Wanneer heeft een advocaat (geen) verschoningsrecht?

Hoge Raad 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258 Onder leiding van de Rechter-Commissaris heeft in de woning van betrokkene 1, en in de bedrijfsruimte van A (hierna: de stichting), waarvan betrokkene 1 de enige bestuurder is, een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. Tegen betrokkene 1, een politieambtenaar, is de verdenking gerezen dat zij in de uitoefening van haar bediening vertrouwelijke politie-informatie heeft verstrekt aan (medewerkers van) een advocatenkantoor en daarvoor een gift of belofte heeft aangenomen in de vorm van drukwerk en digitale formulieren, besteld of betaald door het advocatenkantoor en bestemd voor de stichting.

Tegen bij dit kantoor werkzame advocaten is de verdenking gerezen van 'actieve omkoping' en opzet- en schuldheling. In deze beklagprocedure hebben de klagers (het advocatenkantoor en bij dat kantoor werkzame advocaten) een beroep gedaan op hun (afgeleid) verschoningsrecht ten aanzien van bepaalde onder betrokkene 1 en de stichting inbeslaggenomen stukken.

De bestreden beschikking houdt onder het opschrift 'de verdenking jegens klagers' het volgende in:

"(...) betrokkene 1 verstrekt in de uitoefening van haar bediening vertrouwelijke politie- informatie, zijnde registraties, aan advocatenkantoor klaagster 1 te vestigingsplaats. Zij neemt daarvoor waarschijnlijk een gift of belofte aan of heeft deze aangenomen, in de vorm van drukwerk en/of digitale formulieren, betaald door klaagster 1. Dit drukwerk is kennelijk ten behoeve van haar A of B.

Klaagster 1 doet waarschijnlijk een gift of heeft dat gedaan of verleent een dienst of heeft deze verleend aan betrokkene 1, door het drukwerk en digitale formulier(en) van de A of B te betalen voor betrokkene 1, met het oogmerk haar te bewegen iets in strijd met haar ambtsbediening te doen of na te laten of dat deze gift het gevolg is van haar handelen in strijd met haar plicht. klaagster 1, c.q. de medewerker betrokkene 2 en/of klager 4 van dit advocatenkantoor, hebben opzettelijk goederen verworven waarvan zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat zij deze goederen door misdrijf verkregen hadden en zij daar een beroep of gewoonte van maken.

In het mailverkeer tussen klaagster 1 en betrokkene 1 werden berichten gezien die zouden duiden op het bestellen van drukwerk door het advocatenkantoor ten behoeve van de A. (...)

Bij de politie heeft betrokkene 1 verklaard, kort gezegd, dat zij op verzoek van klaagster 1 tegen betaling politie-informatie aan aldaar werkzame advocaten heeft verstrekt. Over de folders van de A heeft zij verklaard dat deze door klaagster 1 zijn geregeld en betaald en dat dit gewoon een gift was. Tegenover de officieren van justitie mrs. N. Voorhuis en M. Dontje heeft zij verklaard, toen zij door hen als verdachte werd gehoord, dat zij nu denkt dat haar stichting een dekmantel was en dat als de stichting zou gaan lopen, zij ook aan klaagster 1 cliënten zou kunnen aanleveren. Op de vraag welke giften betrokkene 1 voor haar Stichting heeft ontvangen, heeft zij geantwoord dat klager 4 de grote brochure en het draaiboek heeft geschreven, klaagster 7 het contact voor de golfclinic was en dat betrokkene 2 de contactpersoon is geweest voor de facturen, de brochures, de domeinnamen, de hosting van de website, de Kamer van Koophandel- kosten en ook de reclame op de auto. (...)"

De beschikking houdt voorts met betrekking tot de inbeslaggenomen documenten het volgende in:

"3.3. De klagers hebben de documenten tegen de inbeslagname waarvan hun klaagschriften zich richten, verdeeld in twee categorieën:

Categorie 'A': e-mails, brieven, facturen, notities en processen-verbaal met gegevens van letselschadecliënten, die niet zijn aan te merken als "corpora et instrumenta delicti". Deze documenten vallen onder het verschoningsrecht: het zijn (proces)stukken in een individuele zaak, die betrekking hebben op een cliënt.

Categorie 'C': gegevens met betrekking tot betrokkene 1 c.q. de A (...). betrokkene 1 was cliënte van klagers. Zij hebben betrokkene 1 bijgestaan bij het oprichten van de A. Dit betrof diverse adviezen en werkzaamheden. Stukken en correspondentie betreffende deze werkzaamheden vallen per definitie onder het verschoningsrecht."

De Rechtbank heeft aan haar beschikking drie bijlagen gehecht, te weten: bijlage I - aangepaste Documentenlijst opgemaakt namens klagers gedurende raadkamerzitting; bijlage II - corpora et instrument delicti; en bijlage III - geen verschoningsgerechtigde stukken. Elk van deze bijlagen bevat zowel documenten van de A-categorie als documenten van de C-categorie.

Derde middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de documenten genoemd in bijlage III bij de bestreden beschikking niet kunnen worden aangemerkt als 'informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd' en het beklag voor zover het op die stukken betrekking heeft, daarom ongegrond is.

Beoordeling van het derde middel

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"5.5.1. De rechtbank is van oordeel dat de overige door klagers op de Documentenlijst genoemde documenten (voor de duidelijkheid weergegeven in de aan deze beschikking als bijlage III gehechte lijst) niet onder het verschoningsrecht van klagers vallen nu het telkens niet gaat om informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd. Een aantal stukken bevat, louter informatie zonder dat er een kenbaar verband met klagers is. Het gaat hier bijvoorbeeld om een bij betrokkene 1 aangetroffen folder van betrokkene 1 of stukken zonder naamsvermelding of stukken van/over derden. De stukken betreffende het drukken van folders, een golfclinic en sponsoring hebben betrekking op werkzaamheden die niet kunnen worden gerekend tot de juridische dienstverlening/taak- en beroepsuitoefening van een advocaat. De in deze stukken vervatte informatie kan dan ook niet worden aangemerkt als informatie die aan een vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid is toevertrouwd.

Ook ten aanzien van deze stukken zal het beklag ongegrond worden verklaard."

Ingevolge art. 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, zich in rechte op zijn verschoningsrecht beroepen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Het gaat daarbij om de wetenschap die een verschoningsgerechtigde heeft verkregen in de uitoefening van zijn beroep. Een advocaat komt daarom alleen een verschoningsrecht toe in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt besloten dat de in bijlage III vermelde stukken niet duiden op zo een dienstverlening en de klagers zich met betrekking tot die stukken daarom niet op een verschoningsrecht kunnen beroepen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is, in aanmerking genomen de in de bestreden beschikking weergegeven verklaring van betrokkene 1 met betrekking tot die stukken, ook niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF