Witwassen: Oordeel Hof dat voorhanden hebben van geldbedragen witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op daadwerkelijk verbergen/verhullen van criminele herkomst

Hoge Raad 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2971

Verzoeker is bij arrest van 22 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens

  • 1. primair medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken,
  • 3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
  • 4. medeplegen van valsheid in geschrift en
  • 5. medeplegen van oplichting.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel dat de bewezenverklaring met betrekking tot de in feit 1 genoemde voorwerpen witwassen oplevert, ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat door verdachte en of de medeverdachten, zijn broers [verdachte] en [medeverdachte 1] over een lange periode en meerdere keren forse geldbedragen werden gestort of overgeboekt op rekeningen, terwijl de herkomst van die geldbedragen onverklaarbaar, niet traceerbaar en niet aannemelijk is geworden. In ieder geval ging het veelal om bedragen die volstrekt niet pasten bij de inkomenspositie van medeverdachte [medeverdachte 1]. Ook is geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] met regelmaat (hoge) - van verdachte afkomstige - bedragen stortte op zijn eigen RABO-bankrekening, waarna min of meer overeenkomstige bedragen werden doorgeboekt naar de rekening van [A]. Deze zaak stond vanaf 12 maart 2007 op naam van medeverdachte [verdachte]. Bovendien stortte medeverdachte [medeverdachte 1] in opdracht van verdachte ook al flinke sommen geld op de hierboven bedoelde rekening toen hij nog niet bij [A] werkte. Daarnaast hadden verdachte en zijn medeverdachten de beschikking over dure personenauto's, waarvan de aankoop kennelijk contant kon worden betaald. Verdachte zelf is accountant van beroep en was als het financiële brein nauw betrokken bij de financiële transacties, de aan- en verkoop van auto's die hebben plaatsgevonden en het financieel-administratief beheer van [A] en de Growshop. Uit dit samenstel van handelen blijkt volgens het hof van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. Alhoewel verdachte diverse financiële stukken heeft aangeleverd hebben hij en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring kunnen geven voor de vermogenstransacties en voor de bij de doorzoeking aangetroffen gelden. Op geen wijze zijn de verklaringen van verdachte voor de herkomst van het geld aannemelijk geworden. Juist voor iemand met de specifieke kennis op financieel gebied als verdachte is de wijze waarop de financiële transacties werden verricht en flinke bedragen aan contante gelden werden gestort en weer werden opgenomen, thuis bewaard en weer werden uitgegeven, verre van gebruikelijk en begrijpelijk te noemen. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dat dit handelen voortvloeide uit de criminele activiteiten zoals onder feit 3 ten laste zijn gelegd en hierna bewezen zullen worden verklaard en dat aldus de gelden en goederen uit misdrijf verkregen waren."

Uit de bewijsvoering van het Hof vloeit rechtstreeks voort dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit door de verdachte zelf begane misdrijven.

Het Hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Voor zover het middel opkomt tegen deze oordelen met betrekking tot de in de bewezenverklaring genoemde drie personenauto’s en het geldbedrag van €117.451,70 kan het middel niet tot cassatie leiden op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 25 en 26.

Het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van de geldbedragen van €20.000,- en €6.000,- witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan. Dat de genoemde geldbedragen, zoals uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, zijn aangetroffen in het huis van de verdachte in de binnenzak van een jas in de hal van de woning respectievelijk onder een kastje op de overloop, brengt niet mee dat de verdachte de criminele herkomst ervan heeft getracht te verbergen of te verhullen. Het middel slaagt in zoverre.

De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de verdachte alsnog vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging. Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

Conclusie AG

25. Ten aanzien van de drie personenauto’s kan uit de bewijsmiddelen (met name 2, 3 en 11), bezien in samenhang met ’s Hofs bewijsoverweging, worden afgeleid dat het Hof het oog heeft op het ‘omzetten’ in de zin van art. 420bis Sr. De uit eigen misdrijf verkregen inkomsten zijn voor een deel aangewend voor de aanschaf van twee BMW’s en een VW Passat. Aldus is dat deel van het misdaadgeld geïnvesteerd in de verkrijging van deze personenauto’s en is het uit de eigen criminele, onder feit 3 bewezenverklaarde, activiteiten verkregen voordeel belichaamd in de aanschaf van deze goederen. Dit is precies de omzettingshandeling waarop de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet tot ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven’ doelde. Ik meen dat in deze omzetting het verbergend of verhullend karakter besloten ligt, waarbij ik ’s Hofs overweging in aanmerking neem dat verzoeker en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld, en dat het Hof op dit onderdeel niet tot een nadere motivering gehouden was. In zoverre faalt het middel.

26. Met verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 19 heb opgemerkt, kom ik tot eenzelfde slotsom aangaande het in de bewezenverklaring van feit 1 primair genoemde geldbedrag van € 117.451,70. Ik begrijp de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van de bewijsoverweging van het Hof aldus, dat dit geldbedrag het totaal is dat verzoeker en zijn medeverdachten contant uit hun eigen drugshandel hebben verkregen en verbergend dan wel verhullend door stortingen op verschillende bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningnummers hebben overgedragen en/of omgezet. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof op basis van de door hem gebezigde bewijsmiddelen in zijn bewijsoverweging niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat sprake was van (i) stortingen op bepaalde bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningen zoals het rekeningnummer van [A], (ii) het op ongebruikelijke wijze flinke bedragen aan contante gelden storten en weer opnemen, thuis bewaren en weer uitgeven, en (iii) het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verzoeker en zijn medeverdachten voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld. Ook wat het totaalbedrag van € 117.451,70 betreft, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden en faalt het middel in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF