Hoge Raad beperkt verschoningsrecht: concept akten notaris aangemerkt als instrumenta delicti

Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110

Er zijn stukken in beslag genomen, afkomstig uit doorzoekingen bij C BV en D BV en uit een vordering uitlevering ter inbeslagneming. Aan de beslagenen wordt onder meer verweten: het opmaken van een vervalste overeenkomst (de Realisatieovereenkomst) en het opmaken en gebruikmaken van valse facturen in 2009 en 2010. De klager is notaris. Hij heeft aangevoerd dat zich geheimhouderstukken bevinden tussen de inbeslaggenomen stukken en heeft verzocht het beslag in zoverre op te heffen met een last tot teruggave.

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 19 maart 2015 het door klager ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is namens klager cassatieberoep ingesteld.

Namens klager hebben mr. R.W.J. Kerckhoffs en mr. J.N. de Boer, beiden advocaat te Breda, vijf middelen van cassatie ingediend.

Eerste en tweede Middel

Het eerste en het tweede middel klagen dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent 'brieven of geschriften die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend' als bedoeld in art. 98, vijfde lid, Sv. Daartoe is onder meer aangevoerd dat voor de vraag of sprake is van een instrumentum delicti enkel relevant is of het document direct onderdeel uitmaakt van het vermeende strafbare feit. De Rechtbank heeft, aldus de middelen, ten onrechte niet alleen van belang geacht of een document "zelfstandige betekenis" heeft gehad bij het plegen van het strafbare feit dat zou zijn begaan, maar tevens betekenis toegekend aan de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de complexiteit van de verdenking. Het derde middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat "instrumenta delicti" zijn "de stukken A-7-I-1-3, A-7-I-1-4, MG36, MG37, MG40, MG41, MG42, MG44 en MG64".

Beoordeling Hoge Raad

Print Friendly and PDF ^

Beschikking ex artikel 552a Sv: Beslag onder advocaat, plaats inbeslagneming: kantoor, privéadres en bij derden. Moment van inbeslagneming. Omvang van het beslag.

Rechtbank Noord-Holland 20 november 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11814 Onder een advocaat, klager, heeft inbeslagneming plaatsgevonden op zijn kantoor, privéadres en bij derden. Hiertegen is op 27 mei 2015 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:

  • de op 18 mei 2015 op het kantooradres van klager inbeslaggenomen goederen;
  • de op 18 mei 2015 op het toenmalige privéadres van klager inbeslaggenomen goederen.

Daarna, op 15 oktober 2015, heeft de rechter-commissaris beschikt (art. 98 Sv) dat zij de inbeslagname toestaat van 15 documenten, waarvan 7 documenten aangetroffen bij klager en 8 documenten aangetroffen bij cliënt van klager, medeverdachte in de strafzaak tegen klager.

Het klaagschrift gedateerd 21 oktober 2015 strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:

  • de 15 documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015.

Standpunt klager

Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de raadsman meegedeeld dat het klaagschrift ziet op alle onder klager (privé, op kantoor en nageleverde) inbeslaggenomen goederen, alsmede op de onder cliënt van klager inbeslaggenomen goederen die onder het verschoningsrecht van klager vallen.

Omvang van het beslag: alleen de vijftien documenten, genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris

Klager stelt zich op het standpunt dat slechts de (vijftien) documenten ten aanzien waarvan de rechter-commissaris in haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft geoordeeld dat inbeslagneming is toegestaan, onder het beslag vallen. Klager komt tot dit standpunt door de manier waarop de rechter-commissaris haar beslissing in de beschikking van 15 oktober 2015 heeft geformuleerd en door de redactie van artikel 98, derde en vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In het derde lid is onder meer bepaald dat de rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, de verschoningsgerechtigde meedeelt dat er beklag open staat tegen zijn beslissing. In het vierde lid is bepaald dat de verschoningsgerechtigde een klaagschrift kan indienen tegen de beschikking van de rechter-commissaris binnen 14 dagen na betekening daarvan. Door de onderlinge samenhang van deze leden lijken de beschikking en de beslissing van de rechter-commissaris één en dezelfde te zijn. Tegen zowel de beslissing als de beschikking staat beklag open en het ligt niet voor de hand dat er twee keer beklag kan worden ingediend. Om die reden concludeert klager dat de wet ertoe strekt dat in de beschikking van de rechter-commissaris wordt bepaald of en zo ja, welke documenten in beslag worden genomen. Ook de feitelijke gang van zaken pleit voor deze zienswijze. De rechter-commissaris kon tijdens de doorzoeking niet alle documenten, digitale bestanden en nog uit het archief op te vragen documenten/bestanden beoordelen. Daarom is de doorzoeking als het ware bevroren en op een later moment voortgezet op het Kabinet RC, waarbij klager de gelegenheid kreeg zich over de selectie van de rechter-commissaris uit te laten. Eerst hierna heeft de rechter-commissaris haar beschikking opgesteld.

Gelet hierop dienen de overige door de rechter-commissaris feitelijk meegenomen/overgenomen goederen, niet zijnde één van de vijftien in de beschikking van de rechter-commissaris genoemde documenten, te worden teruggegeven.

Mocht de rechtbank menen dat ook de andere meegenomen/overgenomen goederen in beslag zijn genomen, dan strekt het klaagschrift zich ook uit over deze goederen.

Bij de doorzoeking van de verblijfsadres, waarbij ook de deken en de officier van justitie aanwezig waren, heeft klager aangegeven dat alle goederen vallen onder zijn verschoningsrecht.

Geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden

Klager stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een inbreuk op het verschoningsrecht en dus inbeslagneming rechtvaardigen. Klager heeft zich verzet tegen de inbeslagnemingen. Er is geen sprake van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 98, vijfde lid Sv, nu geen goederen in beslag zijn genomen die het voorwerp van het strafbaar feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Evenmin is sprake van het bij hoge uitzondering mogen prevaleren van de waarheidsvinding boven het verschoningsrecht. Deze zeer uitzonderlijke omstandigheden mogen niet gemakkelijk worden aangenomen. De Hoge Raad heeft enkele malen overwogen dat de enkele omstandigheid dat een verschoningsgerechtigde zelf als verdachte is aangemerkt, niet toereikend is voor het aannemen van zeer uitzonderlijke omstandigheden. In de jurisprudentie wordt aangenomen dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden indien een redelijke verdenking bestaat dat de geheimhouder een ernstig strafbaar feit heeft begaan. Het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met een cliënt teneinde samen meerdere strafbare feiten te plegen of het ter beschikking stellen van een bankrekening waarover dubieuze geldstromen lopen is als zodanig aangemerkt. De verdenking tegen klager is van een hele andere, lichtere orde. De verdenking betreft het valselijk opmaken of vervalsen van een brief over een vordering in een faillissement naar de curator en het over deze brief opstellen van een valse verklaring. Dit houdt geen verband met de kern van de werkzaamheden van een advocaat. Niet alleen advocaten kunnen immers een vordering indienen bij de curator en niet alleen advocaten kunnen schriftelijke verklaringen afleggen. Deze stukken zijn inderdaad ingebracht in een procedure maar hebben nooit ergens toe geleid. Klager had geen rol als procesvertegenwoordiger in die procedure.

Publiek belang

Het verschoningsrecht dient niet alleen het individuele belang van klager, maar ook een publiek belang. Er wordt grote maatschappelijke waarde gehecht aan het belang dat een ieder zich zonder vrees voor openbaring vrijelijk tot een advocaat moet kunnen wenden.

Het ontbreken van relevantie

Klager stelt zich voorts op het standpunt dat het ontbreken van relevantie voor de strafzaak een op zichzelf staande reden is om de inbeslagname van de goederen te weigeren. Vatbaar voor inbeslagname zijn immers enkel de voorwerpen die 1) kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, of 2) om wederrechtelijk voordeel aan te tonen of 3) die bewaard worden om een recht tot verhaal veilig te stellen. De documenten die klager heeft mogen inzien, houden geen verband met de door de FIOD en het Openbaar Ministerie geformuleerde verdenking jegens klager en zijn om die reden niet relevant voor de strafzaak. De documenten die klager op 30 september 2015 heeft mogen inzien betroffen slechts andere aangelegenheden zoals bijvoorbeeld een wijziging van alimentatie of de aankoop van een paard.

Standpunt officier van justitie

Omvang van het beslag: alle inbeslaggenomen goederen

Het Openbaar Ministerie stelt zich onder de verwijzing naar de definitiebepaling van artikel 134 Sv en het arrest van de Hoge Raad NJ 1936, 1015 op het standpunt dat de rechter-commissaris bij de doorzoeking op 28 mei 2013 (de rechtbank leest: 18 mei 2015) documenten in beslag heeft genomen en gegevens heeft vastgelegd. Vaak wordt er meer administratie in beslag genomen dan in het onderzoeksdossier terecht komt en zeker meer dan in het procesdossier terecht komt. De inbeslaggenomen goederen die niet in de dossiers worden gevoegd, blijven in de kluis van het Kabinet RC.

De tekst van artikel 98 Sv gaat uit van inbeslagneming en niet van de selectie. Ook elders in het Wetboek van Strafvordering wordt het selecteren van goederen niet gedefinieerd als een geldige titel om buiten de wil van de betrokkene, goederen onder zich te houden. Het enkele feit dat de rechter-commissaris op 15 oktober 2015 heeft geoordeeld dat zij toen pas documenten in beslag heeft genomen, maakt dat niet anders. Tegen de selectie van de rechter-commissaris kan niet worden geklaagd.

Het beslag omvat derhalve de eerdergenoemde tijdens de doorzoeking gelegde beslagen alsmede de later gelegde beslagen, waaronder de notitie van accountant en de documenten die door het kantoor van klager en door archiefbedrijf naam aan de rechter-commissaris zijn verstrekt.

Zeer uitzonderlijke omstandigheden

Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat de aangenomen zeer uitzonderlijke omstandigheden voornamelijk zien op de aard van de verdenking. De stevigheid van de verdenking is niet van doorslaggevende betekenis. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden is sprake als de strafbare feiten de kern van de werkzaamheden van een advocaat raken en aldus de verdenking het vertrouwen aantast dat in de samenleving in een advocaat bij zijn optreden in gerechtelijke procedures moet worden gesteld. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en huiszoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van strafvordering, zij het dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij moet worden voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat onevenredig worden getroffen. In een zeer uitzonderlijk geval als genoemd komt het oordeel of bepaalde documenten redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het verweten strafbare feit dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen en een inbreuk op het verschoningsrecht is gerechtvaardigd, in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de deken van de Orde van Advocaten in het desbetreffende arrondissement of diens vervanger. Stuksgewijze beoordeling is daarbij niet nodig. De rechter-commissaris heeft blijkens de processen-verbaal terughoudendheid bij de inbeslagneming in acht genomen.

Net als bij andere fraude onderzoeken moet het mogelijk zijn dat de rechter-commissaris in een later stadium van het onderzoek die administratie nogmaals bekijkt, om met de wetenschap die zij dán heeft misschien nog andere stukken te selecteren voor het onderzoek. De inbeslaggenomen goederen dienen ook na een onherroepelijke beslissing in deze beklagprocedure beschikbaar te blijven voor het onderzoek. Als de rechtbank zou beslissen dat de inbeslaggenomen goederen zouden moeten worden teruggegeven, zou dat het onderzoek en de waarheidsvinding veel schade doen. Alleen de goederen, waarvan nu al duidelijk is dat ze absoluut niet relevant zijn en ook niet relevant zullen worden, kunnen aan de beslagene worden teruggegeven.

Beoordeling

Artikel 98 Sv

Artikel 98 Sv beperkt de mogelijkheid tot inbeslagneming van brieven of andere geschriften bij de in artikel 218 Sv bedoelde professionele verschoningsgerechtigden, waaronder een advocaat. De bescherming van artikel 98 Sv geldt evenwel niet alleen in geval van beslag en doorzoeking bij de verschoningsgerechtigde, maar ook wanneer op andere plaatsen goederen worden aangetroffen, die onder diens verschoningsrecht vallen1. Op de bescherming van artikel 98 Sv zijn twee uitzonderingen.

Ten eerste strekt de vrijwaring tegen beslag en doorzoeking zich niet uit tot de zogenoemde corpora et instrumenta delicti, te weten brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of die tot het begaan daarvan hebben gediend. Deze goederen vallen niet onder het verschoningsrecht van de betrokken beroepsbeoefenaar. Hoewel artikel 98 Sv slechts brieven of geschriften noemt, is de rechtbank van oordeel dat ook (kopieën van) digitale bestanden daaronder dienen te vallen. De rechtbank is met de officier van justitie en klager eens, dat het in casu niet gaat over corpora et instrumenta delicti.

Daarnaast geldt de bescherming van artikel 98 Sv niet wanneer sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan gevallen waarin de verschoningsgerechtigde verdacht wordt van ernstige strafbare feiten. Het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert in dat geval boven het belang dat ten grondslag ligt aan het verschoningsrecht.

De vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een (doorzoeking ter) inbeslagneming bij een verschoningsgerechtigde toestaan, zal dan ook duidelijk moeten zijn voorafgaand aan de doorbreking van het verschoningsrecht, in dit geval voorafgaand aan 18 mei 2015. Op deze vraag – die dus naar het oordeel van de rechtbank ziet op de inbeslagneming op zich en niet op een nadere selectie – komt de rechtbank later terug.

Omvang van het beslag

Ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van inbeslagneming, sluit de rechtbank aan bij de definitie van inbeslagneming zoals vermeld in artikel 134, lid 1, Sv: “onder inbeslagneming van enig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van strafvordering”. In casu gaat het om inbeslagneming van voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (artikel 94, lid 1, eerste deel, Sv).

Aldus is de rechtbank van oordeel dat het moment waarop de rechter-commissaris feitelijk de beschikking heeft gekregen over de diverse goederen, door het meenemen vanaf de plaats van doorzoeking danwel het – na een daartoe gedane vordering – op een later moment afgeleverd krijgen, het moment van inbeslagneming betreft. Dat een deel van deze goederen zijn meegenomen ter nadere beoordeling doet aan het voorgaande niet af. Immers, ook dan is sprake van het onder zich nemen ten behoeve van strafvordering op grond van het (voorlopig) oordeel van de rechter-commissaris dat deze goederen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. De rechtbank ziet niet in dat artikel 98 Sv een titel biedt voor het anders dan door inbeslagneming onder zich nemen en ter (nadere) selectie houden van goederen door de rechter-commissaris.

Het voorgaande betekent dat zowel op het kantooradres van klager, zijn verblijfadres van destijds en door latere beschikbaarstelling goederen onder klager in beslag zijn genomen. Daarnaast zijn er goederen onder medeverdachte cliënt van klager en onder getuige accountant in beslag genomen, waarop volgens klager zijn verschoningsrecht rust. Nu het klaagschrift, zo begrijpt de rechtbank, zich uitstrekt over al deze goederen, terwijl in het dossier geen duidelijke lijst voorhanden is, wordt hieronder kort aangegeven welke goederen de rechtbank in haar oordeel heeft betrokken.

Kantooradres klager

  • een externe harde schijf (gesloten envelop procedure), waarop na het invoeren van de zoekterm “cliënt van klager” in het systeem Viktor (in gebruik vanaf 2008) veertien bestanden zijn gevonden en gekopieerd. In beslag genomen op 18 mei 2015.
  • een kopie van de inbox (gesloten envelop procedure) van klager, op 19 mei 2015 door de ICT-medewerker van het advocatenkantoor persoonlijk afgeleverd op het kantoor van de FIOD in Amsterdam en aldus op die datum inbeslaggenomen:

Naar aanleiding van de doorzoeking van het kantoor van klager zijn op een later moment inbeslaggenomen:

  • mogelijk relevante dossiers opgeslagen bij archiefbedrijf naam, zonder inzage afgegeven aan Kabinet RC op 26 mei 2015 na een vordering ex artikel 96a Sv en aldus op 26 mei 2015 in beslag genomen.
  • dossiers, na een vordering 126nd Sv, welke op 15 september 2015 door kantoornaam aan het Kabinet RC ter beschikking zijn gesteld.

Ten aanzien van voorgaande inbeslaggenomen goederen die allemaal te relateren zijn aan het kantoor van klager staat niet ter discussie dat deze moeten worden beschouwd als inbeslaggenomen onder een verschoningsgerechtigde. De rechter-commissaris heeft deze inbeslagneming blijkens haar beschikking en het proces-verbaal van doorzoeking ook als zodanig beschouwd.

Verblijfadres klager

Uit de lijst van inbeslaggenomen goederen locatie verblijfsadres blijkt dat op 18 mei 2015 op het verblijfadres van klager in beslag is genomen:

  • 62 stuks usb-sticks
  • iMac Apple
  • iPad3 Apple
  • laptop Samsung NP-R710 snr GM5293GS200234R en voeding
  • usb-stick van kantoor 2GB

Uit de stukken blijkt dat tijdens die doorzoeking tevens aanwezig waren de Deken van de Orde van Advocaten en de portefeuillehouder strafrecht tevens lid van de Raad van Toezicht. Ten aanzien van de bestanden op de gegevensdragers/computer/tablet/laptop is in het proces-verbaal van doorzoeking vermeld dat deze uitsluitend zullen worden bekeken door de FIOD geheimhouder medewerkers.

Volgens een mondelinge toelichting van de rechter-commissaris zou klager zich niet op zijn verschoningsrecht hebben beroepen Tijdens de behandeling in raadkamer heeft klager meegedeeld dat hij zich bij de doorzoeking ook ten aanzien van deze goederen heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. De officier van justitie heeft bevestigd dat klager zich in de verblijfsadres (ten aanzien van een aantal goederen) heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de in de verblijfsadres inbeslaggenomen goederen derhalve ook te worden beschouwd als inbeslaggenomen onder een verschoningsgerechtigde.

De rechter-commissaris heeft zich in haar beschikking niet over de beoordeling van de op de verblijfsadres inbeslaggenomen goederen uitgelaten.

Accountant

Tijdens het verhoor van getuige accountant kwam een notitie ter sprake van klager aan cliënt van klager. Die notitie was in het bezit van accountant en is inbeslaggenomen.

Een notitie van klager aan cliënt van klager, op 19 juli 2015 door accountant aan de rechter-commissaris ter beschikking gesteld na een vordering 126nd Sv en aldus op die datum inbeslaggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de onder accountant inbeslaggenomen notitie, gezien de inhoud, te worden beschouwd als een document, dat onder het verschoningsrecht van klager valt. De rechter-commissaris heeft zich in haar beschikking niet over de beoordeling van deze notitie uitgelaten.

Cliënt van klager

Uit de lijst van inbeslaggenomen goederen locatie adres cliënt blijkt dat op 18 mei 2015 op het verblijfadres van cliënt van klager, medeverdachte in de strafzaak tegen klager, diverse documenten, ordners, harde schijven, etcetera in beslag zijn genomen. Ten aanzien van een aantal goederen is een gesloten envelop procedure gehanteerd. De overige goederen betreffen volgens een mondelinge toelichting van de rechter-commissaris geen geheimhouderstukken. Van een viertal inbeslaggenomen goederen (gesloten-envelop procedure) heeft de rechter-commissaris bepaald dat het om een geheimhouderstuk gaat. Het betreft:

  • diverse bescheiden inzake bedrijf van cliënt
  • een zwarte ordner “Memorie van Grieven accountant Hof 03062014”
  • een zwarte ordner “accountant 2013”
  • (een groen/witte ordner “ander advocatenkantoor”).

Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze vier genoemde onder cliënt van klager inbeslaggenomen bescheiden te worden beschouwd als documenten, die onder het verschoningsrecht van klager vallen.

Zeer uitzonderlijke omstandigheden

Klager wordt verdacht van (medeplegen van) valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld in de artikelen (47) 225 en 226 Wetboek van Strafrecht. Klager wordt verweten dat hij in strijd met de waarheid de volgende stukken zou hebben opgesteld:

  1. D-001: een op schrift gestelde verklaring waarin is opgenomen dat klager bij fax van datum 2004 een rekening-courant vordering schriftelijk bij de curator van bedrijf van cliënt heeft ingediend;
  2. D-002: een (fax)brief, waarin is opgenomen dat een vordering van medeverdachte cliënt van klager op de gefailleerde bedrijf van cliënt ter hoogte van fl. 650.000,00 onder de aandacht van de curator wordt/is gebracht en ter verificatie wordt/is ingediend met het verzoek deze op te nemen op de lijst van voorlopig erkende crediteuren;
  3. D-003: een (verzend)bewijs van een (fax)brief waarin faxregels en/of gegevens betreffende de ontvangstbevestiging zijn opgenomen.

In de beslissing doorzoeking van 23 april 2015 heeft de rechter-commissaris de vordering doorzoeking van de officier van justitie als volgt beoordeeld.

(…) Deze verdenking is door de officier van justitie voldoende onderbouwd. Mede gezien de functie van klager als advocaat betreft dit een zeer ernstig feit.

Voor het onderzoek naar de achtergronden en de totstandkoming van de valse faxbrief en de valse op schrift gestelde verklaring is van belang de totstandkoming van de vordering van cliënt van klager op bedrijf van cliënt en vervolgens wat er tussen 2003 en 2012 met die vordering wel of niet is gebeurd met betrekking tot verpanding, compensatie, faillissement, etc.

Het strafvorderlijk en maatschappelijk belang bij waarheidsvinding is in deze zaak groot. Duidelijk zal moeten worden waarom de juridische status van de vordering telkens anders is voorgesteld en welk aandeel de verdachten elk in de gang van zaken hebben gehad. Nu uit de toelichting van de officier van justitie blijkt dat de achtergrond moet worden gevonden in de communicatie tussen klager en cliënt van klager kunnen andere (minder ingrijpende) middelen dan een doorzoeking onvoldoende bijdragen aan dit belang. De rechter-commissaris heeft daarbij in aanmerking genomen dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij de waarheidsvinding boven het verschoningsrecht van klager prevaleert. De doorzoekingen op het advocatenkantoor en de woonadressen van klager en zijn medeverdachte, een en ander zoals door de officier van justitie gevorderd, voldoen derhalve aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

In haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris als redengevend voor het aannemen van uitzonderlijke omstandigheden overwogen dat op klager de verdenking rust dat hij zich in zijn hoedanigheid van advocaat schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en dat dit, gelet op zijn functie, een zeer ernstig feit is. Zij heeft overwogen dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van zijn werkzaamheden als advocaat dat die verdenking een ontwrichtende werking in de samenleving heeft op het vertrouwen dat in de werkzaamheden als advocaat moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank is met de rechter-commissaris van oordeel dat zich in casu uitzonderlijke omstandigheden voordoen, zoals omschreven in haar beslissing van 23 april 2015. Klager wordt verdacht van (medeplegen van) valsheid in geschrifte door het opstellen van een valse verklaring en/of een valse (fax)brief en/of het vervalsen van een (fax)verzendbewijs. Uit het dossier blijkt dat de verklaring en faxbrief zijn opgesteld op briefpapier van kantoornaam en zijn voorzien van de naam, meestertitel en functie (respectievelijk advocaat en raadsman van cliënt van klager ) van klager. Ook het (fax)verzendafschrift van ‘een brief/schriftelijk stuk’ naar het kantoor van de curator is afkomstig van het kantoor van klager.

Gezien het voorgaande heeft klager naar het oordeel van de rechtbank – anders dan door de raadsman betoogd - opgetreden in zijn hoedanigheid van advocaat en betreft het handelen van klager de kern van de werkzaamheden van een advocaat.

Klager heeft tot nu toe een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en medeverdachte cliënt van klager kan zich niets herinneren of stelt geen weet te hebben van de opgestelde stukken. Nu er geen andere, minder ingrijpende mogelijkheden zijn om achter de waarheid te komen, is daarmee voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De maatschappelijke functie van advocaat brengt met zich dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op de door hem opgestelde, ondertekende en verzonden stukken. Zou bewezen worden verklaard dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte in het financieel belang van zijn cliënt, dan zou dat ernstig afbreuk doen aan het ambt van advocaat en de maatschappelijke functie van de advocaat in het algemeen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de waarheidsvinding wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager. Daarbij is het naar het oordeel van de rechtbank niet van belang of het gaat om een of enkele verdenkingen van valsheid in geschrifte .

Beslissing van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagneming al eerder dan bij de beschikking van 15 oktober 2015 is geschied. De rechter-commissaris heeft bij die beschikking als beslissing verwoord dat zij de inbeslagneming van vijftien documenten toestaat.

De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waar bij de feitelijke inbeslagneming sprake was van bestanden die zich slecht leenden voor afzonderlijke inbeslagneming en voorts sprake was van ‘nalevering’ van documenten, de rechter-commissaris in het geval uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn ruim in beslag mag nemen, doch is gehouden het verschoningsrecht te waarborgen door in een later stadium alsnog een selectie op relevantie te maken. De rechtbank leest de beslissing dan ook zo dat de rechter-commissaris – na beoordeling op relevantie van feitelijk inbeslaggenomen documenten en bestanden – slechts de kennisneming van voornoemde vijftien documenten heeft toegestaan. Op deze wijze wordt het verschoningsrecht zoveel mogelijk gewaarborgd en gaat de inbeslagneming niet verder dan strikt noodzakelijk is voor de waarheidsvinding.

De rechter-commissaris heeft deze beoordeling op relevantie, zoals blijkt uit haar beschikking, slechts ten aanzien van een deel van de inbeslaggenomen goederen gedaan. Ten aanzien van het door de rechter-commissaris beoordeelde deel zal de rechtbank thans moeten toetsen of het beslag dient voort te duren in het belang van de waarheidsvinding. Daarbij dient een afweging gemaakt te worden tussen enerzijds de belangen van klager, verschoningsgerechtigde, om zo spoedig mogelijk de documenten/bestanden, waarover zijn verschoningsrecht zich uitstrekt, te kunnen beschikken c.q. dat die documenten / bestanden niet onnodig lang op het Kabinet RC liggen blijven, en anderzijds het belang van het Openbaar Ministerie om te kunnen beschikken over relevante documenten / bestanden in verband met de verdenking.

De rechter-commissaris heeft van vijftien documenten geoordeeld dat het gaat om voor de verdenking relevante documenten. Klager heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank acht het klaagschrift ten aanzien van deze vijftien relevant geachte documenten ongegrond.

Van andere door de rechter-commissaris beoordeelde documenten / bestanden die onder het verschoningsrecht van klager vallen kan geconcludeerd worden dat zij die niet relevant acht in verband met de verdenking. Het betreft de documenten afkomstig van de kantooradres, van archiefbedrijf naam en de documenten bij cliënt van klager inbeslaggenomen, doch onder het verschoningsrecht van klager vallend.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen grond voor het voortduren van het beslag ten aanzien van die documenten/bestanden. Dat betekent dat het klaagschrift ten aanzien van de documenten / bestanden die door de rechter-commissaris zijn onderzocht en niet relevant zijn bevonden, gegrond dient te worden verklaard.

Op de nog niet door de rechter-commissaris beoordeelde documenten/bestanden (notitie accountant en bestanden/gegevensdragers verblijfsadres ) dient het beslag te blijven voortduren totdat de rechter-commissaris heeft geoordeeld over de relevantie van die documenten/bestanden.

Conclusie

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift ongegrond ten aanzien van:

  • de vijftien documenten, waarvan de rechter-commissaris in haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft bepaald dat die relevant zijn,
  • alle goederen / bestanden, op 18 mei 2015 in beslag genomen op het verblijfsadres
  • de notitie in beslag genomen bij accountant;

verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag en gelast de teruggave aan klager van de onder klager inbeslaggenomen, met uitzondering van de zeven documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015:

  • twee dossiers, afkomstig van archiefbedrijf naam, op 26 mei 2015 afgegeven aan Kabinet RC,
  • dossiers, door kantoornaam op 15 september 2015 afgegeven aan het Kabinet RC;

verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag en gelast vernietiging van

  • gekopieerde bestanden op een externe harde schijf, op 18 mei 2015 in beslag genomen op het adres adres ,
  • de kopie van de inbox, op 18 mei 2015 in beslag genomen op het adres adres,

verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het beslag en gelast de teruggave aan rechthebbende cliënt van klager van de op 18 mei 2015 onder cliënt van klager inbeslaggenomen, met uitzondering van de acht documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015:

  • diverse bescheiden inzake bedrijf van cliënt .
  • de zwarte ordner “Memorie van Grieven accountant Hof 03062014”,
  • de zwarte ordner “accountant 2013”;
  • groen/witte ordner ander advocatenkantoor.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Searching and Seizing Evidence at Lawyers’ and Doctors’ Premises: Belgium, France and The Netherlands Put to the European Court of Human Rights Test'

Search and seizure procedures at lawyers’ and doctors’ premises put pressure on professional secrecy. In order to protect secrecy Belgium, France and The Netherlands introduced procedural guarantees based on the interplay of the examining magistrate, the representative of the professional association and the lawyer or doctor. Although the actors are similar, the level of protection differs. Under the terms of the European Convention on Human Rights a minimal level of protection is nevertheless vital. This contribution compares the interplay between the actors in Belgium, France and The Netherlands and evaluates whether all three countries meet the minimal level of protection required by the European Court of Human Rights. It subsequently concludes that an evaluation based on human rights is blind at one eye: although the rights protected by professional secrecy are decently preserved, professional secrecy itself is not. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'De reikwijdte van het verschoningsrecht'

In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 januari 2015 oordeelde de rechter dat het ‘governance rapport’ opgesteld door advocaten van De Brauw Blackstone in de Vestia-zaak niet viel binnen het verschoningsrecht van advocaten. De vraag die hieruit voort komt is hoe ver het civiele verschoningsrecht reikt. Deze bijdrage behandelt kort de kritiek op deze uitspraak en beziet voorts of het van belang is dat documenten, ten aanzien waarvan een beroep op het verschoningsrecht wordt gedaan, juridische bevindingen, kwalificaties en conclusies bevatten. Hierbij wordt aandacht besteed aan de inhoud en grondslag van het verschoningsrecht door te verwijzen naar relevante wettelijke bepalingen en jurisprudentie. Geconcludeerd wordt dat op grond van de benadering van de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld moet worden dat door advocaten ten behoeve van hun cliënten opgestelde onderzoeksrapporten binnen de reikwijdte van het functionele verschoningsrecht vallen. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'Verschoningsrecht onder spervuur'

Van allerlei kanten klinkt de roep om inperking van het verschoningsrecht van advocaten of tenminste om een kritische blik daarop. Vooral het feit dat het Openbaar Ministerie tezamen met de minister en de politiek beweren dat het verschoningsrecht in Nederland zou zijn doorgeschoten en aan herijking toe is, maakt dat het verschoningsrecht en de advocatuur ook wat van die kritiek te duchten hebben. Het Openbaar Ministerie vecht beroepen op geheimhouding en verschoning met verve aan, en de minister en de politiek hebben de sleutel in handen om deze op andere wijze vorm te geven. Verder in dit artikel:

  1. Verschoningsrecht onder spervuur
  2. Verschoningsrecht in Nederland
  3. Het verschoningsrecht biedt vertrouwen in en bescherming van het geheim
  4. Integere eerbiediging van de grenzen van het verschoningsrecht
  5. Is het verschoningsrecht doorgeschoten?
  6. Afronding en conclusies

 

Lees verder:

 

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op het Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Wanneer heeft een advocaat (geen) verschoningsrecht?

Hoge Raad 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258 Onder leiding van de Rechter-Commissaris heeft in de woning van betrokkene 1, en in de bedrijfsruimte van A (hierna: de stichting), waarvan betrokkene 1 de enige bestuurder is, een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. Tegen betrokkene 1, een politieambtenaar, is de verdenking gerezen dat zij in de uitoefening van haar bediening vertrouwelijke politie-informatie heeft verstrekt aan (medewerkers van) een advocatenkantoor en daarvoor een gift of belofte heeft aangenomen in de vorm van drukwerk en digitale formulieren, besteld of betaald door het advocatenkantoor en bestemd voor de stichting.

Tegen bij dit kantoor werkzame advocaten is de verdenking gerezen van 'actieve omkoping' en opzet- en schuldheling. In deze beklagprocedure hebben de klagers (het advocatenkantoor en bij dat kantoor werkzame advocaten) een beroep gedaan op hun (afgeleid) verschoningsrecht ten aanzien van bepaalde onder betrokkene 1 en de stichting inbeslaggenomen stukken.

De bestreden beschikking houdt onder het opschrift 'de verdenking jegens klagers' het volgende in:

"(...) betrokkene 1 verstrekt in de uitoefening van haar bediening vertrouwelijke politie- informatie, zijnde registraties, aan advocatenkantoor klaagster 1 te vestigingsplaats. Zij neemt daarvoor waarschijnlijk een gift of belofte aan of heeft deze aangenomen, in de vorm van drukwerk en/of digitale formulieren, betaald door klaagster 1. Dit drukwerk is kennelijk ten behoeve van haar A of B.

Klaagster 1 doet waarschijnlijk een gift of heeft dat gedaan of verleent een dienst of heeft deze verleend aan betrokkene 1, door het drukwerk en digitale formulier(en) van de A of B te betalen voor betrokkene 1, met het oogmerk haar te bewegen iets in strijd met haar ambtsbediening te doen of na te laten of dat deze gift het gevolg is van haar handelen in strijd met haar plicht. klaagster 1, c.q. de medewerker betrokkene 2 en/of klager 4 van dit advocatenkantoor, hebben opzettelijk goederen verworven waarvan zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat zij deze goederen door misdrijf verkregen hadden en zij daar een beroep of gewoonte van maken.

In het mailverkeer tussen klaagster 1 en betrokkene 1 werden berichten gezien die zouden duiden op het bestellen van drukwerk door het advocatenkantoor ten behoeve van de A. (...)

Bij de politie heeft betrokkene 1 verklaard, kort gezegd, dat zij op verzoek van klaagster 1 tegen betaling politie-informatie aan aldaar werkzame advocaten heeft verstrekt. Over de folders van de A heeft zij verklaard dat deze door klaagster 1 zijn geregeld en betaald en dat dit gewoon een gift was. Tegenover de officieren van justitie mrs. N. Voorhuis en M. Dontje heeft zij verklaard, toen zij door hen als verdachte werd gehoord, dat zij nu denkt dat haar stichting een dekmantel was en dat als de stichting zou gaan lopen, zij ook aan klaagster 1 cliënten zou kunnen aanleveren. Op de vraag welke giften betrokkene 1 voor haar Stichting heeft ontvangen, heeft zij geantwoord dat klager 4 de grote brochure en het draaiboek heeft geschreven, klaagster 7 het contact voor de golfclinic was en dat betrokkene 2 de contactpersoon is geweest voor de facturen, de brochures, de domeinnamen, de hosting van de website, de Kamer van Koophandel- kosten en ook de reclame op de auto. (...)"

De beschikking houdt voorts met betrekking tot de inbeslaggenomen documenten het volgende in:

"3.3. De klagers hebben de documenten tegen de inbeslagname waarvan hun klaagschriften zich richten, verdeeld in twee categorieën:

Categorie 'A': e-mails, brieven, facturen, notities en processen-verbaal met gegevens van letselschadecliënten, die niet zijn aan te merken als "corpora et instrumenta delicti". Deze documenten vallen onder het verschoningsrecht: het zijn (proces)stukken in een individuele zaak, die betrekking hebben op een cliënt.

Categorie 'C': gegevens met betrekking tot betrokkene 1 c.q. de A (...). betrokkene 1 was cliënte van klagers. Zij hebben betrokkene 1 bijgestaan bij het oprichten van de A. Dit betrof diverse adviezen en werkzaamheden. Stukken en correspondentie betreffende deze werkzaamheden vallen per definitie onder het verschoningsrecht."

De Rechtbank heeft aan haar beschikking drie bijlagen gehecht, te weten: bijlage I - aangepaste Documentenlijst opgemaakt namens klagers gedurende raadkamerzitting; bijlage II - corpora et instrument delicti; en bijlage III - geen verschoningsgerechtigde stukken. Elk van deze bijlagen bevat zowel documenten van de A-categorie als documenten van de C-categorie.

Derde middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de documenten genoemd in bijlage III bij de bestreden beschikking niet kunnen worden aangemerkt als 'informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd' en het beklag voor zover het op die stukken betrekking heeft, daarom ongegrond is.

Beoordeling van het derde middel

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"5.5.1. De rechtbank is van oordeel dat de overige door klagers op de Documentenlijst genoemde documenten (voor de duidelijkheid weergegeven in de aan deze beschikking als bijlage III gehechte lijst) niet onder het verschoningsrecht van klagers vallen nu het telkens niet gaat om informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd. Een aantal stukken bevat, louter informatie zonder dat er een kenbaar verband met klagers is. Het gaat hier bijvoorbeeld om een bij betrokkene 1 aangetroffen folder van betrokkene 1 of stukken zonder naamsvermelding of stukken van/over derden. De stukken betreffende het drukken van folders, een golfclinic en sponsoring hebben betrekking op werkzaamheden die niet kunnen worden gerekend tot de juridische dienstverlening/taak- en beroepsuitoefening van een advocaat. De in deze stukken vervatte informatie kan dan ook niet worden aangemerkt als informatie die aan een vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid is toevertrouwd.

Ook ten aanzien van deze stukken zal het beklag ongegrond worden verklaard."

Ingevolge art. 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, zich in rechte op zijn verschoningsrecht beroepen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Het gaat daarbij om de wetenschap die een verschoningsgerechtigde heeft verkregen in de uitoefening van zijn beroep. Een advocaat komt daarom alleen een verschoningsrecht toe in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt besloten dat de in bijlage III vermelde stukken niet duiden op zo een dienstverlening en de klagers zich met betrekking tot die stukken daarom niet op een verschoningsrecht kunnen beroepen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is, in aanmerking genomen de in de bestreden beschikking weergegeven verklaring van betrokkene 1 met betrekking tot die stukken, ook niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Marianne Bloos: 'Het verschoningsrecht is uitgedijd'

De minister van V&J beloofde eind vorig jaar om het professioneel verschoningsrecht tegen het licht te houden. Daarom praat het OM nu samen met het ministerie, de advocatuur en het notariaat over de ontwikkeling van het verschoningsrecht. Voor de zomer verscheen er een artikel in het Financieel Dagblad over het verschoningsrecht. Het OM vertelde in de krant dat het in gesprek wil met advocaten en notarissen over het verschoningsrecht. Het artikel ontketende veelreacties bij advocaten en notarissen. Het vakblad voor het notariaat kopte: 'Aanval op verschoningsrecht ongefundeerd'. In de Opportuun reageerde advocaat en landelijk portefeuillehouder strafrecht van de NOvA Bert Fibbe. In de meest recente editie van Opportuun Marianne Bloos aan het woord. Ze staat achter het verschoningsrecht, maar wil de discussie aan of de reikwijdte ervan in Nederland niet te groot is geworden.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'Aanval op verschoningsrecht'

Moet het verschoningsrecht van de notaris en de advocaat worden beperkt om de fraudebestrijding te helpen? In oktober 2015 zou de minister van Veiligheid en Justitie in een voortgangsrapportage aangeven of er verder wordt getornd aan het verschoningsrecht. Ondertussen moeten notarissen verstandig omgaan met het verschoningsrecht en kritisch zijn tegenover cliënten. Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Onderzoek Rykiel: Beklagprocedure waarin verschoningsrecht in het geding is. Alleen de verschoningsgerechtigde zelf kan als belanghebbende worden aangemerkt en dat is een advocaat die voorheen aan het kantoor van klaagster verbonden was en niet klaagster zelf.

Rechtbank Oost-Brabant 2 oktober 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5650 Het klaagschrift in deze strekt tot teruggave aan klaagster van de onder haar in het kader van het onderzoek Rykiel op 10 april 2014 en op 19 mei 2014 inbeslaggenomen voorwerpen.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft in raadkamer aangegeven dat het beklag gegrond verklaard dient te worden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster als beslagene, geheimhouder en als bewaker van het beroepsgeheim een beroep op het verschoningsrecht toekomt. De raadsman vindt dat klaagster in het beklag ontvankelijk dient te worden verklaard, dat haar argumenten inhoudelijk en integraal beoordeeld dienen te worden en dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarvoor het verschoningsrecht dient te wijken. Indien de rechtbank ervan uitgaat dat klaagster geen beroep kan doen op het verschoningsrecht, verzoekt de raadsman de rechtbank om de deken van de Orde van Advocaten en persoon 1 te horen zodat zij zich kunnen uitlaten over de inbeslaggenomen stukken en de schending van de vertrouwelijkheid waar ook anderen dan verdachten op mogen rekenen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het beklag ontvankelijk is en dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. De officier van justitie betoogt dat klaagster een beroep op het verschoningsrecht niet toekomt. De officier van justitie verzet zich voorts tegen het horen van de deken van de Orde van Advocaten en van persoon 1.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat klaagster ontvankelijk is in het beklag. De voorwerpen waarop het klaagschrift ziet zijn onder klaagster in beslag genomen en daarmee is klaagster, als beslagene, belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beklag.

Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de in beslag genomen voorwerpen, voorwerpen betreffen die in gebruik waren bij persoon 1, voorheen als advocaat verbonden aan klaagster, en ten aanzien waarvan klaagster heeft begrepen dat persoon 1 van oordeel is dat daarop haar verschoningsrecht onverkort van toepassing is.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit eerdere rechtspraak dat in een beklagprocedure waarin het verschoningsrecht in het geding is, alleen de verschoningsgerechtigde zelf als belanghebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4284.

De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld wie ten aanzien van de beslagen voorwerpen als verschoningsgerechtigde moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval persoon 1 als verschoningsgerechtigde te worden aangemerkt. Het verschoningsrecht komt immers toe aan de beroepsbeoefenaar, in dit geval de advocaat, als zodanig en niet aan het samenwerkingsverband waarvan de desbetreffende beroepsbeoefenaar deel uitmaakt.

Vervolgens rijst de vraag welke gevolgen het oordeel dat persoon 1, derhalve niet klaagster, de verschoningsgerechtigde is in deze procedure eventueel dient te hebben. Dit is in het bijzonder van belang nu de rechtbank heeft geconstateerd dat de door klaagster in deze procedure aangevoerde argumenten alle hun grondslag vinden in het gestelde verschoningsrecht. De niet-ontvankelijkheid van klaagster kan niet het gevolg zijn, omdat klaagster zoals hiervoor overwogen beslagene is en reeds op die grond als belanghebbende is aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank brengt voornoemd arrest van de Hoge Raad der Nederlanden echter wel mee dat klaagster zich in de gegeven situatie niet met vrucht kan beroepen op argumenten die hun grondslag vinden in het gestelde verschoningsrecht. Het is enkel aan de verschoningsgerechtigde zelf, in dit geval persoon 1, om - op de wijze zoals haar goeddunkt - op te komen voor het gestelde verschoningsrecht. In deze situatie is geen ruimte voor een tweede partij - in dit geval klaagster - om eveneens op te komen voor dit verschoningsrecht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat nadere bespreking van de door klaagster aangevoerde argumenten in deze procedure achterwege dient te worden gelaten. De rechtbank voegt hieraan toe dat zij het verzoek van de raadsman tot het horen van de deken van de Orde van Advocaten en persoon 1 afwijst. De rechtbank acht een toelichting van de deken en van persoon 1 niet relevant voor de door de rechtbank te nemen beslissing.

Het beklag zal ongegrond worden verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Cassatieberoep tegen 2 beschikkingen: Verlof ex art. 552p Sv rechtshulpverzoek VS & Beklag ex art. 552a Sv en verschoningsrecht advocaat

Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783 Ter uitvoering van een rechtshulpverzoek van de Amerikaanse justitiële autoriteiten heeft op 23 juli 2014 onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden op het woonadres van klagers. Bij de doorzoeking zijn diverse goederen in beslag genomen.

Op 29 juli 2014 is door de officier van justitie op grond van artikel 552p, tweede lid Sv een vordering ingediend waarin de rechtbank wordt verzocht verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van inbeslaggenomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Amerikaanse autoriteiten.

Op 11 augustus 2014 is een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend. Klagers verzoeken de rechtbank dit klaagschrift gegrond te verklaren, het gebruik van de goederen en gegevens te verbieden en een last tot teruggave met betrekking tot die goederen en gegevens te verstrekken.

De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 2 september 2014, onder het voorbehoud als bedoeld in art. 552p, derde lid, Sv, het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof verleend. Tevens heeft de Rechtbank bij beschikking van diezelfde datum het op grond van art. 552a Sv door klaagster ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

Tegen beide beschikkingen van de Rechtbank is namens klaagster tijdig cassatieberoep ingesteld.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt onder meer dat de Rechtbank ten onrechte de betrokkene en haar raadsvrouwe niet heeft gehoord op de vordering tot verlof als bedoeld in art. 552p Sv.

Beoordeling Hoge Raad

De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

"Bij brief van 11 augustus 2014 heeft de officier van justitie mr. T. Berger verzocht om artikel 23 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen op de raadkamerprocedure. Hiertoe wordt aangevoerd:

'Abusievelijk is in de vorderingen 552oa en 552p niet het verzoek om geheimhouding vanwege de belangen van het buitenlandse strafrechtelijk onderzoek opgenomen, zodat de procespartijen zijn opgeroepen. (...) Navraag heden bij de buitenlandse autoriteiten leert dat er nog steeds sprake is van zwaarwegende onderzoeksbelangen waardoor art. 23 lid 5 Strafvordering van toepassing is op deze beide raadkamerprocedures Op grond hiervan zullen er geen stukken aan andere procespartijen worden verstrekt en verzoek ik u hen niet nader op te roepen bij het behandelen van de vordering.'

Vooropgesteld wordt dat indien, zoals hier, een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag, gelet op het bepaalde in artikel 552k van het Wetboek van Strafvordering zoveel mogelijk aan dat verzoek gevolg dient te worden gegeven en dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag dan wel de wet, of indien door inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (HR 19 mei 2002, NJ 2002/580).

De rechtbank overweegt dat de Amerikaanse autoriteiten in hun rechtshulpverzoek van 26 juni 2014 op grond van artikel 11 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken een verzoek om vertrouwelijkheid hebben gedaan.

Uit de overgelegde stukken is duidelijk geworden dat het opsporingsonderzoek nog volop gaande is. De rechtbank is van oordeel dat in deze fase van de procedure naleving van de volkenrechtelijke verplichting prevaleert boven het belang van de betrokkenen om kennis te nemen van de vorderingen, het rechtshulpverzoek dat daaraan vooraf ging en de onderliggende stukken, alsmede om daaromtrent hun standpunten kenbaar te kunnen maken bij de behandeling in raadkamer. Om deze redenen heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie ingewilligd en worden op grond van artikel 23 lid 6 Sv geen stukken verstrekt aan andere procespartijen en vindt de behandeling in raadkamer buiten de aanwezigheid van de verdachte, diens raadsvrouw en andere belanghebbende plaats. Voorts zijn gelet op bovenstaande op grond van artikel 22 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de vorderingen in raadkamer met gesloten deuren behandeld."

De maatstaf om geen toepassing te geven aan art. 23, tweede, derde, vierde en vijfde lid, Sv is of het onderzoek "ernstig wordt geschaad". Blijkens de bestreden beschikking heeft de Rechtbank evenwel kennelijk als maatstaf gehanteerd dat het onderzoek "nog volop gaande is" en dat "in deze fase van de procedure naleving van de volkenrechtelijke verplichting prevaleert boven het belang van de betrokkenen om kennis te nemen van de vorderingen, het rechtshulpverzoek dat daaraan vooraf ging en de onderliggende stukken, alsmede om daaromtrent hun standpunten kenbaar te kunnen maken bij de behandeling in raadkamer". Het oordeel van de Rechtbank dat zij "om deze redenen" het verzoek van de Officier van Justitie om art. 23, zesde lid, Sv toe te passen op de raadkamerprocedure heeft toegewezen en dat daarom de behandeling in raadkamer buiten de aanwezigheid van de betrokkene en haar raadsvrouwe heeft plaatsgevonden, getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2326).

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

Vijfde middel

Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank het inbeslaggenomen stuk houdende de uitslag van een Mantouxtest ten onrechte niet onder het bereik van art. 98 Sv heeft gebracht.

Beoordeling Hoge Raad

De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

"Feiten

Naar aanleiding van de stukken in het raadkamerdossier kunnen (onder meer) de volgende feiten worden vastgesteld.

Ter uitvoering van een rechtshulpverzoek van de bevoegde Amerikaanse justitiële autoriteiten heeft op 23 juli 2014 onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in het perceel [a-straat 1] te [plaats], het woonadres van klagers. Bij de doorzoeking zijn diverse goederen in beslag genomen. Deze zijn vermeld op de beslaglijst die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 25 juli 2014.

Op 29 juli 2014 is door de officier van justitie op grond van artikel 552p, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering een vordering ingediend waarin de rechtbank wordt verzocht verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van inbeslaggenomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Amerikaanse autoriteiten.

Op 11 augustus 2014 is ter griffie van deze rechtbank ontvangen een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. Klagers verzoeken de rechtbank dit klaagschrift gegrond te verklaren, het gebruik van de goederen en gegevens te verbieden en een last tot teruggave met betrekking tot die goederen en gegevens te verstrekken.

Standpunt van klagers

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de inbeslaggenomen stukken niet kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding en derhalve niet als stukken van overtuiging kunnen worden aangemerkt.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen uitslag van een Mantouxtest meent de verdediging dat deze informatie niet kan bijdragen aan de waarheidsvinding. Bovendien zou deze uitslag hoogstpersoonlijke medische informatie bevatten. Volgens de raadsvrouw is het onduidelijk of de geheimhoudingsplicht van de arts hiermee is doorbroken. Verzocht wordt om teruggave van dit goed. (...)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoeksbelang zich verzet tegen teruggave van de stukken van overtuiging. (...)

Met betrekking tot de uitslag van de Mantouxtest meent de officier van justitie dat deze informatie niet valt onder het beroepsgeheim van een arts nu de uitslag bij klagers thuis in de eigen woning is aangetroffen. (...)

Beoordeling van de klacht ex artikel 552a

Gegeven het toetsingskader op grond van artikel 552k en 5521 van het Wetboek van Strafvordering zal de rechtbank zich een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of het rechtshulpverzoek en de uitvoering daarvan voldoen aan de wettelijke eisen. Dat betekent dat ook getoetst moet worden aan artikel 552o, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikellid bepaalt met betrekking tot de uitvoering door de rechtercommissaris van een rechtshulpverzoek dat vatbaar voor inbeslagneming zijn de stukken van overtuiging 'die daarvoor vatbaar zouden zijn' indien het desbetreffende feit in Nederland zou zijn begaan. Daarin wordt gelezen dat de desbetreffende stukken moeten kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft (artikel 94, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering).

De rechtbank zal bij haar oordeel of aannemelijk is dat het beslaggoed kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, als regel mogen vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat. De Nederlandse justitiële autoriteiten verkeren niet in de positie om zich een goed oordeel te vormen over de buitenlandse strafzaak. Gelet op deze omstandigheden zal daarbij met een globaal oordeel kunnen worden volstaan. (Zie de Advocaat-Generaal Knigge in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2010, § 24, ECLI:NL:PHR:2010:BN4301). De rechtbank zal aldus slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag toetsen.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen uitslag van de Mantouxtest stelt de rechtbank vast dat deze uitslag in het huis van klagers is aangetroffen. De uitslag is niet in beslag genomen onder de arts van klagers en zodoende kan niet gezegd worden dat de uitslag van de test valt onder de geheimhoudingsplicht van een arts. (...)

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de inbeslaggenomen goederen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Het klaagschrift zal om die reden ongegrond worden verklaard."

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. (Vgl. HR 22 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0422, NJ 1992/315.) Daarbij doet niet ter zake of de desbetreffende stukken zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt of patiënt bevinden.

Blijkens de bestreden beschikking met nr. 14/2123 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de in art. 98 Sv bedoelde geheimhoudingsplicht niet van toepassing is op de onderhavige uitslag van een Mantouxtest, omdat deze in het huis van de klaagster is aangetroffen en dus niet onder de arts van klaagster in beslag is genomen. Dit oordeel geeft, in het licht van hetgeen onder 6.3 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

De gegrondheid van het middel behoeft nochtans niet tot cassatie te leiden. Dat berust op het navolgende. In het onderhavige geval, waarin een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van de klaagster, heeft de klaagster aangevoerd dat de inbeslaggenomen uitslag van een Mantouxtest "niet kan bijdragen aan de waarheidsvinding", dat "deze uitslag hoogstpersoonlijke medische informatie [zou] bevatten" en dat "onduidelijk [is] of de geheimhoudingsplicht van de arts hiermee is doorbroken". De Rechtbank heeft het aldus aangevoerde kennelijk ontoereikend geacht voor de gevolgtrekking dat een verschoningsgerechtigde zich met betrekking tot dat stuk op zijn verschoningsrecht beroept. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

Het middel kan voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^