Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door haar bankrekening aan een ander ter beschikking te stellen, voor die ander geld van die bankrekening op te nemen alsmede daarvoor beloningen te ontvangen

Gerechtshof Den Haag 26 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3852

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 13 februari 2013 tot en met 10 juli 2013, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een voorwerp, te weten één of meerdere geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten één of meerdere geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het geld dat op de rekening van zijn cliënte is gestort afkomstig is uit enig misdrijf en er derhalve geen sprake kan zijn van witwassen. Volgens vaste jurisprudentie levert de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide verkoper niet op het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Hiervoor zijn bijkomende omstandigheden vereist. Voorts kan het enkele niet leveren van een tegenprestatie na het ontvangen van de koopsom geen verduistering dan wel oplichting opleveren.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij haar bankrekening aan een ander, die zij aanduidt als medeverdachte, ter beschikking heeft gesteld en daarvoor geld heeft gekregen. Ook heeft zij regelmatig bedragen opgenomen voor deze medeverdachte. Voorts heeft de verdachte verklaard dat zij op enig moment door had dat er op haar rekening geld door voor haar onbekende mensen werd gestort met als bijschrift een merk en type mobiele telefoon(s) en toen wist dat ‘het niet goed zat’, maar desalniettemin door is gegaan met geld opnemen, dit overdragen aan medeverdachte en een deel daarvan als betaling voor het ter beschikking stellen van haar bankrekening aannemen.

Aangever 1 heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 22 maart 2013 via internet een iPhone voor € 250,- heeft besteld en daartoe geld heeft overgemaakt naar rekeningnummer op naam van medeverdachte 2. Deze telefoon is nooit geleverd. De advertentie van de telefoon stond op de website www.aanbod.be waarbij als adres van de aanbieder genoemd werd een adres te Den Haag. Aanbieder maakte gebruik van onder meer het e-mailadres.

Aangever 2 heeft tegenover de politie verklaard dat zij naar aanleiding van een advertentie opwww.aanbod.be op 26 maart 2013 vier iPhones heeft besteld en daartoe op 29 maart 2013 € 1.000,- heeft overgemaakt op rekeningnummer op naam van medeverdachte 3. Voorafgaand aan de bestelling heeft zij veelvuldig mailverkeer gehad met een zekere medeverdachte 2 die mailde vanaf het adres e-mailadres. Ook deze bestelling is nooit geleverd.

Voornoemde betalingen zijn, zo blijkt uit de zich in het dossier bevindende rekeningafschriften, op de rekening van verdachte binnengekomen.

Het hof acht bewezen dat deze bedragen van misdrijf – te weten oplichting - afkomstig zijn, gelet op de navolgende omstandigheden:

  • de aanbieder heeft een verkoopadvertentie geplaatst op www.aanbod.be en zodoende bezoekers van die website uitgenodigd om met hem in contact te treden teneinde een koopovereenkomst te sluiten;
  • de aanbieder heeft zich daarbij gepresenteerd onder een normale eigennaam en daarbij een adres genoemd – welk adres blijkens het dossier niet gekoppeld kan worden aan de door aanbieder opgegeven naam - en voorts gebruik gemaakt van e-mailadressen die bij de door aanbieder opgegeven naam passen;
  • de aanbieder heeft via de e-mailadressen gecorrespondeerd met de potentiele kopers om tot overeenstemming te komen over de prijs voor de te leveren goederen alsmede in die correspondentie doen voorkomen alsof hij de beschikking had over een voorraad Apple producten terwijl van een dergelijke voorraad niet is gebleken;
  • aangevers hebben de overeengekomen bedragen overgemaakt op de bankrekening van de verdachte die is opgegeven door de aanbieder, als ware het een bankrekening (van het bedrijf)van de aanbieder;
  • de aanbieder heeft vervolgens de door aangevers bestelde goederen niet geleverd.

Het hof overweegt dat op grond van het bovenstaande vast is komen te staan dat er sprake is geweest van het aannemen van een valse hoedanigheid door aanbieder in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht waardoor aangevers zijn bewogen tot afgifte van - in dit geval - een geldbedrag.

Uit de rechtspraak kan weliswaar worden afgeleid dat niet elke vorm van bewust oneerlijk zaken doen onder het strafrecht dient te worden gebracht. Naar ’s hofs oordeel heeft de aanbieder echter in het onderhavige geval door onder een valse naam te handelen en gebruik te maken van een bij de transactie niet betrokken derde kennelijk opzettelijk willen voorkomen dat aangevers via de civielrechtelijke weg verhaal zouden kunnen halen.

Doordat het geld gestort is op een op verdachtes naam gestelde rekening en zij hiervan geld, waarvan zij blijkens haar eigen verklaring wist dat ‘het niet goed zat’, heeft opgenomen, waarbij ze een deel heeft overgedragen alsmede van een deel gebruik heeft gemaakt, kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Bewezenverklaring

Witwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 30 uur en voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen & hawala-bankieren

Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3380

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens schuldwitwassen veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en verbeurdverklaring van twee geldbedragen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 14 juni 2005, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten geldbedragen van 70.000 euro en 350 euro voorhanden heeft gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd.

De criminele herkomst van het geld kan niet worden vastgesteld. Weliswaar is er sprake geweest van een vorm van Hawala-bankieren, waarbij zonder vergunning geldtransacties worden verricht, maar dat brengt nog niet mee dat gelden die op deze manier worden ingezameld en overgemaakt per se van een misdrijf afkomstig zijn. Hawala-bankieren is strafbaar, maar het levert geen witwassen op. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 29 april 2008 (LJN BD2799) en naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2008 (LJN BC9951).

(...)

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte] binnen het bedrijf [A] de facto een kantoor hield gericht op het verrichten van geldtransacties. Bij dit kantoor konden mensen in Nederland bedragen storten die door of vanwege de verdachte op de één of andere wijze in Suriname terecht kwamen. In het kader van deze geldtransacties werden één à twee keer per week al dan niet grote bedragen geld die in die week waren verzameld, door [medeverdachte] gebundeld en via een derde - in deze de verdachte - afgestort bij een bank ten behoeve van een rekening van een in Suriname gevestigd bedrijf, te weten [B] B.V.

Medeverdachte [medeverdachte] verrichtte deze handelingen zonder dat aan hem of aan [betrokkene], in wiens opdracht [medeverdachte] naar eigen zeggen deze handelingen verrichtte, daartoe een vergunning was afgegeven. Zij hebben zich daarbij gerealiseerd - of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans daartoe aanvaard - dat een dergelijke vergunning wel nodig was voor deze activiteiten. Het hof leidt daaruit af dat sprake is van opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen blijkens artikel 1 sub 2, van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komen onvoldoende aanwijzingen naar voren dat het geld dat [medeverdachte] van de klanten ontving van misdrijf afkomstig was. [medeverdachte] heeft het geld echter voorhanden gekregen door middel van het opzettelijk begaan van voormeld misdrijf, het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor. Daardoor is dit geld aan te merken als 'afkomstig uit enig misdrijf', als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. De, met het in het kader van de geldtransacties ontvangen geld, verrichte handelingen, te weten het bundelen, overdragen en afstorten van het geld, zijn, naar het oordeel van het hof derhalve vormen van witwassen."

Namens verdachte heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag van € 70.000,- afkomstig is uit enig misdrijf.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die de verdachte en zijn mededader in het kader van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor voorhanden hebben gehad en hebben overgedragen 'daardoor' uit misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestanddelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van art. 420quater Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het voorhanden hebben en het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring wat betreft het geldbedrag van € 70.000,- kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044).

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling witwassen: verdachte heeft, op verzoek van haar partner, geld uit haar woning gepakt en vervolgens meegenomen met het kennelijke doel opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie te onttrekken

Rechtbank Rotterdam 12 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9326

De officier van justitie mr. M. Vreugdenhil heeft gerekwireerd tot:

  • bewezenverklaring van witwassen van een geldbedrag van € 63.050, een BMW en meerdere horloges;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis;
  • onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 32 tot en met 37 vermelde voorwerpen;
  • verbeurdverklaring van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 2, 4, 5, 6, 9, 10, 11 en 12 vermelde voorwerpen;
  • teruggave aan de verdachte van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1, 8, 16 tot en met 31 en 38 tot en met 72 vermelde voorwerpen.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van het ten laste gelegde geldbedrag, nu zij wist, noch redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordeling rechtbank

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien deze omstandigheid zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Ook het onderhavige verwijt zal aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeelt.

Vermoeden van witwassen

Op basis van de bewijsmiddelen, die als bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht, wordt van het volgende uitgegaan. Op 1 oktober 2012 heeft er een observatie plaatsgevonden van het pand. Verbalisanten hebben toen waargenomen dat de verdachte, na eerst in eerdergenoemde BMW te zijn weggereden, terugkeert naar de woning, naar binnen loopt, met een grote zwarte tas weer naar buiten komt en vervolgens in een andere auto weer wegrijdt. De verdachte is vervolgens staande gehouden en in de zwarte tas zijn zes (waardevolle) horloges en een bedrag van € 63.050 aangetroffen. Dit geldbedrag bestond voor het grootste gedeelte uit € 500 biljetten die door middel van een wikkel bij elkaar zaten.

De handelwijze van de verdachte ten aanzien van het geldbedrag vond plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld, vaak bestaande uit € 500 biljetten. Het in een tas zonder enige verdere bescherming vervoeren van grote hoeveelheden legaal chartaal geld is ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen.

Daarbij komt dat het besteedbaar inkomen van de verdachte over de jaren 2009 tot en met 2012 blijkens de zich in het dossier bevindende gegevens € 33.378,00 bedroeg. Voorts volgt uit de door de belastingdienst verstrekte gegevens dat de partner van de verdachte, medeverdachte, over de periode 2009 tot en met 2011 een besteedbaar inkomen van in totaal € 25.424 heeft gehad en hij volgens het Regionale Opsporingsteam Sociale Recherche in de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 februari 2013 helemaal geen inkomsten uit loon of uitkering heeft genoten. Tegenover het (grote) aangetroffen geldbedrag staat aldus het gegeven dat de verdachte, evenals haar partner, in de jaren voorafgaande aan het tenlastegelegde feit slechts een laag legaal inkomen heeft gehad.

Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande haar handelen met betrekking tot het voornoemde geldbedrag.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft verklaard dat zij op 1 oktober 2012 is gebeld door medeverdachte, die haar heeft verzocht om geld uit de woning te halen. Het geld zou zich bevinden in een jaszak van medeverdachte, alsmede in een schoenendoos. De verdachte heeft vervolgens voldaan aan dit verzoek. Zij is de woning binnen gegaan, heeft het geld in een zwarte tas gestopt en heeft de woning vervolgens verlaten. Over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft de verdachte geen verklaring gegeven. Zij heeft slechts verklaard dat zij niets wist van het geld dat zich in de woning bevond. Vastgesteld wordt dan ook dat de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geldbedrag, niet voldoet aan de eerdergenoemde vereisten. De rechtbank concludeert gelet hierop dat het niet anders zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

Wetenschap

De vraag die vervolgens voorligt is of de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs diende te vermoeden dat het door haar meegenomen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Op het moment dat de verdachte gebeld werd met het verzoek om direct (grote) geldbedragen uit haar woning te halen - van welk geld zij volgens haar eigen verklaring niets wist -, welk geld voornamelijk bestond uit € 500 biljetten die waren verstopt/aan het directe zicht onttrokken waren, had zij in ieder geval redelijkerwijs dienen te vermoeden dat dit geld geen legale herkomst had.

Conclusie

Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (schuld)witwassen van € 63.050. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Partiële vrijspraak

Het witwassen van de BMW en (meerdere) horloges is - anders dan de officier van justitie heeft gevorderd - niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Zowel de verdachte, haar vader als medeverdachte hebben verklaard dat de vader van de verdachte de BMW heeft aangeschaft met geld dat hij had verkregen uit een erfenis. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden afgeleid dat deze - op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring - onjuist is en dat het niet anders kan dan dat de BMW is aangekocht met geld afkomstig uit enig misdrijf.

Met betrekking tot de ten laste gelegde horloges is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze horloges aangekocht zijn met geld afkomstig uit enig misdrijf. In dat kader heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van de verdachte dat zij niet veel wist van de inkomsten van haar man, in de veronderstelling leefde dat hij een succesvolle ondernemer was en hem altijd heeft gekend ‘als een man met horloges’.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling postagentschaphouder ter zake van gewoontewitwassen middels money transfers en wisseltransacties, het valselijk opmaken van money transferformulieren & witwassen van Britse ponden

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4696

Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte ter zake van het medeplegen van gewoontewitwassen en gewoontewitwassen (feit 1), valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 2), witwassen (feit 3) en het medeplegen van schuldheling (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 308 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de rechtbank beslist over de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft:

  • primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit;
  • subsidiair integrale vrijspraak van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bepleit;
  • zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het beslag.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daartoe is aangevoerd dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. De verdediging heeft het hof gewezen op een tweetal strafzaken die thans aan het oordeel van de Hoge Raad zouden zijn onderworpen, waarin het eveneens gaat om schending van de redelijke termijn. In die zaken zou door de Procureur-Generaal zijn voorgesteld om te komen tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Die zaken waren door het hof in hoger beroep afgedaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. De verdediging heeft, gelet daarop, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.

Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg fors is overschreden. Met betrekking tot de behandeling in eerste aanleg is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar. In hoger beroep heeft de verdediging weliswaar verzocht om een handschriftonderzoek en het doen horen van een aantal getuigen, doch hiermee kan de behandelingsduur in hoger beroep van ruim vier jaar zeker niet uitsluitend worden verklaard. Gelet hierop oordeelt het hof dat ook met betrekking tot de behandeling in tweede aanleg de redelijke termijn is overschreden, te weten met twee jaar.

Dat er in de onderhavige zaak sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn staat naar het oordeel van het hof, op grond van het voorgaande, dan ook vast. Conform vaste jurisprudentie leidt deze schending echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De Hoge Raad heeft in 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP5361) nog geoordeeld geen aanleiding te zien om deze vuistregel aan te passen, nu dit het resultaat is van een langer durende rechtsontwikkeling en het derhalve een zekere duurzaamheid moet hebben. Het hof volgt de verdediging dan ook niet en acht het openbaar ministerie derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Ook overigens zijn bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat de belangen van verdachte zijn geschaad en die tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden moeten leiden.

Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn verdisconteerd dient te worden in een eventueel aan verdachte op te leggen straf.

Vrijspraak van feit 4

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, al dan niet samen met anderen, een bedrag van $30.000,00 heeft geheeld. De verklaring van de getuige 1, inhoudende dat hij het desbetreffende geldbedrag in het postkantoor van verdachte heeft gewisseld, dat verdachte hem toen niet heeft gevraagd om een legitimatiebewijs en hem geen bewijs van het wisselen heeft gegeven, acht het hof onvoldoende voor een bewezenverklaring van (het medeplegen) van de heling van dat geldbedrag. Ook de voor verdachte belastende verklaringen van de getuige 2 en de medeverdachte acht het hof onvoldoende specifiek naar tijd en handeling dat daaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid.

Nu het hof, anders dan de rechtbank, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Feit 1-3

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit. Daartoe is allereerst aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het contante geld dat via money transfers is overgemaakt een legale herkomst heeft. Verdachte ging uit van en mocht er ook van uit gaan dat het geld van medeverdachte afkomstig was uit de voetballerij (het hof begrijpt: zijn inkomsten als profvoetballer) en hij daardoor over dergelijke contante geldbedragen kon beschikken. Deze verklaring van verdachte is niet zo onwaarschijnlijk dat zij zonder meer als onaannemelijk moet worden beschouwd.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat de ontvangers van de money transfers op enigerlei wijze zijn te linken aan verdachte. Het is veel meer aannemelijk dat verdachte enkel als doorgeefluik heeft gefungeerd om contant (teken)geld, dat medeverdachte had verdiend met voetballen, buiten Europa te brengen.

Eveneens is het feit dat verdachte in het verleden reeds vaker uit naam van medeverdachte money transfers heeft uitgevoerd een verankering van het door verdachte geschetste scenario. Ook toen werd voor de transacties, met medeweten en goedkeuring van medeverdachte, niet alleen diens naam, maar ook diens handtekening gebruikt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feit 1: money transfers

In het dossier bevinden zich doorslagen van 413 money transfers, waarvan het totaal van de overgemaakte bedragen per dag overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Van deze money transfers staan er 410 op naam van medeverdachte en drie op naam van getuige 3.

Verdachte heeft met betrekking tot laatstgenoemde money transfers ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij handtekeningen op naam van getuige 3 heeft gezet. Anders dan de rechtbank, zal het hof verdachte, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, vrijspreken van het witwassen door middel van drie money transfers op naam van getuige 3 (twee keer €10.000,00 op 20 februari 2003 en één keer €2.500,00 op 27 februari 2003). De verklaring van getuige 3 dat er ten behoeve van het lidmaatschapspasje voor de videotheek van verdachte een kopie van haar identiteitsbewijs is gemaakt acht het hof onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De vraag is of verdachte, die heeft verklaard de voormelde 410 money transfers op naam van medeverdachte te hebben verricht, wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van dit onderdeel van het feit stelt het hof het volgende voorop. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat – zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd – de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring van de verdachte dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal ook het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 27 september 2010 bekend dat hij de ten laste gelegde money transfers heeft verricht op naam van medeverdachte en daarbij diens paspoort heeft gebruikt. Ook ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2014 heeft verdachte verklaard dat hij de money transfers, zoals ten laste gelegd, heeft gedaan. Het aantal money transfers, te weten 410, in combinatie met de periode waarin deze zijn gedaan, te weten circa vier maanden, en de forse geldbedragen die daarmee gemoeid waren, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een vermoeden van witwassen.

Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van medeverdachte heeft ontvangen en dat hij dacht dat dit met profvoetbal verdiend geld was. Daarmee heeft dit geld een legale herkomst, aldus de verdediging.

Het hof acht de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld niet aannemelijk geworden, nu uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte nooit geldbedragen ter hoogte van ruim 2,3 miljoen euro (netto) beschikbaar heeft gehad (in of omstreeks de ten laste gelegde periode) dan wel dergelijke geldbedragen heeft verdiend tijdens zijn voetbalcarrière. Voorts bevinden zich in het dossier geen aanknopingspunten dat medeverdachte degene is geweest die aan verdachte de ten laste gelegde geldbedragen heeft gegeven. medeverdachte heeft daaromtrent verklaard dat hij verdachte in de ten laste gelegde periode geld noch toestemming voor de money transfers heeft gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat de geldbedragen die verdachte heeft gebruikt ten behoeve van de money transfers niet van medeverdachte afkomstig waren.

Het hof neemt voorts in aanmerking de verklaringen van de getuigen getuige 4 en getuige 5, medewerksters van het postagentschap van verdachte. Zij hebben verklaard dat verdachte in de ten laste gelegde periode money transfers heeft verricht zonder dat er mensen aan de balie stonden. getuige 5 heeft verklaard dat er dagen bij waren dat verdachte op deze wijze wel 7 à 8 money transfers verrichtte, dat hij dit met grote regelmaat deed en het computerscherm op een ander scherm zette als zij in de buurt kwam.

Gelet op de omstandigheden:

  • dat er in de ten laste gelegde periode nagenoeg steeds veel geld werd overgemaakt op naam van één afzender naar verschillende ontvangers in overwegend één land;
  • dat het totaalbedrag ongewoon groot is, volgens de directeur van Western Union Financial Services;
  • dat van een aantal money transfers niet alleen de doorslagen zijn aangetroffen maar ook de originelen die aan de klant verstrekt dienen te worden;

in combinatie met de omstandigheid dat er geen legale (economische) verklaring is gegeven voor het overmaken van grote hoeveelheden contante bedragen middels money transfers, en bij gebrek aan een aannemelijke verklaring van verdachte omtrent de herkomst van het geld, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld voor de money transfers uit misdrijf afkomstig is. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte dit, gelet op de wijze waarop hij het geld heeft overgemaakt, ook geweten.

Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van witwassen.

Gelet op de hoeveelheid money transfers (410 stuks) die verdachte gedurende een langere tijd heeft verricht, heeft verdachte naar het oordeel van het hof van het witwassen middels money transfers een gewoonte gemaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch uit het procesdossier is af te leiden dat verdachte de money transfers heeft gedaan in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Van medeplegen is derhalve geen sprake. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Feit 1: wisseltransacties

In het dossier bevinden zich overzichtslijsten van wisseltransacties van Britse ponden naar euro’s, waarvan het totaalbedrag aan Britse ponden per dag overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Al deze wisseltransacties zijn uitgevoerd in het postagentschap waarvan verdachte in de ten laste gelegde periode de filiaalhouder/beheerder was.

De getuige 4, medewerkster van het postagentschap van verdachte in de ten laste gelegde periode, heeft verklaard dat zij verdachte wel eens met een tas de zogeheten waardekamer in heeft zien gaan en vervolgens de geldtelmachine hoorde ratelen, of dat verdachte haar vervolgens vroeg om Engelse ponden te tellen. Deze verklaring wordt onder meer bevestigd door de verklaring van de getuige 5, die toen eveneens werkzaam was bij het postagentschap. Daarnaast heeft getuige 5 verklaard dat verdachte zelf regelmatig grote bedragen aan vreemde valuta wisselde in het kantoor. Hij maakte dan zelf de formulieren op en er was dan geen sprake van klanten waarvoor hij dat geld wisselde. Het ging daarbij voornamelijk om Engelse ponden, volgens de getuige. Op het einde van de dag moesten de medewerkers van het postagentschap de kas opmaken. Zij hebben daarbij regelmatig Britse ponden geteld. De benodigde formulieren waren door verdachte opgemaakt. Het vreemde geld was door verdachte zelf meegebracht, aldus de getuige 5.

Verdachte heeft hieromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij wel eens aan medewerkers van zijn postagentschap de opdracht gaf om geld te tellen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte desgevraagd verklaard dat de aangetroffen plastic draagtas van de Lidl met daarin een grote hoeveelheid Engelse ponden zijn eigendom was.

Uit onderzoek is gebleken dat regelmatig onjuiste formulieren zijn gebruikt bij het wisselen van Engelse ponden en dat formulieren die aan klanten meegegeven hadden moeten worden in de administratie van het postagentschap zijn aangetroffen. De getuige 6, destijds security manager bij TPG Post, heeft verklaard dat de werkwijze van verdachte met betrekking tot de wisseltransacties niet conform de richtlijnen van Postkantoren B.V. is en dat die richtlijnen verdachte bekend zijn middels handboeken zoals de Handleiding postagentschappen en via een blad genaamd Balienieuws. In dat verband heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij gekwalificeerd houder/beheerder van het postagentschap was. Ook blijkens dossierpagina 3552 was verdachte op de hoogte van de geldende richtlijnen aangaande handelingen die in het postagentschap gebeuren.

Met de rechtbank heeft het hof vastgesteld dat er op één dag veel verschillende wisseltransacties werden uitgevoerd in één valuta, te weten Britse ponden. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de herkomst van dit geld. Ook ontbreekt een legale (economische) verklaring voor het wisselen van grote contante bedragen. Doordat verdachte het geld telkens wisselde in hoeveelheden beneden de €1.000,00 hoefde hij op grond van de interne richtlijnen van de Postbank de identiteit van de klant en de herkomst van het geld niet kenbaar te maken of te onderzoeken.

Overigens heeft verdachte tegenover medewerkster getuige 5, toen zij naar de herkomst van het geld vroeg, verklaard dat hij een ‘band’ had in Engeland en een grenswisselkantoor in Duitsland. Tegen medewerkster getuige 4 heeft verdachte verteld dat hij een grenswisselkantoor in Berlijn en een artiestenbureautje had. Verdachte heeft tegenover de politie echter verklaard dat hij het artiestenbureau tot 1992 heeft gehad. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van de verdenkingen alleen de videotheek en het postagentschap in Breda had. Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee naar zijn medewerkers toe niet naar waarheid heeft verklaard over de daadwerkelijke herkomst van het geld en dit, ook voor hen, heeft willen verhullen.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de Britse ponden die zijn gebruikt voor de wisseltransacties uit misdrijf afkomstig zijn. Gezien de door verdachte gehanteerde werkwijze, kan voorts worden vastgesteld dat verdachte ook wist dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Gelet op de hoeveelheid wisseltransacties die verdachte per dag heeft verricht en het aantal dagen waarop hij een dergelijke hoeveelheid wisseltransacties heeft verricht, heeft verdachte naar het oordeel van het hof van het witwassen middels die transacties een gewoonte gemaakt. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch uit het procesdossier is af te leiden dat verdachte de geldwisseltransacties heeft verricht in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Van medeplegen is derhalve geen sprake. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Feit 2

Omtrent het ondertekenen van de aangetroffen money transferformulieren heeft verdachte op 1 oktober 2003 in de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank verklaard dat hij zijn paraaf (het hof begrijpt: de handtekening van medeverdachte) heeft gebruikt. Verdachte heeft vervolgens op 9 oktober 2003, tijdens zijn achtste verhoor, waarin hem is voorgehouden dat medeverdachte heeft verklaard dat de handtekeningen op 27 money transfers van 7 juni 2003 niet van hem, medeverdachte, zijn, verklaard dat hij, verdachte, degene is geweest die de voor de money transfer benodigde formulieren namens medeverdachte heeft opgemaakt en de handtekeningen van medeverdachte op die money transferformulieren heeft gezet. Het hof houdt verdachte aan deze twee verklaringen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen aanknopingspunten voortgekomen, die moeten leiden tot een ander oordeel.

Doordat verdachte in strijd met de waarheid, zoals voortvloeit uit de bewezenverklaring van feit 1, de naam van medeverdachte als zijnde de opdrachtgever op de formulieren heeft gezet alsmede de handtekening van medeverdachte op de formulieren heeft gezet, heeft verdachte de money transferformulieren valselijk opgemaakt. Met de rechtbank, acht het hof het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen in dier voege dat verdachte dit feit als pleger heeft begaan. Het hof heeft onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen voor het ten laste gelegde medeplegen. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen.

Feit 3

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van dit feit eveneens het juridisch kader geldt zoals weergegeven bij feit 1: money transfers, onder het kopje ‘beoordelingskader’.

Op 22 september 2003 is een doorzoeking verricht in een beveiligde ruimte van het postagentschap te Breda waarvan verdachte destijds filiaalhouder/beheerder was. In deze beveiligde ruimte stond een grote kluis met daarop een groot aantal videobanden opgestapeld. Achter deze stapel videobanden lag, aan het oog onttrokken, een plastic draagtas van Lidl. In deze opgevouwen draagtas bevonden zich 22 bundels bankbiljetten van Britse ponden, tot een totaalbedrag van 36.910,00 Britse ponden.

De getuige 6, destijds security coördinator bij TPG Post, heeft verklaard dat de aangetroffen Britse ponden geen deel uitmaakten van de kas van het postagentschap.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van het hof reeds een vermoeden van witwassen.

Gevraagd naar de herkomst van het geld, heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de Lidl-tas zijn eigendom was. Verdachte heeft voorts verklaard – bij gelegenheid van zijn vierde verhoor, d.d. 24 september 2004 – dat het in die plastic tas aangetroffen geldbedrag in Britse ponden afkomstig was van een lening van getuige 7 aan hem. Verdachte heeft €90.000,00 van getuige 7 ontvangen, bestaande uit €40.000,00 (opgegaan aan speculeren en gokken) en 40.000,00 Britse ponden. getuige 7 heeft daaromtrent echter verklaard dat hij alleen een bedrag in euro’s aan verdachte heeft geleend en nooit Britse ponden aan verdachte heeft verstrekt.

Met de rechtbank heeft het hof geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Verdachte heeft daarmee geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat er onder de genoemde omstandigheden, op de genoemde (verborgen) plaats een groot geldbedrag in Britse ponden is aangetroffen, terwijl getuige 7 hem alleen een bedrag in euro’s zou hebben geleend. De verklaring van verdachte acht het hof ongeloofwaardig.

Op grond van het bovenstaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de aangetroffen Britse ponden van misdrijf afkomstig zijn. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van witwassen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  1. gewoontewitwassen
  2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  3. witwassen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 308 dagen, waarvan 270 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf voor de duur van 200 uren en verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 36.910,00 Britse ponden en € 204.100,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OVAR: ten laste gelegde kan weliswaar bewezen worden verklaard, maar niet als witwassen worden gekwalificeerd en levert geen strafbaar feit op

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8157

Procesgang

De rechtbank Leeuwarden heeft verdachte op 13 juli 2010 vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en veroordeeld voor het onder 4 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift meermalen gepleegd en het onder 5 ten laste gelegde gewoontewitwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Verdachte heeft tegen voornoemd vonnis - beperkt tot de veroordeling terzake van de feiten 4 en 5 - hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Leeuwarden heeft, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, het onder 4 en 5 ten laste gelegde bij arrest van 14 juli 2012 bewezen verklaard en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld gelast.

Namens verdachte is op 21 juni 2012 beroep in cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest.

De Hoge Raad heeft op 7 januari 2014 het arrest van het hof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen terzake van het onder 5 ten laste gelegde gewoontewitwassen en de strafoplegging. De Hoge Raad heeft de zaak daartoe teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en het beroep voor het overige verworpen.

Beoordeling hof

Aan verdachte is – voor zover voor dit hoger beroep van belang – onder feit 5 ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 2 december 2009 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen een voorwerp, te weten telkens een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer € 401.434,- verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer € 401.434,- gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Overwegingen ten aanzien van feit 5

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij verschillende keren ten behoeve van de bouwlocatie bedragen heeft klaargezet om deze door de Rabobank, nadat deze de gelden van het bouwdepot daarvoor had vrijgegeven, te doen overmaken op de bankrekening van het bedrijf van naam. De Rabobank heeft deze gelden vrijgegeven op basis van de door verdachte aan de Rabobank geleverde facturen. Uit de bewezenverklaring van feit 4 volgt dat het hier om valse facturen gaat.

Naar het oordeel van het hof is aldus sprake van het overdragen van geld waarvan verdachte wist dat het van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft de Rabobank opdracht gegeven de gelden uit het bouwdepot te voldoen en over te maken naar de bankrekening van het bedrijf van naam.

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte in strafrechtelijk relevante zin betrokken is geweest bij meer of andere gedragingen met betrekking tot van valsheid in geschrift afkomstige geldbedragen. In het bijzonder betreft dit de overmakingen vanuit het bedrijf nu niet blijkt dat verdachte juridisch verantwoordelijk was voor die overmakingen en hij zelf heeft verklaard dat hij geen betrokkenheid bij die overmakingen heeft gehad en enig ander bewijs ontbreekt.

Bewezenverklaring

Het hof acht onder feit 5 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 2 december 2009 te [plaats] van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, meermalen een voorwerp, te weten telkens een hoeveelheid geld, overgedragen , terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Strafbaarheid

Verdachte heeft de Rabobank opdracht gegeven de gelden uit het bouwdepot te voldoen en over te maken naar de bankrekening van het bedrijf van naam. De gelden zijn - nadat verdachte de valse facturen daartoe vervolgens aan de Rabobank had aangeboden - uit het bouwdepot voldaan, zonder dat verdachte nog enige (andere) handeling - in het bijzonder gericht op het verhullen of verbergen van de criminele herkomst van de gelden - heeft verricht. Het witwassen is daarmee zo nauw verbonden met de door verdachte gepleegde valsheid in geschrift, dat moet worden vastgesteld dat het overdragen van de van misdrijf (valsheid in geschrift) afkomstige voorwerpen plaatsvindt onder zodanige omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden krijgt, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.

Het bewezen verklaarde kan hierom niet als witwassen worden gekwalificeerd en levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

FIOD hoort accountants voor niet of te laat melden ongebruikelijke transacties

Deze week hoort de FIOD in samenwerking met de politie een aantal verdachten voor het niet-melden, of te laat melden van ongebruikelijke transacties op grond van de WWFT. Het gaat om accountants, een notaris, twee verdachten werkzaam bij twee verschillende administratiekantoren en een handelaar in horloges.

Behalve bovenstaande verhoren vindt op 8 december a.s. een tweede themazitting bij de rechtbank in Den Haag plaats waarop een aantal eerder gehoorde niet-melders zich voor de rechter moeten verantwoorden.

Project Niet-Melders

Alle onderzoeken zijn onderdeel van het Niet-Melders project, een gezamenlijk project van het Anti Money Laundering Centre (AMLC) van de FIOD, de landelijke eenheid van de nationale politie, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), het Bureau Financieel Toezicht (BFT), Belastingdienst Holland Midden/Bureau Toezicht Wwft, De Nederlandse Bank (DNB) en het Openbaar Ministerie (OM).

Het project wil het naleefgedrag van de regels van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) verbeteren. Het niet naleven van de regels werkt ondermijnend en concurrentievervalsend. Doelstelling van de witwasbestrijding is de bescherming van de financiële markt. Onderdeel van de witwasaanpak is de meldingsplicht van instellingen genoemd in de WWFT. Deze zogenoemde poortwachters zijn onmisbaar in de aanpak van witwassen en daarom is het van belang dat zij hun verplichtingen in het kader van de WWFT nakomen. Daarom pakt de overheid dit aan.

Resultaten

Ieder half jaar worden in het kader van het project Niet-Melders een aantal zaken opgepakt binnen een projectmatige aanpak. Doel hiervan is om, naast de specifieke zaak op de juiste wijze afdoen, te bewerkstelligen dat de branche als zodanig beter aan zijn verplichtingen in het kader van witwasbestrijding voldoet. De aanpak is tot op heden succesvol gebleken . Dat geldt niet alleen voor de zaken die binnen het project worden opgepakt maar ook omdat het project heeft geleid tot betere samenwerking in de keten van meldingsplichtigen, toezichthouders, FIU, politie en justitie. De aanpak in het project bestaat voor een belangrijk deel ook uit voorlichting, zowel door de brancheverenigingen als door FIU en toezichthouders. Daarnaast zullen de toezichthouders ook aanpalende administratieve controles op deze WWFT verplichtingen toespitsen. De aanpak heeft inmiddels ook geleid tot significant meer en betere meldingen van ongebruikelijke transacties bij de FIU. Tot nu toe zijn in het kader van de aanpak zo’n 60 signalen opgepakt voor opsporing en vervolging en zijn de eerste veroordelingen uitgesproken. In ongeveer 10% van deze signalen heeft dit inmiddels geleid tot nader strafrechtelijk onderzoek naar onder meer witwassen.

Ongebruikelijke transacties

Wanneer de FIU meldingen krijgt van ongebruikelijke transacties door bijvoorbeeld banken, andere financiële instellingen, notarissen, accountants of belastingadviseurs, beoordeelt de FIU of de ongebruikelijke transactie verdacht is. Indien de transactie als ‘verdacht’ wordt aangemerkt dan kan die onderzocht worden door een opsporingsinstantie of een veiligheidsdienst.

Aanpak witwassen prioriteit

De aanpak van witwassen heeft prioriteit bij de overheid, omdat het van groot belang is voor de effectieve bestrijding van allerlei vormen van ernstige criminaliteit. Het versluieren van de criminele herkomst van opbrengsten van misdrijven stelt daders van deze misdrijven in staat om buiten het bereik van de opsporingsinstanties te blijven en ongestoord van het vergaarde vermogen te genieten. Het AMLC is per 1 september 2013 speciaal in het leven geroepen voor de bestrijding van witwassen. Het AMLC is een centrum op het gebied van witwassen en werkt nauw samen met andere organisaties zoals de FIU, politie en het FP.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

Money laundering prevention guide: a global first for lawyers

A new guide aiming to provide lawyers across the world with practical guidance in detecting and preventing money laundering has been produced by the International Bar Association (IBA) in conjunction with the American Bar Association (ABA) and the Council of Bars and Law Societies of Europe (CCBE).

A Lawyer’s Guide to Detecting and Preventing Money Laundering addresses the responsibilities of lawyers in many jurisdictions in this area and, as such, is the first of its kind. It focuses on the legal obligations lawyers have in various situations in terms of their own compliance with anti-money laundering (AML) laws and illustrates the latest detection techniques being employed by lawyers to avoid involvement in money laundering. In addition, the Guide provides thought-provoking commentary on the underlying ethical obligations that lawyers have – for example, being alert to finding themselves involved in criminal activity and taking care to avoid facilitating the work of criminals.

Demand for the guide was driven by feedback from lawyers at IBA, ABA and CCBE conferences in recent years, which called for practical guidance based on case studies of the ‘unwitting’ participation of lawyers in money laundering schemes. The resulting Guide is intended as a resource for lawyers and law firms to highlight the ethical and professional concerns relating to AML and to help lawyers and law firms comply with their legal obligations in countries where they apply. It comprises:

  • a summary of certain international and national sources of AML obligations;
  • discussion of the vulnerabilities of the legal profession to misuse by criminals in the context of money laundering;
  • discussion of the risk-based approach to detecting red flags, red flag indicators of money laundering activities and how to respond to them; and
  • case studies to illustrate how red flags may arise in the context of providing legal advice.

Click here to download the Guide.

Print Friendly and PDF ^

HR haalt streep door het vervolgen van Hawala-bankieren als witwassen

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044

Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 15 februari 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden wegens 1 primair medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken en 3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De verdachte maakte deel uit van een groep personen die vanuit een wasserette in Amsterdam op grote schaal “ondergrondse” geldtransacties heeft uitgevoerd. Naast de verdachte behoorden onder meer medeverdachte 1 en medeverdachte 2 (de vennoten van de wasserette) en medeverdachte 3 (een werknemer van de wasserette) tot deze groep. De leden van de groep hebben stelselmatig grote contante geldbedragen geleverd aan derden, terwijl niet is gebleken dat door de personen die deze geldbedragen van hen ontvingen jegens hen tegenprestaties zijn verricht. De (in Pakistan geboren) verdachte en andere leden van de groep hebben telefonisch overleg met personen met een Pakistaans telefoonnummer over het leveren van geldbedragen aan derden. Bij de geldtransacties zijn zogenaamde “tokennummers” gebruikt als betalingsbewijzen. Deze wijze van geldlevering kan worden aangeduid als ‘hawala-bankieren’. Dit betreft een onder andere in de Pakistaanse gemeenschap gehanteerd systeem van ondergronds bankieren, dat wordt gebruikt voor het overdragen van geldbedragen tussen personen in Nederland en personen in het buitenland. Daarbij worden contante bedragen in een bepaalde valuta bij een buitenlandse ‘bankier’ ingeleverd teneinde in een andere valuta door een andere ‘bankier’ in een ander land aan de begunstigde te worden uitgekeerd. De inschuld die zodoende ontstaat bij de uitkerende ‘bankier’ wordt niet voldaan door fysiek transport van gelden, maar door onderlinge verrekening tussen de ‘bankiers’. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten opgetreden als een dergelijke ‘bankier’.

De rol van de verdachte bestond hieruit dat hij fungeerde als geldkoerier en in opdracht van medeverdachte 1 transacties verrichtte, terwijl hij voor medeverdachte 1 aanzienlijke geldbedragen in bewaring heeft gehad. De verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam zijn door beroeps- of bedrijfsmatig voor derden geldtransacties uit te voeren (feit 2), aangezien de gedragingen van de verdachte hebben plaatsgevonden na 1 november 2009 en deze derhalve niet kunnen worden aangemerkt als geldtransacties in de zin van de Wet inzake de geldtransactiekantoren maar moeten worden beschouwd als een betaaldienst in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Voorts is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 1) en deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met witwassen (feit 3).

De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat de feiten 2 en 3 bewezen kunnen worden verklaard maar dat de verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het hof moet kritisch kijken naar de transacties waarbij geen geld in beslag is genomen. In die gevallen zijn er voor een bewezenverklaring aanvullende feiten en omstandigheden nodig. Bovendien wordt ondergronds bankieren in sommige culturen als “iets reguliers” gezien, aldus de raadsman.

Het hof heeft onder “nadere bewijsoverweging” onder meer het volgende overwogen:

“Bij zijn oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachten, in georganiseerd verband als ondergronds bankier hebben gefungeerd, heeft het hof allereerst acht geslagen op de verklaring van [betrokkene 1] van 25 maart 2011 (zaakdossier IA, rubriek 2, deel 1, p. 126-132). In deze verklaring geeft [betrokkene 1] in de kern een omschrijving van wat hiervoor als ondergronds bankieren is beschreven. Hij verklaart voorts dat hij in 2010 meerdere malen bij de wasserette in de [a-straat 1], waarvan [medeverdachte 2] 'chef’ was, is geweest met twee ondergrondse bankiers uit Pakistan, genaamd [betrokkene 2] en [betrokkene 2]. Deze [betrokkene 2] en [betrokkene 2] spraken bij deze bezoeken met [medeverdachte 2] of, in diens afwezigheid, met [medeverdachte 1]. Het doel van deze bezoeken was geld 'dealen', aldus [betrokkene 1] (p. 128, 129).

Voorts heeft het hof acht geslagen op twee geldtransacties waarbij leden van de bewezen verklaarde criminele organisatie betrokken waren en waarbij door de politie de geleverde geldbedragen zijn onderschept, te weten een (aan de verdachte ten laste gelegde) geldtransactie op 27 oktober 2010 en een transactie op 8 november 2010. Bij eerstgenoemde transactie is de verdachte rechtstreeks betrokken geweest. Bij de transactie op 8 november 2010 is dit niet het geval, maar hierbij is wel de medeverdachte (en lid van de bewezenverklaarde criminele organisatie) [medeverdachte 1] betrokken. Nu bij deze transactie een werkwijze met tokennummers (waarop het hof hierna nog ingaat) is gehanteerd, die ook door de verdachte is gehanteerd, acht het hof deze transactie niettemin redengevend. (…)

Van misdrijf afkomstig

Zoals reeds overwogen, heeft de verdachte, tezamen met zijn medeverdachten, stelselmatig geldtransacties verricht, in die zin dat in samenspraak met personen in het buitenland die kunnen worden aangemerkt ondergronds bankiers aldaar, door hen (onder meer) de onder 1 bewezen verklaarde geldbedragen in Nederland werden verstrekt aan derden, zonder dat deze derden jegens de verdachte en zijn medeverdachten tegenprestaties verrichtten in relatie tot deze bedragen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben naar 's hofs oordeel aldus opzettelijk zonder vergunning het bedrijf van betalingsdienstverlener uitgeoefend, hetgeen een misdrijf oplevert. De geldbedragen die de verdachte en zijn medeverdachten in het kader van dit uitoefenen hebben verworven, voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen zijn daarmee van misdrijf afkomstig.

Overigens aangetroffen geld

In de woning van de verdachte zijn verschillende contante geldbedragen van in totaal € 94.900,00 aangetroffen. Gelet op de hoogte van dit geldbedrag, en de vele geldtransacties waarbij de verdachte betrokken is geweest, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad in de uitoefening van ondergronds bankieren.

Criminele organisatie

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en de overige in de bewezenverklaring genoemde personen - zich centrerend rond de wasserette aan de [a-straat 1] te Amsterdam -, gericht op het (gewoonte)witwassen van geldbedragen, en dat de verdachte daaraan opzettelijk heeft bijgedragen. In voornoemde wasserette is een contant geldbedrag van € 50.000,00 aangetroffen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren beiden vennoten van voornoemde wasserette en kunnen, tezamen met [medeverdachte 3] (gewezen werknemer van de wasserette en schoonzoon van [medeverdachte 2]), worden beschouwd als bestuurders van de organisatie. Met name deze personen hadden contact met Pakistaanse bankiers en stuurden geldkoeriers als de verdachte aan. In de woning van [medeverdachte 1] is voorts een contant geldbedrag van € 100.000,00 aangetroffen. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] waren in de wasserette werkzaam. Zij hadden een ondergeschikte rol binnen de organisatie. [medeverdachte 5] hield in zijn woning administratie die zag op het ondergronds bankieren en [medeverdachte 6] had telefoons onder zich die daarbij gebruikt werden. Voorts heeft [medeverdachte 5] hand- en spandiensten verricht voor de organisatie en is in de woning van [medeverdachte 6] is een groot contant geldbedrag aangetroffen. [medeverdachte 4], eveneens voormalig werknemer van de wasserette, heeft een telefoon en administratie die verband hielden met het ondergronds bankieren in zijn woning gehouden. De deelneming van de verdachte bij de criminele organisatie heeft bestaan uit zijn betrokkenheid bij de onder feit 1 bewezen verklaarde transacties, en voorts is, zoals gezegd, in zijn woning een contant geldbedrag van € 94.900,00 aangetroffen.”

Voorts heeft het hof onder “strafbaarheid van het bewezen verklaarde” het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van (in totaal) € 94.900,00, overweegt het hof nog als volgt. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg omtrent dit bedrag verklaard dat hij het geld van [medeverdachte 1] heeft gekregen. Mede gelet op de hiervoor geduide rolverdeling binnen de criminele organisatie, waarbij [medeverdachte 1] als bestuurder wordt aangemerkt, is aan te nemen dat dit geldbedrag door [medeverdachte 1] aan de verdachte in bewaring is geven teneinde deze weg te houden uit de wasserette in de [a-straat 1] van waaruit hoofdzakelijk de betalingsdiensten werden uitgevoerd, zodat een verband tussen de geldbedragen en deze diensten werd verhuld. De verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze geldbedragen zodoende de misdadige herkomst daarvan verhuld. In zoverre kan dit handelen van de verdachte dan ook worden aangemerkt als strekkende tot uitvoering van het hem ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Er is, mede hierop gelet, geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”

Het beroep in cassatie is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.S. Nan bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die verdachte en zijn mededaders in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning hebben verworven en/of voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen "daarmee" van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestandsdelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van de art. 420bis en 420quarter Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot gelden.

Voor zover het middel hierover beoogt te klagen, is het terecht voorgesteld.

Conclusie AG: anders

De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van art. 420bis Sr staan er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de verdachte die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de in die bepaling nader omschreven kwalificatie witwassen rechtvaardigt. Indien vaststaat dat het enkele verwerven en/of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zodanig geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat aannemelijk is dat de desbetreffende voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Voorts zien deze regels uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of het voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen bewezen is verklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op gevallen waarin het “overdragen”, het “gebruik maken” en/of het “omzetten” van zulke voorwerpen, in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr aan die begrippen toekomt, bewezen is verklaard. Niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat het “overdragen”, het “gebruik maken” of het “omzetten” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Volgens de Hoge Raad moet immers worden voorkomen dat de hiervoor weergegeven regels worden omzeild enkel door het ten laste leggen en bewezen verklaren van een andere delictsgedraging dan “verwerven” of “voorhanden hebben”. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, er sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hiervoor omschreven zin.

In de hiervoor weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen, die de verdachte en zijn medeverdachten hebben verworven, voorhanden gehad en overgedragen, afkomstig zijn uit een door de verdachte en zijn medeverdachten zelf begaan misdrijf, te weten het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. In hoger beroep is door of namens de verdachte niet aangevoerd dat deze geldbedragen niet afkomstig zouden zijn van een misdrijf. De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2013 in dit verband slechts, zonder nadere onderbouwing, opgemerkt dat ondergronds bankieren in sommige culturen als “iets reguliers” wordt gezien. Nu het oordeel van het hof betreffende de herkomst van de geldbedragen door de steller van het middel in de onderhavige zaak niet wordt bestreden, dient er in cassatie van te worden uitgegaan dat de geldbedragen uit (eigen) misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam zijn door beroeps- of bedrijfsmatig voor derden geldtransacties uit te voeren (feit 2), maakt dat niet anders.

Gelet op het ontbreken van een verweer in hoger beroep en een klacht in cassatie op dit punt, behoeft de vraag of ondergronds bankieren als zodanig meebrengt dat sprake is van het witwassen van de in dat verband verstrekte geldbedragen geen beantwoording. Ik merk hierover terzijde nog op dat deze vraag wel in de feitenrechtspraak aan de orde is gekomen. Voor een nadere uiteenzetting hieromtrent verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak tegen de medeverdachte (nr. 13/02041).

Zoals blijkt uit de toelichting, steunt het middel in de eerste plaats op de opvatting dat de rechtspraak van de Hoge Raad inzake witwassen, zoals hiervoor is vooropgesteld, niet alleen geldt voor het “voorhanden hebben” en het “verwerven” van voorwerpen die afkomstig zijn van door de verdachte zelf begane misdrijven, maar ook dient te gelden voor het “overdragen” van die voorwerpen.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, vindt deze opvatting evenwel geen steun in het recht. Daaruit volgt immers dat bedoelde regels van de Hoge Raad in beginsel geen betrekking hebben op een geval als het onderhavige, waarin (naast het “verwerven” en het “voorhanden hebben”) het “overdragen” van geldbedragen bewezen is verklaard. Bovendien is noch aangevoerd noch (anderszins) aannemelijk geworden dat er sprake zou zijn van een bijzonder geval zoals hiervoor bedoeld. Gelet op het voorgaande is het kennelijke oordeel van het hof, dat een dergelijk uitzonderingsgeval zich hier niet voordoet, niet onbegrijpelijk.

Voorts bevat het middel de klacht dat van het in de woning van de verdachte aangetroffen bedrag van in totaal € 94.900,- niet kan worden gezegd dat sprake is van het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

Deze klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte door het voorhanden hebben van het geldbedrag de misdadige herkomst daarvan heeft verhuld. Het hof heeft daartoe overwogen dat de medeverdachte 1 het geldbedrag aan de verdachte in bewaring heeft gegeven teneinde het geld weg te houden uit de wasserette, van waaruit de betaaldiensten werden uitgevoerd, zodat een verband tussen het geldbedrag en deze diensten werd verhuld.

Dit oordeel van het hof is niet begrijpelijk gemotiveerd. Uit de bewijsvoering kan ten aanzien van het voorhanden hebben van voornoemd geldbedrag in de woning van de verdachte niet worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. De omstandigheid dat de medeverdachte 1 het geld aan de verdachte in bewaring heeft gegeven is daarvoor onvoldoende. Die gedraging brengt bijvoorbeeld niet mee dat het geldbedrag daarmee in het economische verkeer is gebracht. Het middel klaagt daarover terecht.

Op grond van het navolgende behoeft dit evenwel niet tot cassatie te leiden. De bewezenverklaring van feit 1 houdt niet alleen in dat de verdachte samen met anderen “een geldbedrag van 9.900,- euro en 5.000,- euro en 35.000,- euro en 45.000,- op 30 november 2010 (woning [verdachte])” (een totaalbedrag van € 94.900,-) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook dat hij dit geldbedrag samen met anderen heeft overgedragen. Bovendien heeft het hof bij de kwalificatie van feit 1 kennelijk geen zelfstandige betekenis toegekend aan het voorhanden hebben (en het verwerven) van het geldbedrag van € 94.900,-. Zoals hiervoor is uiteengezet, behoeft ten aanzien van een bewezenverklaring en kwalificatie als in de onderhavige zaak aan de orde uit de motivering van het hof niet te volgen dat er sprake is van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag gericht karakter heeft. Nu evenmin is aangevoerd dat zich hier een bijzonder geval voordoet, zoals hiervoor onder 17 bedoeld, kan het middel niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: Oordeel Hof dat voorhanden hebben van geldbedragen witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op daadwerkelijk verbergen/verhullen van criminele herkomst

Hoge Raad 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2971

Verzoeker is bij arrest van 22 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens

  • 1. primair medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken,
  • 3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
  • 4. medeplegen van valsheid in geschrift en
  • 5. medeplegen van oplichting.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel dat de bewezenverklaring met betrekking tot de in feit 1 genoemde voorwerpen witwassen oplevert, ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat door verdachte en of de medeverdachten, zijn broers [verdachte] en [medeverdachte 1] over een lange periode en meerdere keren forse geldbedragen werden gestort of overgeboekt op rekeningen, terwijl de herkomst van die geldbedragen onverklaarbaar, niet traceerbaar en niet aannemelijk is geworden. In ieder geval ging het veelal om bedragen die volstrekt niet pasten bij de inkomenspositie van medeverdachte [medeverdachte 1]. Ook is geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] met regelmaat (hoge) - van verdachte afkomstige - bedragen stortte op zijn eigen RABO-bankrekening, waarna min of meer overeenkomstige bedragen werden doorgeboekt naar de rekening van [A]. Deze zaak stond vanaf 12 maart 2007 op naam van medeverdachte [verdachte]. Bovendien stortte medeverdachte [medeverdachte 1] in opdracht van verdachte ook al flinke sommen geld op de hierboven bedoelde rekening toen hij nog niet bij [A] werkte. Daarnaast hadden verdachte en zijn medeverdachten de beschikking over dure personenauto's, waarvan de aankoop kennelijk contant kon worden betaald. Verdachte zelf is accountant van beroep en was als het financiële brein nauw betrokken bij de financiële transacties, de aan- en verkoop van auto's die hebben plaatsgevonden en het financieel-administratief beheer van [A] en de Growshop. Uit dit samenstel van handelen blijkt volgens het hof van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. Alhoewel verdachte diverse financiële stukken heeft aangeleverd hebben hij en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring kunnen geven voor de vermogenstransacties en voor de bij de doorzoeking aangetroffen gelden. Op geen wijze zijn de verklaringen van verdachte voor de herkomst van het geld aannemelijk geworden. Juist voor iemand met de specifieke kennis op financieel gebied als verdachte is de wijze waarop de financiële transacties werden verricht en flinke bedragen aan contante gelden werden gestort en weer werden opgenomen, thuis bewaard en weer werden uitgegeven, verre van gebruikelijk en begrijpelijk te noemen. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dat dit handelen voortvloeide uit de criminele activiteiten zoals onder feit 3 ten laste zijn gelegd en hierna bewezen zullen worden verklaard en dat aldus de gelden en goederen uit misdrijf verkregen waren."

Uit de bewijsvoering van het Hof vloeit rechtstreeks voort dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit door de verdachte zelf begane misdrijven.

Het Hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Voor zover het middel opkomt tegen deze oordelen met betrekking tot de in de bewezenverklaring genoemde drie personenauto’s en het geldbedrag van €117.451,70 kan het middel niet tot cassatie leiden op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 25 en 26.

Het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van de geldbedragen van €20.000,- en €6.000,- witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan. Dat de genoemde geldbedragen, zoals uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, zijn aangetroffen in het huis van de verdachte in de binnenzak van een jas in de hal van de woning respectievelijk onder een kastje op de overloop, brengt niet mee dat de verdachte de criminele herkomst ervan heeft getracht te verbergen of te verhullen. Het middel slaagt in zoverre.

De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de verdachte alsnog vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging. Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

Conclusie AG

25. Ten aanzien van de drie personenauto’s kan uit de bewijsmiddelen (met name 2, 3 en 11), bezien in samenhang met ’s Hofs bewijsoverweging, worden afgeleid dat het Hof het oog heeft op het ‘omzetten’ in de zin van art. 420bis Sr. De uit eigen misdrijf verkregen inkomsten zijn voor een deel aangewend voor de aanschaf van twee BMW’s en een VW Passat. Aldus is dat deel van het misdaadgeld geïnvesteerd in de verkrijging van deze personenauto’s en is het uit de eigen criminele, onder feit 3 bewezenverklaarde, activiteiten verkregen voordeel belichaamd in de aanschaf van deze goederen. Dit is precies de omzettingshandeling waarop de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet tot ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven’ doelde. Ik meen dat in deze omzetting het verbergend of verhullend karakter besloten ligt, waarbij ik ’s Hofs overweging in aanmerking neem dat verzoeker en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld, en dat het Hof op dit onderdeel niet tot een nadere motivering gehouden was. In zoverre faalt het middel.

26. Met verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 19 heb opgemerkt, kom ik tot eenzelfde slotsom aangaande het in de bewezenverklaring van feit 1 primair genoemde geldbedrag van € 117.451,70. Ik begrijp de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van de bewijsoverweging van het Hof aldus, dat dit geldbedrag het totaal is dat verzoeker en zijn medeverdachten contant uit hun eigen drugshandel hebben verkregen en verbergend dan wel verhullend door stortingen op verschillende bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningnummers hebben overgedragen en/of omgezet. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof op basis van de door hem gebezigde bewijsmiddelen in zijn bewijsoverweging niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat sprake was van (i) stortingen op bepaalde bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningen zoals het rekeningnummer van [A], (ii) het op ongebruikelijke wijze flinke bedragen aan contante gelden storten en weer opnemen, thuis bewaren en weer uitgeven, en (iii) het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verzoeker en zijn medeverdachten voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld. Ook wat het totaalbedrag van € 117.451,70 betreft, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden en faalt het middel in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR over (schuld)witwassen van voorwerpen afkomstig uit enig door verdachte zelf begane misdrijven

Hoge Raad 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913

Verdachte is bij arrest van 28 februari 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens diefstal in vereniging door middel van braak en witwassen (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Meerdere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering te weten, meerdere bankafschriften, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000280 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de volgende bedragen zijn gestort: op 26 oktober 2009 € 800; op 6 november 2009 € 400; op 1 december 2009 € 450; op 3 december 2009 € 450,-.
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000282 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de volgende bedragen zijn gestort: op 29 december 2009 € 260; op 3 1 december 2009 € 210.
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000285 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat op 1 februari 2010 € 260 is gestort;
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000288 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de volgende bedragen zijn gestort: op 9 februari 2010 € 250; op 26 februari 2010 6 850.
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000289 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat op 30 maart 2010 € 140 is gestort;
  • Een afschrift van de Fortis Bank (Nederland) N.V van privérekening 0001 ten name van verdachte, pagina 04000297 van voornoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat op 31 augustus 2010 € 115,49 is gestort.

Het Hof heeft met betrekking tot een op het onder 3 tenlastegelegde gericht bewijsverweer het volgende overwogen en beslist:

"Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan op grond van doel en strekking van artikel 420bis tot en met 420quater van het Wetboek van Strafrecht en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voorts geldt dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een geldbedrag "uit enig misdrijf afkomstig is", indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof heeft, evenals de officier van justitie in de appelschriftuur en de advocaat-generaal in haar requisitoir, acht geslagen op de volgende omstandigheden.

• Uit de zich in het dossier bevindende kasopstelling blijkt dat er bij verdachte een bedrag van € 8.121,93 onverklaarbaar vermogen is. Dit bedrag kan niet worden verklaard uit legale inkomsten.

• Blijkens het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie is verdachte meermalen veroordeeld wegens vermogensdelicten.

• Het hof acht bewezen dat verdachte de hem onder 2 tenlastegelegde inbraak heeft gepleegd. Hierbij is weggenomen een geldbedrag van € 6.450.

• Uit tapgesprekken komen opvallende gegevens naar voren:

- de ex-vriendin van verdachte geeft signalen over illegale activiteiten van verdachte;

- verdachte wilde de rekening van zijn ex-vriendin gebruiken voor het afstorten van geld dat van die illegale activiteiten afkomstig zou kunnen zijn;

- verdachte onderhoudt regelmatig belcontacten met personen met criminele antecedenten.

Verdachte heeft bij de politie en in eerste aanleg een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. In hoger beroep is hij niet verschenen. Verdachte heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt hoe hij op (legale wijze) aan het vermogen is gekomen. Er is met geld geschoven op een manier die geschikt is de herkomst en de werkelijke bezitter daarvan aan de waarneming te onttrekken. Er is contant geld op de bank gestort en nadien weer contant opgenomen om vervolgens contant de huur te betalen, zodat die geldstroom weer uit het zicht is. De ondoorzichtigheid die daarvan het gevolg was bracht mee dat het geld zeer wel buiten het zicht van politie en justitie had kunnen blijven. Dat is witwassen.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit geld niet op legale wijze is verkregen, maar dat het geld -onmiddellijk of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig is. Hierbij overweegt het hof nog, dat het enkele gegeven dat verdachte gedurende een deel van de ten laste gelegde periode gedetineerd is geweest niet in de weg heeft hoeven staan aan het witwassen van bepaalde sommen geld."

Middel

Het middel, dat zich richt op de veroordeling wegens witwassen (feit 3), bevat twee klachten:

  1. als eerste de klacht dat de bewezenverklaring niet met voldoende redenen zou zijn omkleed omdat er onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen zijn aangewend met betrekking tot contante huurbetalingen aan de woningstichting A, die als witwassen zijn gekwalificeerd;
  2. vervolgens de klacht dat de bewezenverklaring van witwassen niet uit de bewijsmiddelen kan volgen omdat niet (alle) handelingen van verdachte met betrekking tot het geld, dat uit eigen misdrijf afkomstig zou zijn, gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dit geld althans van een gedeelte daarvan.

Beoordeling Hoge Raad

Wat betreft de stelling dat het handelen van de verdachte ten aanzien van de geldbedragen die hij op zijn bankrekening heeft gestort, niet gericht is geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan moet worden vooropgesteld dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302)

Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het "overdragen" en het "omzetten" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt - van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip "gebruik maken".

In het vorenstaande wordt gesproken over "in beginsel", omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven omschreven zin. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716)

Onderhavige kwestie

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven, voorhanden gehad hebben, overdragen of omzetten van voorwerpen - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven (vermogenscriminaliteit) ten aanzien waarvan het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Het Hof heeft vastgesteld dat verschillende geldbedragen contant op een (eigen) bankrekening zijn gestort, die bedragen nadien contant zijn opgenomen en vervolgens zijn aangewend voor betaling van de huur en het CJIB.

In die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als "omzetten" of "overdragen" in de betekenis van art. 420bis, eerste lid sub b, Sr, zal in de regel sprake zijn van een bijzonder geval als hiervoor onder 2.4. bedoeld, hetgeen meebrengt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

Uit de door het Hof gegeven motivering kan echter niet worden afgeleid dat ten aanzien van de onderhavige stortingen sprake is van gedragingen van de verdachte die (kennelijk) ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, zodat het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde als witwassen kan worden gekwalificeerd, in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast. De Hoge Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaring en bewijsvoering van het Hof onder meer kan worden afgeleid dat de verdachte, naast dit storten van contante geldbedragen op zijn eigen bankrekening, contante bedragen van die rekening heeft opgenomen en contante bedragen heeft gebruikt ten behoeve van bankbetalingen aan derden, een en ander in vergelijkbare omvang als de gedane stortingen.

Het middel faalt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^