telkens toevertrouwden aan verdachte en zijn koeriers, gelet op het Europese bancaire systeem dat veilig en kostenefficiënt is. De rechtbank merkt op dat de transporten grote kosten en risico’s met zich hebben gebracht. Aldus is er een redelijke vermoeden ontstaan van witwassen door verdachte.

Verdachte heeft op geen enkel moment een concrete en min of meer verifieerbare verklaring geboden voor zijn activiteiten waaronder de uitgevoerde geldtransporten. Hij was zich wel degelijk bewust van de risico’s en de kosten die de geldtransporten met zich brachten. Aan de beide koeriers keerde hij arbeidsbeloningen uit, hij vergoedde onkosten en hij betaalde de auto’s. In de auto’s waren geheime bergplaatsen voor de transporten aangebracht. Als ondernemer had verdachte de verplichting om een administratie te voeren betreffende de vermogenstoestand van zijn onderneming en de rechten en verplichtingen die met die onderneming verband hielden, en deze ingevolge de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in voorkomende gevallen ter beschikking te stellen van de overheid voor controledoeleinden. Als betaaldienstverlener of uitvoerder van betalingsdiensten had verdachte de verplichting om een vergunning aan te vragen bij de Nederlandsche Bank. Door zo te handelen heeft verdachte minst genomen zijn opdrachtgevers en de begunstigden van zijn opdrachtgevers geholpen de geldstromen te onttrekken aan het toezicht van de overheden in de betrokken landen en zo stelselmatige belastingfraude van directe en indirecte belastingen gefaciliteerd. Nu de identiteit van zijn opdrachtgevers en de begunstigden van zijn opdrachtgevers niet kon worden vastgesteld is verder onderzoek naar de herkomst van de geldstromen onmogelijk gebleken. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte door zijn koeriers gelden heeft verworven en voorhanden gehad die geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren van enig misdrijf.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2 en 3

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten het gehele strafdossier in ogenschouw dient te worden genomen en niet alleen de specifieke zaaksdossiers.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en heeft hierbij de volgende overwegingen ten aanzien van de termen “begunstigde(n)/betaler(s)” en“betaaldienstverlener” in acht genomen:

De rechtbank overweegt dat de in feit 2 genoemde personen medeverdachte 1 en medeverdachte 5 aangemerkt dienen te worden als “koeriers” en de in feit 3 genoemde personen medeverdachte 3 en medeverdachte 4 aangemerkt dienen te worden als “geldwisselaars”, en derhalve niet als “begunstigde(n)/betaler(s)”.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde bewezen kan worden voor zover het ziet op (het aanhouden van) betaalrekeningen. De rechtbank overweegt hiertoe dat in de administratie die in de woning aan adres 1 in Amsterdam is aangetroffen lijsten met namen (veelal niet volledige namen of bijnamen) met daarbij viercijferige nummers zijn opgenomen. In een telefoongesprek op 22 november 2011 wordt over een dergelijke naam gesproken en wordt het daarmee corresponderende viercijferige nummer geduid als bankrekeningnummer. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de in die lijsten opgenomen nummers als betaalrekeningnummers zijn te duiden en dat het verlenen van betaaldiensten, zoals ten laste gelegd, eveneens het leveren van diensten met betrekking tot betaalrekeningen omvat, een en ander in overeenstemming met artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, onderdelen ‘betaaldienst’, ‘betaaldienstverlener’ en ‘richtlijn betaaldiensten’, in samenhang met de bijlage betalingsdiensten bij Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt.

Bewezenverklaring

Feit 1: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Feit 2: een overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan.

Feit 3: een overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren was het verboden om als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn. Dit was tot 1 januari 2012 strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, juncto artikel 1, onder 2° van de Wet op de economische delicten (hierna: WED).

Per 1 januari 2012 is artikel V van de Wijzigingswet financiële markten 2012 in werking getreden (Staatsblad 2011, nrs. 610 en 611). Hiermee is de zinsnede met betrekking tot de Wet inzake de geldtransactiekantoren in artikel 1, onder 2° WED komen te vervallen. Hierdoor is de strafbaarstelling van een overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren op dat moment vervallen. Weliswaar is met de Wijzigingswet financiële markten 2012 overtreding van artikel 2:54i van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1, onder 2° WED en heeft dit Wft-artikel, getuige de Memorie van Toelichting van die wijzigingswet, te gelden als vervanging van het verbod om als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn, maar dit artikel is pas per 1 juli 2012 in werking getreden (Besluit van 22 december 20111, Stb 2011, 671).

De rechtbank concludeert aldus dat in de ten laste gelegde periode van 1 tot en met 30 januari 2012 het optreden als geldtransactiekantoor niet meer strafbaar gesteld was in de WED en dat het vervangende artikel 2:54i Wft nog niet in werking was getreden.

De rechtbank zal de verdachte daarom, voor wat betreft de periode van 1 tot en met 30 januari 2012, ontslaan van alle rechtsvervolging.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 34 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Anti-Money Laundering Index

This is the fourth edition of the Basel Anti-Money Laundering (AML) Index report developed by the Basel Institute on Governance. The Basel Institute published the Basel AML Index for the first time in 2012 and has since then been the only non-profit organisation to rank countries according to their risk of money laundering and terrorist financing. This year covering 152 countries, the Basel AML Index provides an annual risk rating of money laundering and terrorist financing. It is based on the assessment of the quality of countries’ anti-money laundering and countering the financing of terrorism (AML/CFT) frameworks and related factors such as financial sector standards and public transparency. The 2015 version includes a slightly adjusted methodology to take into account changes in the Financial Action Task Force (FATF) evaluations, which is one of the key components used to calculate the Basel AML Index. The new results and key findings are presented in chapter 4.

The Basel AML Index overall score is derived from 14 indicators based on publicly available sources such as the FATF, Transparency International, the World Bank and the World Economic Forum. The scores are aggregated as a composite index using a qualitative and expert-based assessment. The Basel Institute has conducted extensive research in calculating the final results following academic best practices. However, because some level of subjectivity may not always be entirely avoided in the process of creating a composite index, the highest level of transparency in relation to our assessment methodology has been adopted, and we stress that it is essential to understand the approach before interpreting the results. Our methodology section in chapter 5 describes in detail the steps conducted in calculating the overall score of the Basel AML Index.

As an additional measure, and further to an internal cross-check of data, the Basel AML Index is also reviewed each year by a panel of external experts to validate the methodology and ensure that the rating is valid, plausible and continues to capture the latest developments in the area of AML/CFT risks. Following this year’s annual expert review meeting, some methodological changes were adopted. A key adjustment for this 2015 edition was to take into consideration the modifications brought to the evaluation mechanism of the FATF Mutual Evaluation Reports, which for the first time include an effectiveness assessment in addition to the assessment of legal compliance with the FATF standard. Chapter 6 provides further details and summarises the decisions made after the annual review.

Each year the Basel AML Index is issued in two versions, the Public Edition and the Expert Edition. The Expert Edition provides for a more comprehensive data set and allows for a selection of individual subindicator of the Index. The Expert Edition is also periodically updated, covers some 50 additional countries and includes sanctions lists. It therefore serves as a sophisticated country risk assessment tool for regulatory purposes, particularly for compliance officers, and caters for users’ diverse needs in view of different compliance and regulatory requirements. The subscription-based Expert Edition is offered free of charge for public and academic institutions and non-profit organisations; commercially oriented enterprises are charged an annual fee of CHF 2000 or more, depending on user intensity. Further details concerning the Expert Edition are described in chapter 7.

The Basel Institute continues to actively facilitate the exchange of knowledge on the challenges of AML/CFT risk rating. We therefore encourage comments and feedback on the Basel AML Index as we strive to advance the use of AML country risk ratings for both research and compliance purposes.

 

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak witwassen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8979 Uit het dossier en verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte meerdere malen sieraden en goud heeft verkocht. De persoonsregistratie van de inkoopfirma was echter niet waterdicht. Dit betekent dat niet zonder meer als vaststaand kan worden aangenomen dat degene die in het register als verkoper van sieraden en/of goud staat vermeld ook (telkens) de werkelijke aanbieder was.

Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld hoe vaak verdachte sieraden en/of goud heeft ingeleverd, en wat de totale waarde hiervan is geweest. Verdachte heeft daarnaast een verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de door haar ingeleverde goederen, welke verklaring het hof niet zonder meer onaannemelijk acht en ook niet wordt weersproken door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verwervingshandelingen van verdachte aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5171 Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 1, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 02-666651-11 ten laste gelegde en ter zake van het meermalen plegen van witwassen (parketnummer 02-800144-11 onder 4) veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en 240 uren werkstraf, met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Vrijspraak (woning 1 en contante geldbedragen)

Ten aanzien van woning 1 heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verdachte het gronddelict (oplichting) heeft gepleegd, zodat zij van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging op deze woning ziet. De oplichting zou er in hebben bestaan dat verdachte bij het aanvragen van de hypothecaire geldlening (nodig voor de aankoop van voornoemde woning) gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring. Bedoelde werkgever betrokkene 1 heeft, als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, verklaard dat die werkgeversverklaring overeenkomstig de waarheid is opgemaakt, dat verdachte op dat moment bij hem in dienst was, dat zij feitelijk vanaf begin februari 2007 voor hem heeft gewerkt en dat de intentie was dat zij bij hem in dienst zou blijven. Het hof heeft geen reden om aan de inhoud van die verklaring te twijfelen. Hoewel verdachte kort nadien uit dienst is getreden, kan derhalve niet worden vastgesteld dat de werkgeversverklaring die door verdachte bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening in februari 2007 is gebruikt, vals was.

Ten aanzien van de contante geldbedragen kan het hof evenmin vaststellen dat deze van misdrijf afkomstig zijn, zodat verdachte ook in zoverre van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring gegeven voor de herkomst van deze geldbedragen die het hof niet onaannemelijk voorkomt, mede nu deze verklaring (deels) ondersteuning vindt in de verklaringen van in hoger beroep ter terechtzitting gehoorde getuigen.

Bewezenverklaring hypotheekfraude

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800144-11 onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij in de periode van 2 november 2009 tot en met 6 februari 2011 te Waalwijk een voorwerp, te weten een stuk grond/bouwterrein en een woning aan de woning 2 heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij wist dat dat bovengenoemde voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het perceel aan de adres woning 2, zijnde een bouwterrein met daarop een woonhuis in aanbouw, door verdachte van haar partner (medeverdachte) werd gekocht voor €342.440,00. De levering aan verdachte vond plaats op 2 november 2009. Voor de betaling van de koopsom is een hypotheek gevestigd bij Nationale Nederlanden van €365.000 euro ten laste van verdachte.

Uit de hypotheekofferte van Nationale Nederlanden d.d. 20 april 2009 (pg. 250 t/m 264) blijkt dat verdachte bij de hypotheekaanvraag heeft opgegeven inkomsten uit dienstverband te hebben en dat Nationale Nederlanden bij het beoordelen van de aanvraag en het uitbrengen van de aanbieding is uitgegaan van de door verdachte verstrekte gegevens. De financier wilde nog ter goedkeuring de werkgeversverklaring ontvangen waaruit het opgegeven inkomen uit vast dienstverband bleek. Verdachte heeft op 29 april 2009 de hypotheekofferte ter goedkeuring ondertekend met als gewenste passeerdatum "zsm".

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat door verdachte aan Nationale Nederlanden onder meer een werkgeversverklaring is overgelegd van bedrijf 1, waarin is vermeld dat verdachte op 1 april 2009 voor onbepaalde tijd bij bedrijf 1 in dienst is getreden en een bruto jaarsalaris van €35.580,00 heeft. Deze werkgeversverklaring is door betrokkene 2 ondertekend. betrokkene 2 heeft op 22 september 2011 (pg. 325 t/m 327) bij de politie verklaard dat verdachte nooit voor hem heeft gewerkt en dat hij via het salaris van verdachte de door hem aan medeverdachte verschuldigde overnamesom van bedrijf 1 heeft betaald.

Het hof gaat uit van de juistheid van voornoemde verklaring van betrokkene 2 en hecht geen geloof aan zijn verklaring ten overstaan van de raadsheer-commissaris dat verdachte wel degelijk bij hem in dienst is geweest, tot juli 2009 in de winkel werkte, later haar werkzaamheden thuis uitvoerde en steeds 20 uur per week voor het bedrijf heeft gewerkt.

De verklaring van betrokkene 2 ten overstaan van de politie vindt immers bevestiging in de verklaring van de getuige Takarindingan. Takarindingan is evenals betrokkene 2 op 22 september 2011 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij die ochtend telefonisch contact had gehad met betrokkene 2 die hem vroeg of hij strafbaar was geweest, omdat hij verdachte in loondienst had gehad, terwijl zij nooit had gewerkt. Zij hebben toen afgesproken dat ze gewoon zouden vertellen hoe de overname van bedrijf 1 keukens is gegaan. Voorts vindt de verklaring van betrokkene 2 bevestiging in de verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg. Zij heeft alstoen verklaard dat zij weinig of geen werkzaamheden heeft verricht voor bedrijf 1.

Gelet op vorenstaande stelt het hof vast dat de werkgeversverklaring van bedrijf 1 valselijk is opgemaakt. Verdachte heeft deze werkgeversverklaring desgevraagd aan Nationale Nederlanden verstrekt teneinde deze maatschappij ertoe te bewegen haar een hypothecaire geldlening te verstrekken. Aldus is sprake van oplichting. Met het geld dat verdachte aldus heeft verkregen heeft zij het perceel en de in aanbouw zijnde woning aan de adres woning 2 gekocht. Deze onroerende zaak is dan ook middellijk afkomstig uit misdrijf, zoals bewezen verklaard.

Het verweer wordt verworpen.

Verweer ten aanzien van witwassen

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu haar handelen niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en dientengevolge geen strafbaar feit zou opleveren. Daartoe heeft hij aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat er geen sprake kan zijn van witwassen door de verdachte, aangezien zij geen gedragingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de gelden (te weten: de hypothecaire leningen) waarmee zij de onderhavige woning heeft verkregen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door haarzelf begaan misdrijf niet kan bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Het hof acht evenwel bewezen dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf (oplichting/valsheid in geschrift) een hypothecaire geldlening, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Vervolgens heeft de verdachte met die door misdrijf verkregen gelden onroerend goed verworven dat derhalve middellijk afkomstig was uit enig misdrijf en daarmee een handeling verricht die niet louter heeft bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit het door de verdachte zelf gepleegde misdrijf.

Genoemde verwervingshandelingen zijn ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 mei 2010, NJ 2010, 655 en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:950) aan te merken als gedragingen die als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde en naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door haar handelwijze genoemde integriteit aangetast door de door misdrijf verkregen gelden aan te wenden om de koopsom van de onroerende zaak te betalen.

Gelet op het bovenstaande verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Witwassen

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

FATF leads renewed global effort to counter terrorist financing

In the light of recent terrorist atrocities the Financial Action Task Force (FATF) today concluded three days of meetings, focussed on combatting the financing of ISIL, their affiliates, and other terrorist groups. On the first day of meetings, the FATF and the Egmont Group brought together operational experts from financial intelligence units, law enforcement, security and intelligence agencies, to share information and lessons from the investigation of recent terrorist attacks, including the challenges they face in identifying and cutting off terrorists’ financial support.

The FATF is the inter-governmental body to set standards and promote effective implementation of legal, regulatory and operational measures for combating money laundering, terrorist financing and other related threats to the integrity of the international financial system.

Since 2001, FATF has taken a vigorous approach to ensuring that members have systems in place to combat terrorist financing. In light of the unprecedented threats posed by ISIL, FATF members decided to focus and accelerate our efforts.

The FATF will adapt its strategy in order to better understand and reflect the changing nature of the terrorist financing risks, including by strengthening the existing measures, and enhancing operational information sharing to help counter these risks:

  • Understanding the impact of recent action against ISIL - The meeting reviewed current knowledge on the financing of ISIL. The situation in Syria and Iraq is fast-changing. The sources of funds described in the FATF’s February 2015 report remain relevant. ISIL continues to generate most of its funding within the territory it controls - from the exploitation of oil, gas, and other natural resources; from extortion and theft from local populations; extorting agriculture; and the smuggling of cultural artefacts. In order to develop an up-to-date understanding of the risks and to share that knowledge with the private sector:

    • FATF will, working closely with the UN, the Counter-ISIL Financing Group (CIFG), the Egmont Group, Interpol and other stakeholders,  provide an up-to-date picture of ISIL-related finances to better understand the impact of all the actions taken and the evolving risks. A joint meeting with CIFG will be held in February 2016.
    • FATF will develop up to date terrorist financing indicators to share with the private sector. The FATF will hold a meeting in February to consult private sector representatives on these indicators, and discuss how to enhance information exchange with national authorities.
  • Improving the exchange of information- Better information sharing is required between operational agencies, including domestically between national authorities, internationally between agencies and between the public and private sector. Financial intelligence has played an important role in investigations after attacks. There is an opportunity for it to play an even greater role in helping to hinder terrorist financing and contributing to the prevention and disruption of terrorism. In order to achieve this:
    • The FATF will conduct an immediate analysis across all members in order to review their understanding of the risks, the challenges faced in sharing information, and how countries have responded to those challenges. This will inform future actions to be taken as part of adapting our comprehensive strategy to detect and prevent terrorist financing, and contribute to efforts to degrade and ultimately defeat ISIL as a terrorist organisation.
    • The FATF and the Egmont Group will work together to overcome information sharing obstacles and consider updating the international standards on effective information sharing.
    • The FATF will also take immediate actions to improve information exchange between government authorities, between countries, and with the private sector. For example, FATF calls on all jurisdictions to issue advisories to the private sector on the latest terrorist financing risks as soon as possible and calls on all members to update Interpol’s foreign terrorist fighters database.
  • Strengthening the international standards and their implementation– The FATF Standards are the international benchmark for frameworks for combatting terrorist financing. In order to ensure that these standards are adhered to and that standards keep up with evolving risks:
    • Based on the FATF’s review of 196 jurisdictions which are members of the FATF’s global network, in February 2016, the FATF will initiate special follow-up measures for countries which have not criminalised terrorist financing or do not apply targeted financial sanctions.
    • In February 2016, the FATF will discuss if there are areas where the FATF Standards can be strengthened, such as better reflecting the United Nations Security Council Resolutions dealing with terrorist financing, including UNSCR 2199.

The FATF President will address the special session of the United Nations Security Council meeting of Finance Ministers in New York on Thursday 17 December, and the FATF will update the G20 in February on further measures to strengthen the combatting of terrorist financing and the implementation of targeted financial sanctions.

 

Bron: FATF

 

Print Friendly and PDF ^

Taakstraf en voorwaardelijke celstraf echtpaar voor witwassen auto en geld

Een voormalig echtpaar is veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden voor witwassen. De straf is gelijk aan de straf die de officier van justitie had geëist.

Contant geld

De man uit Ede had een Mercedes personenauto op zijn naam staan met een geschatte aankoopwaarde van ruim 40.000 euro en de vrouw uit Zoetermeer had ruim 110.000 euro aan contant geld in de woning van haar ex-schoonmoeder verstopt. De auto en de geldbedragen zijn door de politie in beslag genomen.

Neef

De man heeft de auto in Duitsland voor 28.500 euro gekocht en contant betaald. Gezien de inkomenspositie van de man kan hij de auto niet met eigen geld hebben gekocht. De man heeft verklaard dat hij de auto voor een neef in Marokko heeft gekocht en dat die neef hem hiervoor geld had gegeven. De rechtbank vindt dat echter niet geloofwaardig. De neef heeft namelijk verklaard de man 6 jaar geleden voor het laatst te hebben gesproken en hem geen opdracht of geld te hebben gegeven voor de aankoop van de auto.

Spaargeld

De verklaring van de vrouw dat zij het geld in de afgelopen 7 jaar heeft gespaard vindt de rechtbank niet aannemelijk geworden. De vrouw leefde in eerste instantie met 4 van haar kinderen van een bijstandsuitkering en later van een beperkt inkomen. Zij had dus geen legale bron van inkomsten waarmee de aangetroffen 110.000 aan contanten verklaard kan worden. Zelfs al zou de vrouw heel zuinig hebben geleefd, dan nog kan zij niet zoveel geld hebben gespaard. Dat de vrouw – naar haar eigen zeggen – ook maandelijks contante giften ontving van een vriend is volgens de rechtbank ook niet aannemelijk. De vrouw heeft namelijk bij de politie welbewust niet de juiste naam gegeven van deze persoon en heeft tot op heden niet alsnog de juiste gegevens willen geven.

De rechtbank heeft ook bepaald dat de man en de vrouw de auto en een groot deel van het aangetroffen geld niet terug krijgen.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van witwassen van bij een inbraak verkregen buitenlandse valuta

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8626 Verdachte heeft door een inbraak op 12 november 2013 verkregen buitenlandse valuta omgewisseld bij het Grenswisselkantoor GWK in euro’s. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij deze inbraak samen met een ander heeft gepleegd en het geld heeft omgewisseld.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring. De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent witwassen van uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen zich verzet tegen veroordeling.

Uit jurisprudentie en met name het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001 blijkt dat het enkel voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

Het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging gekregen dat verdachte gedragingen heeft verricht die erop gericht waren dat de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing opzettelijk werd verborgen en/of verhuld, dan wel werd verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp en/of vermogensrecht is/zijn of het voorhanden heeft/hebben. Tegen de achtergrond van de strekking van de kwalificatie-uitsluitingsgrond: het voorkomen van verdubbeling van strafbaarheid – alsmede de gevallen van toepassing daarvan door de Hoge Raad ziet het hof in het enkele omwisselen van de valuta tegen in Nederland direct uit te geven euro’s (ook) geen verhullingshandeling.

De kwalificatie-uitsluitingsgrond geldt volgens de Hoge Raad1 in beginsel niet in die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen.

Voor zover in het onder 2e bedoeld is ten laste te leggen dat verdachte een bedrag van € 462,89, dat indirect, middellijk afkomstig is uit enig misdrijf heeft omgezet, is dit niet tenlastegelegd. Slechts ten laste is gelegd dat verdachte: ‘een geldbedrag aan (diverse) buitenlandse valuta (totaal € 462,28)’ voorhanden heeft gehad (dus onmiddellijk) en niet dat verdachte een bedrag van € 462,89 dat was verkregen door het omwisselen van buitenlandse valuta in euro’s en dus middellijk verkregen voorhanden heeft gehad.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OVAR witwassen: Deel geld eigen misdrijf, geen verhullingshandeling

Rechtbank Amsterdam 25 september 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6403 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Het geld

Met betrekking tot het aangetroffen geld heeft verdachte verklaard dat zij een deel van dat geld heeft gekregen van medeverdachte. Ter terechtzitting heeft zij dit genuanceerd. Zij heeft €60.000 van hem ter bewaring gekregen. Dit geld zou afkomstig zijn van gokwinsten, hetgeen wordt ondersteund door een schriftelijke verklaring van het Holland Casino waaruit blijk dat medeverdachte ruim €49.000 heeft gewonnen. Ook een bedrag van €3.100 en een bedrag aan Britse ponden (£ 660) zouden van medeverdachte zijn en afkomstig zijn van verdiensten voor het IUCC. Dit heeft hij haar verteld, en zij had geen reden om aan zijn verklaring te twijfelen. Van witwassen van dit deel van het geld door verdachte is dan ook geen sprake.

Het overige geld heeft zij gespaard en is legaal uit arbeid verkregen, namelijk door op te passen en door te werken als hulp in de huishouding. De vraag is of het geld dat zij hiermee heeft verdiend afkomstig is uit misdrijf. Het geld is niet afkomstig uit een criminele activiteit. Dat zij geen belasting hierover heeft afgedragen maakt nog niet dat het van misdrijf afkomstig is. Het valt derhalve niet onder de reikwijdte van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Mocht door de rechtbank worden vastgesteld dat het geld dat aan verdachte toebehoort van misdrijf afkomstig is, dan geldt dat daarmee geen witwashandelingen zijn verricht. Het geld lag contant in huis. Het is niet op een bankrekening gezet. Ook hier heeft verdachte een verklaring voor gegeven. Zij had aanvankelijk geen bankrekening. Deze heeft zij gekregen toen zij in de asielprocedure kwam. Als deze procedure niet zou slagen dan moest zij alles inleveren, ook de rekening en het pasje, en zou ze haar geld kwijt zijn. Om die reden heeft zij het geld in huis bewaard en, om te voorkomen dat bij een eventuele inbraak al het geld zou worden gevonden, op verschillende plaatsen verstopt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad geen verhullingshandeling.

Nu niet kan worden bewezen dat het geld dat verdachte voorhanden heeft gehad van enig misdrijf afkomstig is, noch dat ten aanzien van het geld verhullingshandelingen zijn verricht, dient verdachte van witwassen van deze geldbedragen te worden vrijgesproken.

De sieraden

Ten aanzien van de sieraden heeft verdachte ter zitting van de raadkamer van 13 november 2014 een handgeschreven lijst overgelegd waarop zij per sieraad heeft aangegeven hoe zij dit heeft verkregen en wat de waarde ongeveer was ten tijde van de verkrijging. Dat het veel sieraden zijn is niet verwonderlijk. In Rusland is geld niet veel waard, goud wel. Daarom worden veel gouden voorwerpen, sieraden, gekocht. Het goudgehalte van de sieraden is niet gangbaar in Nederland. Het meeste komt dan ook uit Oost-Europa, Italië of Egypte.

Voorts is er geen bewijs dat de sieraden van misdrijf afkomstig zijn, noch dat deze met geld dat afkomstig is van enig misdrijf zijn verkregen.

Ook van het witwassen van de sieraden dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

In de woning aan het adres, te plaats, waar verdachte samen met medeverdachte verblijft, is een grote hoeveelheid contant geld (€89.190) en een groot aantal sieraden met een geschatte waarde van €58.455 aangetroffen. Dit rechtvaardigt in principe het vermoeden van witwassen.

Beoordelingskader

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te bevatten.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Indien zo’n geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het volgende overwogen en opgemerkt.

De sieraden

Bij verdachte is een groot aantal sieraden in beslag genomen. Er is geen direct bewijs dat deze sieraden van enig misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft aan de raadkamer in het kader van een verzoek tot teruggave van inbeslaggenomen goederen, in een handgeschreven lijst gedetailleerd aangegeven hoe zij aan deze sieraden is gekomen. Ter terechtzitting heeft de verdediging hiernaar verwezen. Het is de rechtbank aan de hand van deze lijst gebleken dat twee van de sieraden, een paar oorbellen en een ring, van medeverdachte afkomstig zijn. De rechtbank acht deze uitleg over de herkomst van de sieraden niet op voorhand ongeloofwaardig. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te brengen waaruit de feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid waaruit zou moeten blijken dat het niet anders kan dan dat deze voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Hier is het openbaar ministerie, naar het oordeel van de rechtbank, niet in geslaagd. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het witwassen van deze sieraden.

Het geld

Verdachte heeft verklaard dat een deel van dit geld, te weten een bedrag van €60.000 (uit een plastic tas) en een geldbedrag van €3.100 (uit een zwart mapje in de la van het dressoir) niet van haar, maar van medeverdachte is. De rechtbank acht dit ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden.

De vraag die vervolgens voorligt is of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit aan medeverdachte toebehorende geld van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft hierover verklaard dat medeverdachte haar heeft verteld dat hij €50.000 heeft gewonnen bij het Holland Casino en dat hij inkomsten had uit werk bij een internationale organisatie, het IUCC. Niet is gebleken dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld van medeverdachte afkomstig was uit enig misdrijf.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van witwassen van deze geldbedragen.

Het overige geld, zijnde €12.000 in een bruine portemonnee, €1.100 in een envelop, €6.000 in een envelop, €6.450 in een rode portemonnee en €543,65 in een portemonnee, is, zo verklaart verdachte, van haar.

Verdachte heeft inzicht gegeven in de herkomst van dit geld. Zij heeft dit in de loop der jaren verdiend met schoonmaak- en oppaswerk, hetgeen bevestiging vindt in de getuigenverklaringen van persoon 1 en persoon 2, afgelegd bij de politie. Verdachte heeft aangegeven dat zij over deze inkomsten geen belasting heeft betaald. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 oktober 2008 beslist dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen “afkomstig (…) van enig misdrijf” in de zin van artikel 420 bis en 420quarter Sr.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een niet nader bepaald deel van het geld, dat aan verdachte toebehoorde en dat zij voorhanden had, afkomstig is van enig misdrijf. Immers, dit niet nader bepaalde deel is van belastingontduiking en dus uit eigen misdrijf afkomstig.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 23 januari 2014, te Amsterdam, een geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Strafbaarheid

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit voort dat verdachte ten aanzien van het bewezen geachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging aangezien de rechtbank aannemelijk acht dat dit geldbedrag uit eigen misdrijf (belastingontduiking) afkomstig is en verdachte dit bedrag enkel voorhanden heeft gehad. Niet is gebleken dat verdachte gedragingen heeft verricht om de criminele herkomst van het geldbedrag te verbergen of te verhullen. Het enkele feit dat het bedrag in de woning was verstopt, is daarvoor niet voldoende. Het bewezen verklaarde kan daarom niet als witwassen worden gekwalificeerd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^