Veroordeling postagentschaphouder ter zake van gewoontewitwassen middels money transfers en wisseltransacties, het valselijk opmaken van money transferformulieren & witwassen van Britse ponden

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4696

Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte ter zake van het medeplegen van gewoontewitwassen en gewoontewitwassen (feit 1), valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 2), witwassen (feit 3) en het medeplegen van schuldheling (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 308 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de rechtbank beslist over de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft:

  • primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit;
  • subsidiair integrale vrijspraak van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bepleit;
  • zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het beslag.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daartoe is aangevoerd dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. De verdediging heeft het hof gewezen op een tweetal strafzaken die thans aan het oordeel van de Hoge Raad zouden zijn onderworpen, waarin het eveneens gaat om schending van de redelijke termijn. In die zaken zou door de Procureur-Generaal zijn voorgesteld om te komen tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Die zaken waren door het hof in hoger beroep afgedaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. De verdediging heeft, gelet daarop, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.

Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg fors is overschreden. Met betrekking tot de behandeling in eerste aanleg is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar. In hoger beroep heeft de verdediging weliswaar verzocht om een handschriftonderzoek en het doen horen van een aantal getuigen, doch hiermee kan de behandelingsduur in hoger beroep van ruim vier jaar zeker niet uitsluitend worden verklaard. Gelet hierop oordeelt het hof dat ook met betrekking tot de behandeling in tweede aanleg de redelijke termijn is overschreden, te weten met twee jaar.

Dat er in de onderhavige zaak sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn staat naar het oordeel van het hof, op grond van het voorgaande, dan ook vast. Conform vaste jurisprudentie leidt deze schending echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De Hoge Raad heeft in 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP5361) nog geoordeeld geen aanleiding te zien om deze vuistregel aan te passen, nu dit het resultaat is van een langer durende rechtsontwikkeling en het derhalve een zekere duurzaamheid moet hebben. Het hof volgt de verdediging dan ook niet en acht het openbaar ministerie derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Ook overigens zijn bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat de belangen van verdachte zijn geschaad en die tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden moeten leiden.

Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn verdisconteerd dient te worden in een eventueel aan verdachte op te leggen straf.

Vrijspraak van feit 4

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, al dan niet samen met anderen, een bedrag van $30.000,00 heeft geheeld. De verklaring van de getuige 1, inhoudende dat hij het desbetreffende geldbedrag in het postkantoor van verdachte heeft gewisseld, dat verdachte hem toen niet heeft gevraagd om een legitimatiebewijs en hem geen bewijs van het wisselen heeft gegeven, acht het hof onvoldoende voor een bewezenverklaring van (het medeplegen) van de heling van dat geldbedrag. Ook de voor verdachte belastende verklaringen van de getuige 2 en de medeverdachte acht het hof onvoldoende specifiek naar tijd en handeling dat daaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid.

Nu het hof, anders dan de rechtbank, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Feit 1-3

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit. Daartoe is allereerst aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het contante geld dat via money transfers is overgemaakt een legale herkomst heeft. Verdachte ging uit van en mocht er ook van uit gaan dat het geld van medeverdachte afkomstig was uit de voetballerij (het hof begrijpt: zijn inkomsten als profvoetballer) en hij daardoor over dergelijke contante geldbedragen kon beschikken. Deze verklaring van verdachte is niet zo onwaarschijnlijk dat zij zonder meer als onaannemelijk moet worden beschouwd.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat de ontvangers van de money transfers op enigerlei wijze zijn te linken aan verdachte. Het is veel meer aannemelijk dat verdachte enkel als doorgeefluik heeft gefungeerd om contant (teken)geld, dat medeverdachte had verdiend met voetballen, buiten Europa te brengen.

Eveneens is het feit dat verdachte in het verleden reeds vaker uit naam van medeverdachte money transfers heeft uitgevoerd een verankering van het door verdachte geschetste scenario. Ook toen werd voor de transacties, met medeweten en goedkeuring van medeverdachte, niet alleen diens naam, maar ook diens handtekening gebruikt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feit 1: money transfers

In het dossier bevinden zich doorslagen van 413 money transfers, waarvan het totaal van de overgemaakte bedragen per dag overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Van deze money transfers staan er 410 op naam van medeverdachte en drie op naam van getuige 3.

Verdachte heeft met betrekking tot laatstgenoemde money transfers ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij handtekeningen op naam van getuige 3 heeft gezet. Anders dan de rechtbank, zal het hof verdachte, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, vrijspreken van het witwassen door middel van drie money transfers op naam van getuige 3 (twee keer €10.000,00 op 20 februari 2003 en één keer €2.500,00 op 27 februari 2003). De verklaring van getuige 3 dat er ten behoeve van het lidmaatschapspasje voor de videotheek van verdachte een kopie van haar identiteitsbewijs is gemaakt acht het hof onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De vraag is of verdachte, die heeft verklaard de voormelde 410 money transfers op naam van medeverdachte te hebben verricht, wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van dit onderdeel van het feit stelt het hof het volgende voorop. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat – zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd – de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring van de verdachte dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal ook het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 27 september 2010 bekend dat hij de ten laste gelegde money transfers heeft verricht op naam van medeverdachte en daarbij diens paspoort heeft gebruikt. Ook ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2014 heeft verdachte verklaard dat hij de money transfers, zoals ten laste gelegd, heeft gedaan. Het aantal money transfers, te weten 410, in combinatie met de periode waarin deze zijn gedaan, te weten circa vier maanden, en de forse geldbedragen die daarmee gemoeid waren, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een vermoeden van witwassen.

Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van medeverdachte heeft ontvangen en dat hij dacht dat dit met profvoetbal verdiend geld was. Daarmee heeft dit geld een legale herkomst, aldus de verdediging.

Het hof acht de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld niet aannemelijk geworden, nu uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte nooit geldbedragen ter hoogte van ruim 2,3 miljoen euro (netto) beschikbaar heeft gehad (in of omstreeks de ten laste gelegde periode) dan wel dergelijke geldbedragen heeft verdiend tijdens zijn voetbalcarrière. Voorts bevinden zich in het dossier geen aanknopingspunten dat medeverdachte degene is geweest die aan verdachte de ten laste gelegde geldbedragen heeft gegeven. medeverdachte heeft daaromtrent verklaard dat hij verdachte in de ten laste gelegde periode geld noch toestemming voor de money transfers heeft gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat de geldbedragen die verdachte heeft gebruikt ten behoeve van de money transfers niet van medeverdachte afkomstig waren.

Het hof neemt voorts in aanmerking de verklaringen van de getuigen getuige 4 en getuige 5, medewerksters van het postagentschap van verdachte. Zij hebben verklaard dat verdachte in de ten laste gelegde periode money transfers heeft verricht zonder dat er mensen aan de balie stonden. getuige 5 heeft verklaard dat er dagen bij waren dat verdachte op deze wijze wel 7 à 8 money transfers verrichtte, dat hij dit met grote regelmaat deed en het computerscherm op een ander scherm zette als zij in de buurt kwam.

Gelet op de omstandigheden:

  • dat er in de ten laste gelegde periode nagenoeg steeds veel geld werd overgemaakt op naam van één afzender naar verschillende ontvangers in overwegend één land;
  • dat het totaalbedrag ongewoon groot is, volgens de directeur van Western Union Financial Services;
  • dat van een aantal money transfers niet alleen de doorslagen zijn aangetroffen maar ook de originelen die aan de klant verstrekt dienen te worden;

in combinatie met de omstandigheid dat er geen legale (economische) verklaring is gegeven voor het overmaken van grote hoeveelheden contante bedragen middels money transfers, en bij gebrek aan een aannemelijke verklaring van verdachte omtrent de herkomst van het geld, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld voor de money transfers uit misdrijf afkomstig is. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte dit, gelet op de wijze waarop hij het geld heeft overgemaakt, ook geweten.

Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van witwassen.

Gelet op de hoeveelheid money transfers (410 stuks) die verdachte gedurende een langere tijd heeft verricht, heeft verdachte naar het oordeel van het hof van het witwassen middels money transfers een gewoonte gemaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch uit het procesdossier is af te leiden dat verdachte de money transfers heeft gedaan in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Van medeplegen is derhalve geen sprake. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Feit 1: wisseltransacties

In het dossier bevinden zich overzichtslijsten van wisseltransacties van Britse ponden naar euro’s, waarvan het totaalbedrag aan Britse ponden per dag overeenkomt met de bedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd. Al deze wisseltransacties zijn uitgevoerd in het postagentschap waarvan verdachte in de ten laste gelegde periode de filiaalhouder/beheerder was.

De getuige 4, medewerkster van het postagentschap van verdachte in de ten laste gelegde periode, heeft verklaard dat zij verdachte wel eens met een tas de zogeheten waardekamer in heeft zien gaan en vervolgens de geldtelmachine hoorde ratelen, of dat verdachte haar vervolgens vroeg om Engelse ponden te tellen. Deze verklaring wordt onder meer bevestigd door de verklaring van de getuige 5, die toen eveneens werkzaam was bij het postagentschap. Daarnaast heeft getuige 5 verklaard dat verdachte zelf regelmatig grote bedragen aan vreemde valuta wisselde in het kantoor. Hij maakte dan zelf de formulieren op en er was dan geen sprake van klanten waarvoor hij dat geld wisselde. Het ging daarbij voornamelijk om Engelse ponden, volgens de getuige. Op het einde van de dag moesten de medewerkers van het postagentschap de kas opmaken. Zij hebben daarbij regelmatig Britse ponden geteld. De benodigde formulieren waren door verdachte opgemaakt. Het vreemde geld was door verdachte zelf meegebracht, aldus de getuige 5.

Verdachte heeft hieromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij wel eens aan medewerkers van zijn postagentschap de opdracht gaf om geld te tellen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte desgevraagd verklaard dat de aangetroffen plastic draagtas van de Lidl met daarin een grote hoeveelheid Engelse ponden zijn eigendom was.

Uit onderzoek is gebleken dat regelmatig onjuiste formulieren zijn gebruikt bij het wisselen van Engelse ponden en dat formulieren die aan klanten meegegeven hadden moeten worden in de administratie van het postagentschap zijn aangetroffen. De getuige 6, destijds security manager bij TPG Post, heeft verklaard dat de werkwijze van verdachte met betrekking tot de wisseltransacties niet conform de richtlijnen van Postkantoren B.V. is en dat die richtlijnen verdachte bekend zijn middels handboeken zoals de Handleiding postagentschappen en via een blad genaamd Balienieuws. In dat verband heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij gekwalificeerd houder/beheerder van het postagentschap was. Ook blijkens dossierpagina 3552 was verdachte op de hoogte van de geldende richtlijnen aangaande handelingen die in het postagentschap gebeuren.

Met de rechtbank heeft het hof vastgesteld dat er op één dag veel verschillende wisseltransacties werden uitgevoerd in één valuta, te weten Britse ponden. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de herkomst van dit geld. Ook ontbreekt een legale (economische) verklaring voor het wisselen van grote contante bedragen. Doordat verdachte het geld telkens wisselde in hoeveelheden beneden de €1.000,00 hoefde hij op grond van de interne richtlijnen van de Postbank de identiteit van de klant en de herkomst van het geld niet kenbaar te maken of te onderzoeken.

Overigens heeft verdachte tegenover medewerkster getuige 5, toen zij naar de herkomst van het geld vroeg, verklaard dat hij een ‘band’ had in Engeland en een grenswisselkantoor in Duitsland. Tegen medewerkster getuige 4 heeft verdachte verteld dat hij een grenswisselkantoor in Berlijn en een artiestenbureautje had. Verdachte heeft tegenover de politie echter verklaard dat hij het artiestenbureau tot 1992 heeft gehad. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van de verdenkingen alleen de videotheek en het postagentschap in Breda had. Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee naar zijn medewerkers toe niet naar waarheid heeft verklaard over de daadwerkelijke herkomst van het geld en dit, ook voor hen, heeft willen verhullen.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de Britse ponden die zijn gebruikt voor de wisseltransacties uit misdrijf afkomstig zijn. Gezien de door verdachte gehanteerde werkwijze, kan voorts worden vastgesteld dat verdachte ook wist dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Gelet op de hoeveelheid wisseltransacties die verdachte per dag heeft verricht en het aantal dagen waarop hij een dergelijke hoeveelheid wisseltransacties heeft verricht, heeft verdachte naar het oordeel van het hof van het witwassen middels die transacties een gewoonte gemaakt. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch uit het procesdossier is af te leiden dat verdachte de geldwisseltransacties heeft verricht in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Van medeplegen is derhalve geen sprake. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

Feit 2

Omtrent het ondertekenen van de aangetroffen money transferformulieren heeft verdachte op 1 oktober 2003 in de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank verklaard dat hij zijn paraaf (het hof begrijpt: de handtekening van medeverdachte) heeft gebruikt. Verdachte heeft vervolgens op 9 oktober 2003, tijdens zijn achtste verhoor, waarin hem is voorgehouden dat medeverdachte heeft verklaard dat de handtekeningen op 27 money transfers van 7 juni 2003 niet van hem, medeverdachte, zijn, verklaard dat hij, verdachte, degene is geweest die de voor de money transfer benodigde formulieren namens medeverdachte heeft opgemaakt en de handtekeningen van medeverdachte op die money transferformulieren heeft gezet. Het hof houdt verdachte aan deze twee verklaringen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen aanknopingspunten voortgekomen, die moeten leiden tot een ander oordeel.

Doordat verdachte in strijd met de waarheid, zoals voortvloeit uit de bewezenverklaring van feit 1, de naam van medeverdachte als zijnde de opdrachtgever op de formulieren heeft gezet alsmede de handtekening van medeverdachte op de formulieren heeft gezet, heeft verdachte de money transferformulieren valselijk opgemaakt. Met de rechtbank, acht het hof het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen in dier voege dat verdachte dit feit als pleger heeft begaan. Het hof heeft onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen voor het ten laste gelegde medeplegen. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen.

Feit 3

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van dit feit eveneens het juridisch kader geldt zoals weergegeven bij feit 1: money transfers, onder het kopje ‘beoordelingskader’.

Op 22 september 2003 is een doorzoeking verricht in een beveiligde ruimte van het postagentschap te Breda waarvan verdachte destijds filiaalhouder/beheerder was. In deze beveiligde ruimte stond een grote kluis met daarop een groot aantal videobanden opgestapeld. Achter deze stapel videobanden lag, aan het oog onttrokken, een plastic draagtas van Lidl. In deze opgevouwen draagtas bevonden zich 22 bundels bankbiljetten van Britse ponden, tot een totaalbedrag van 36.910,00 Britse ponden.

De getuige 6, destijds security coördinator bij TPG Post, heeft verklaard dat de aangetroffen Britse ponden geen deel uitmaakten van de kas van het postagentschap.

Het voorgaande rechtvaardigt naar het oordeel van het hof reeds een vermoeden van witwassen.

Gevraagd naar de herkomst van het geld, heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de Lidl-tas zijn eigendom was. Verdachte heeft voorts verklaard – bij gelegenheid van zijn vierde verhoor, d.d. 24 september 2004 – dat het in die plastic tas aangetroffen geldbedrag in Britse ponden afkomstig was van een lening van getuige 7 aan hem. Verdachte heeft €90.000,00 van getuige 7 ontvangen, bestaande uit €40.000,00 (opgegaan aan speculeren en gokken) en 40.000,00 Britse ponden. getuige 7 heeft daaromtrent echter verklaard dat hij alleen een bedrag in euro’s aan verdachte heeft geleend en nooit Britse ponden aan verdachte heeft verstrekt.

Met de rechtbank heeft het hof geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Verdachte heeft daarmee geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat er onder de genoemde omstandigheden, op de genoemde (verborgen) plaats een groot geldbedrag in Britse ponden is aangetroffen, terwijl getuige 7 hem alleen een bedrag in euro’s zou hebben geleend. De verklaring van verdachte acht het hof ongeloofwaardig.

Op grond van het bovenstaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de aangetroffen Britse ponden van misdrijf afkomstig zijn. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van witwassen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  1. gewoontewitwassen
  2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  3. witwassen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 308 dagen, waarvan 270 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf voor de duur van 200 uren en verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 36.910,00 Britse ponden en € 204.100,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF